Oecumenisch denkplatform voor hartstochtelijke en maatschappelijk betrokken theologie. Ook op twitter en facebook

“Asielzoekers, gevaarlijke duivels of gelijkwaardige medemensen” – Femke Kaulingfreks

 

“Asielzoekers, gevaarlijke duivels of gelijkwaardige medemensen”

 

Femke Kaulingfreks

 

Ik wil het hier vanmiddag hebben over het gevaar van ontmenselijking van een steeds strenger wordend asielbeleid in Nederland. Mijn stelling is dat een humaan asielbeleid nodig is, zelfs voor diegenen die het het minst lijken te verdienen. Ik wil dan ook pleiten voor een verhaal dat misschien niet zo gemakkelijk in het gehoor ligt, namelijk voor het recht van jonge asielzoekers met een strafblad op een toekomst in Nederland. De verhalen die in de media de meeste goodwill kweken voor het recht op opvang van vluchtelingen gaan vaak over jonge mensen met een Westerse levensstijl die overduidelijk een aanwinst vormen voor Nederland. We voelen ons bijvoorbeeld automatisch betrokken bij het lot van jonge Syrische kunstenaars, zoals de 26 jarige balletdanser Ahmad die nu danst bij het Nationaal Ballet. En wie herinnert zich niet Mauro, de jonge Angolese asielzoeker die grotendeels in Nederland opgroeide, het prima deed op school en op zijn achttiende uitgezet dreigde te worden? Mede door toedoen van grote publieke druk werd die uitzetting voorkomen en de Telegraaf concludeerde recent dat Mauro inmiddels ‘Limburgser is dan de vlaai’, omdat hij een huis heeft gekocht, een baan heeft en binnenkort vader wordt. Hij leidt, kortom, het leven van een gewone, geaccepteerde Nederlander. Als het gaat om het bieden van opvang en toekomstperspectieven aan ambitieuze, betrokken, intelligente en vriendelijke vluchtelingen, dan zijn we het al snel met elkaar eens. Natuurlijk moeten we deze mensen, vooral als ze nog jong zijn, een kans gunnen op een beter leven in Nederland nadat ze de ellende en armoede in hun thuisland zijn ontvlucht.

 

Maar hoe zit het met diegenen die niet onmiddellijk een aanwinst lijken te zijn voor onze samenleving? Criminele asielzoekers zijn we liever kwijt dan rijk. Het debat over de opvang van vluchtelingen wordt in grote mate bepaald door de angst voor deze criminele asielzoekers. Als we niet oppassen, laten we straks grote hoeveelheden jongemannen toe die niet gewend zijn aan de Westerse cultuur en als profiteurs hier naartoe zijn gekomen. Ze zullen misbruik maken van de Nederlandse vrijheden en voorzieningen, ze zullen zich hier misdragen en een gevaar vormen voor de gewone, hardwerkende Nederlander, zo luidt de argumentatie. De gebeurtenissen in Keulen in de nieuwjaarsnacht van 2015 op 2016, waarbij veel vrouwen op straat werden lastiggevallen door jongemannen met een Arabisch of Noord-Afrikaans uiterlijk, deed ook in Nederland dit soort angsten oplaaien. Het was koren op de molen van populisten zoals Geert Wilders, die pepperspray uitdeelde op straat om ‘onze’ vrouwen te beschermen tegen buitenlandse aanvallers.

 

Om problemen te voorkomen kunnen we maar beter zo min mogelijk vluchtelingen opvangen, zo vindt niet alleen Wilders, maar een groot gedeelte van de Nederlandse politiek. Bovendien wordt het asielrecht steeds verder aangescherpt, zodat diegenen die al in Nederland zijn en de wet overtreden steeds makkelijker het land uitgezet kunnen worden. Het is niet bekend hoeveel verblijfsvergunningen er per jaar worden ingetrokken vanwege strafbare feiten, maar als het aan Staatssecretaris Dijkhoff ligt zullen dat er steeds meer worden. Hij wil asielzoekers die een misdrijf hebben gepleegd sneller het land uit zetten, ook wanneer ze al een verblijfsvergunning hebben. Nu kan dit alleen als iemand een ernstig strafbaar feit heeft gepleegd en als gevaar voor de openbare orde wordt gezien, maar de staatssecretaris wil dat de criteria worden opgerekt. Delicten waar relatief lage gevangenisstraffen voor staan moeten als ‘ernstig’ worden aangemerkt en ook minderjarige asielzoekers moeten hun verblijfsrecht kunnen verliezen in het geval van criminele activiteiten.

 

De plannen van Dijkhoff passen in een trend waarin criminaliteit en immigratie steeds vaker in één adem worden genoemd. In het politieke en publieke debat worden asielzoekers en migranten afgeschilderd als een risico voor de samenleving, niet alleen vanwege cultuurverschillen of economische belasting, maar vooral vanwege de angst voor hogere criminaliteitscijfers. Die angst voor de asielzoeker als gevaarlijke ander is niet nieuw. In zijn prachtige roman “Hoe ik talent voor het leven kreeg” beschrijft Rodaan Al Galidi hoe asielzoekers vaak onmiddellijk verdacht worden van overtredingen of ongewenst gedrag. Hij beschrijft ervaringen die hij in de jaren ’90 had in een asielzoekerscentrum.

 

Ik quote: “Ik liep over de vrijdagmarkt, toen ik een stem van ver hoorde roepen. ‘Grijp hem!’ Meteen werd ik vastgepakt door een Nederlander, en even later stonden er drie mannen om mij heen. Ik bleef staan, en ook andere mensen bleven nieuwsgierig staan kijken. ’Blijf staan’, zei een van de mannen dreigend, terwijl ik al stilstond en geen aanstalten maakte om weg te gaan, maar de man bleef dit met een bewegende wijsvinger herhalen tot er een man in een wit schort verscheen. ’Niet die’, zei hij, waarop de handen mij meteen loslieten, de mannen wegliepen en iedereen weer verderging, zonder excuses te maken of mij nog aan te kijken. Gebeurtenissen als deze zijn er ontelbaar veel. Jarenlang heb ik ze meegemaakt. (…) Dergelijke voorvallen lieten mij en veel asielzoekers de wereld binnen het AZC prefereren boven de wereld erbuiten. Daarom kon je op een zonnige dag honderden asielzoekers in het gebouw zien of op het plein. Je zal jezelf afvragen waarom ze niet naar buiten gaan, een rondje wandelen, naar de speeltuin lopen, naar het centrum van de stad, naar het strand? Ze zijn toch geen kippen in een kippenhok? Bij elk probleem buiten het AZC waar de asielzoeker bij betrokken is, is hij de schuldige. Altijd. Ongeacht het soort probleem of wie het begon. Altijd moet de asielzoeker zich aanpassen aan de buitenwereld, gehoorzaam zijn en onderdanig, of nog liever, onzichtbaar.”

 

Deze passage deed me denken aan een nieuwsbericht uit 2009 over het Limburgse dorpje Tienray, waar asielzoekers verplicht werden een reflecterend hesje aan te trekken als ze ’s avonds de straat op zouden gaan. Bewoners zouden anders maar schrikken van de veelal zwarte asielzoekers, als ze die ’s avonds in het donker tegen zouden komen. Of asielzoekers zich nu onzichtbaar moet maken, of een hesje aan moet trekken voor extra zichtbaarheid, de boodschap is hetzelfde. Nederlanders zijn bang voor hun aanwezigheid. De Britse socioloog en criminoloog Stanley Cohen beschreef in de jaren ’70 hoe rivaliserende jeugdbendes in de media werden beschreven als ‘folk devils’ die ‘morele paniek’ veroorzaakten omdat men bang was dat ze een ontwrichtende impact op de samenleving zouden hebben. Asielzoekers veroorzaken in het hedendaagse Nederland eenzelfde morele paniek en worden ook als ‘folk devils’ gezien, en daarmee in feite niet als gelijkwaardige medemens, maar als bedreigende elementen die buiten de samenleving gehouden moeten worden. Omdat ze als risico gezien worden kunnen ze maar beter over de grens gezet worden.

 

De angst voor de criminele of gevaarlijke asielzoeker is ook eerder gebaseerd op beeldvorming dan op statistieken. Volgens sociologen en criminologen die er onderzoek naar deden waren asielzoekers en illegale migranten iets oververtegenwoordigd in de criminaliteitscijfers in de late jaren ’90 en de beginjaren van de 21ste eeuw, toen de discussie over de samenhang tussen immigratie en criminaliteit voor het eerst oplaaide. Het ging hier echter niet om zware misdaden, maar om lichte strafbare feiten. Die delicten zijn volgens de onderzoekers onder andere te wijten aan de toenemende marginalisering van illegalen en het feit dat ze steeds minder gebruik kunnen maken van sociale voorzieningen. Omdat er minder wordt geïnvesteerd in de opvang van vluchtelingen en migranten, neemt de bestaansonzekerheid toe. Diegenen die in de illegaliteit terecht komen kunnen steeds minder rekenen op steun. Bovendien zorgt de groeiende aandacht van ordehandhavers voor illegalen er ook voor dat zij vaker worden aangehouden. Socioloog Arjen Leerkes deed onderzoek naar de verhalen van mensen met een asielzoekersachtergrond die in Nederland werden veroordeeld voor misdrijven en concludeert dat de meesten relatief lichte strafbare feiten begingen in tijden waarin ze in grote onzekerheid leefden. Bij illegalen is volgens hem vaak sprake van ‘verblijfscriminaliteit’ ‘bestaanscriminaliteit’ of ‘verslavingscriminaliteit’. Ze begaan strafbare feiten om ook zonder papieren in Nederland te kunnen blijven en in hun basale levensbehoeften te voorzien. Ze werken bijvoorbeeld in de informele economie, plegen diefstallen, handelen in drugs of hebben valse papieren. Vaak kunnen ze niet terugvallen op een breed sociaal netwerk en hun zware levensomstandigheden leiden in sommige gevallen tot verslavingsproblematiek. Illegalen zijn weinig betrokken bij gewelddadige misdrijven en Leerkes concludeert dat zij vaak alleen bepaalde regels overtreden terwijl ze zich verder juist keurig aan de wet proberen te houden. Ze willen juist zo min mogelijk aandacht trekken en geen slachtoffers maken. Asielzoekers die een verblijfsvergunning hebben gekregen maken zich beduidend minder vaak schuldig aan dergelijke misdrijven. Het beeld van de gevaarlijke, criminele asielzoeker die een bedreiging vormt voor de Nederlandse samenleving als hij het recht heeft om hier te blijven, kan dus genuanceerd worden. Zodra mensen een verblijfsvergunning krijgen wordt het risico op crimineel gedrag juist kleiner.

 

Het asielbeleid wordt steeds sterker beïnvloedt door een hang naar veiligheid en sociale controle. Bestraffingsbeleid en migratiebeleid raken zo meer en meer met elkaar verweven, stellen criminologen Johanna van der Leun en Maartje van der Woude. Zij spreken van ‘crimmigratie’ om de vervaging van grenzen tussen het strafrecht en het migratierecht aan te duiden. Illegale migratie wordt aangepakt alsof het een vorm van criminaliteit is en de rol van vreemdelingenpolitie en vreemdelingendetentie bij het opsporen en uitzetten van migranten zonder papieren wordt belangrijker. En de asielzoekers die daadwerkelijk strafrechtelijk veroordeeld zijn worden sneller aangemerkt als een bedreiging van de openbare orde. Naast gedwongen uitzetting wordt hen meestal ook een inreisverbod opgelegd dat kan oplopen tot tien jaar. Zo worden bestraffende maatregelen opgestapeld. De gedachtegang lijkt te zijn dat risicovolle personen zo snel mogelijk uit Nederland verwijderd moeten worden, of dat nu via het strafrecht of via het migratierecht gaat. De rechtspositie van zogenaamde ‘vreemdelingen’ wordt hierdoor onduidelijker.

 

Bovendien treft de roep om strenger optreden tegen criminele asielzoekers ook mensen waarvan je je kunt afvragen of ze wel écht een gevaar voor de openbare orde vormen en in hoeverre ze eigenlijk een ‘vreemdeling’ zijn. Er worden ook jongvolwassenen uitgezet die binnen de Nederlandse samenleving gevormd zijn en helemaal geen binding hebben met hun land van herkomst. Begin dit jaar hield het verhaal van de 26 jarige Pekar Shaban de gemoederen bezig in Nijmegen. Hij kwam op zijn negende met zijn ouders naar Nederland, op de vlucht voor de radicale islamitische groeperingen die het leven van zijn ruimdenkende familie steeds moeilijker maakten in Noord Irak. Tijdens de eerste jaren in Nederland verhuisde Pekar met zijn moeder en zusje wel acht keer van asielzoekerscentrum naar asielzoekerscentrum. Op de middelbare school kwam hij in contact met de verkeerde vrienden en op zijn 19e werd hij veroordeeld voor een poging tot afpersing en een inbraak waarbij geweld was gebruikt. Pekar zat hiervoor een gevangenisstraf uit en doorliep daarna met glans een re-integratietraject. Hij werkte als kok in een hotel in Nijmegen, waar zijn baas en collega’s met hem wegliepen, toen hij begin 2016 gedwongen werd uitgezet naar zijn geboortestreek in Noord Irak, een land waar hij de taal niet van spreekt en waar hij helemaal geen contacten heeft. Pekar werd door alle betrokkenen bij zijn re-integratie niet beschouwd als een gevaar voor de openbare orde, maar juist als een jongeman die zijn leven had gebeterd en nu een waardevolle bijdrage leverde aan de maatschappij. Zijn werkgever plaatste een noodkreet op Facebook: “Ik ben mijn vertrouwen in de rechtsstaat verloren”. Desondanks werd Pekar uitgezet.

 

Pekar viel onder de juridische regeling van de glijdende schaal voor ‘vreemdelingen’. Mensen zonder Nederlands paspoort die een misdrijf begaan worden niet alleen strafrechtelijk veroordeeld, maar lopen ook het risico om hun verblijfsrecht te verliezen. Daarbij wordt een afweging gemaakt van de ernst van het strafbare feit, en dus de duur van de straf, in combinatie met de duur van het verblijf in Nederland. Hoe hoger de straf en hoe korter iemand in Nederland verblijft, hoe meer kans er is dat zijn verblijfsvergunning wordt ingetrokken. Deze regeling is bestuursrechtelijk, maar heeft duidelijk een bestraffende werking. De glijdende schaal is in de afgelopen jaren meerdere malen aangescherpt, geheel in de trend van het strengere en meer op bestraffing gerichte asielbeleid. Binnen de politiek kwam de nadruk meer te liggen op de oververtegenwoordiging van jongeren met een niet-Nederlandse achtergrond in de criminaliteitsstatistieken. Minister Verdonk wilde strengere openbare ordecriteria omdat met name jonge allochtone veelplegers aanzienlijke maatschappelijke schade zouden aanrichten en gevoelens van onveiligheid en overlast onder burgers zouden versterken. De maatschappelijke onrust die ontstond rondom criminele ‘buitenlanders’ werd door de politiek dus expliciet tot een openbare ordeprobleem gemaakt. Martijn Stronks schreef over de ontwikkeling van de glijdende schaal en concludeert dat mensen met een verblijfsvergunning én een strafblad nu eigenlijk nooit meer als geïntegreerd worden beschouwd, terwijl voorheen de nadruk nog lag op de worteling in Nederland die de tijd onherroepelijk met zich mee brengt. Bij eerdere versies van de glijdende schaal werd uitgegaan van de banden die mensen automatisch met de Nederlandse samenleving opbouwen, naarmate ze hier langer wonen. Of ze zich nu goed of slecht gedroegen, na verloop van tijd werden ze te zeer beschouwd als een onderdeel van deze samenleving om ze nog weg te sturen. Volgens de nieuwste versie van de glijdende schaal kun je nu ook na een verblijf van 20 jaar nog steeds je verblijfsvergunning verliezen. Als je geen Nederlands paspoort hebt en in Nederland op het verkeerde pad belandt, zul je dus altijd een vreemdeling blijven. Precies die conclusie is wrang in het geval van jongens zoals Pekar, die zich helemaal Nederlands voelen en ook in Nederland zijn opgegroeid tot wie ze vandaag de dag zijn.

 

Uitzettingen zoals die van Pekar laten zien dat het asielbeleid onder politieke druk steeds voorwaardelijker wordt. Een verblijfsvergunning biedt minder blijvende rechtszekerheid en hangt meer af van het juiste maatschappelijke gedrag van de asielzoeker. Tegenwoordig moet je het verdienen om in Nederland te mogen blijven. Zoals de Rotterdamse socioloog Willem Schinkel stelt, is burgerschap steeds meer afhankelijk geworden van morele oordelen over de juiste vorm van integratie. Je burgerschapsstatus wordt niet langer bepaald door het verkrijgen van de juist papieren, maar door de vraag of je gezien wordt als een goed burger volgens een ideaalbeeld van de cultureel aangepaste en economisch zelfredzame Nederlander. Wie afwijkt van de standaard, loopt het risico niet langer welkom te zijn. Deze verharding van het asielbeleid heeft problematische kanten. Het is de vraag of het intrekken van iemands verblijfsvergunning op basis van een strafblad geen afbreuk doet aan bepaalde principes van rechtvaardigheid die we in Nederland belangrijk vinden: het principe dat mensen niet op basis van hun afkomst verschillend gestraft mogen worden voor hetzelfde misdrijf, én dat mensen na het uitzitten van hun straf een tweede kans verdienen om weer mee te doen aan de maatschappij. Pekar ging in een typisch Nederlandse grootstedelijke context op zoek naar zelfvertrouwen en erkenning na een jeugd vol bestaansonzekerheid en hij kwam hier in contact met vrienden die hem die erkenning boden, maar ook een slechte invloed op hem hadden. De sociale context waarin Pekar opgroeide en tweemaal een strafbaar feit beging was Nederlands, dus waarom zouden we hem niet hetzelfde behandelen als een jonge crimineel met een Nederlands paspoort? Hij woonde niet pas sinds kort in Nederland, maar is hier gevormd. Andere jongvolwassenen met een Nederlandse nationaliteit die vergelijkbare misdaden begaan en in vergelijkbare omstandigheden zijn opgegroeid kunnen na het uitzitten van hun straf een nieuwe start maken, aangezien ons rechtssysteem uitgaat van het bieden van een tweede kans. Justitie en de reclassering kijken daarbij vooruit, naar de toekomst. We bestraffen mensen om ze te laten leren van hun fouten en om ze voor te bereiden op een nieuwe kans op succesvolle deelname aan de samenleving. Die kans benutte Pekar uitstekend in de tijd tussen zijn vrijlating en uitzetting. Toch werd hem geen tweede kans gegund vanwege zijn afwijkende burgerschapsstatus. Hij moest niet alleen een gevangenisstraf uitzitten, maar werd ook nog eens het land uitgezet.

 

Ik zei het al, asielzoekers worden eerder als gevaarlijke ‘folk devils’ gezien dan als gelijkwaardige medemensen. De socioloog Cohen, die de term folk devil bedacht, kwam ook tot de conclusie dat mensen zich vaak gaan gedragen naar het label dat ze krijgen opgeplakt. Het zou dus niet verwonderlijk zijn dat jongens met een asielzoekersachtergrond zoals Pekar, die zich constant behandeld voelen als tweederangsburger, zich ook gaan afkeren van de maatschappij en het uiteindelijk voor zichzelf acceptabel gaan vinden om de wet te overtreden. Ongewenst en crimineel gedrag van zulke jongens wordt niet voorkomen door ze nog verder van Nederland te vervreemden, maar juist door ze een kans te bieden zich hier op een gezonde manier te wortelen. Om een goede burger te kunnen zijn, moeten ze zich in de eerste plaats mens kunnen voelen in plaats van ‘folk devil’. Het huidige asielbeleid leidt juist eerder tot ontmenselijking.

 

Ik denk dat het werk van Ter Schegget ons voldoende handvaten biedt om ons te verzetten tegen zulke inhumane politieke ontwikkelingen. In zijn werk staat het recht om als mens gezien en behandeld te worden juist centraal, voor zover ik het kan beoordelen. Bovendien nodigt zijn werk uit om niet te snel over anderen te oordelen, ook niet als ze fouten hebben begaan. Het credo dat hij beschrijft helpt mensen om rolpatronen en vooroordelen te overstijgen. Alleen God oordeelt over hen. Vanuit een dergelijke geloofshouding kan men zich solidair betonen met anderen zonder ze in een hokje te stoppen of ze allemaal over een kam te scheren, als ‘duivels’ en dus onmenselijk. Het is een geloofshouding die uitnodigt tot betrokkenheid bij de ander in al zijn gebreken, vanuit het besef dat we allemaal gebreken hebben. Het oplossen van conflicten en pijnpunten binnen de samenleving past bij deze houding, in plaats van het wegsturen of buiten de deur houden van mensen die ons onwelgevallig zijn. Politici roepen tegenwoordig maar al te snel dat ‘onze’ Christelijke traditie beschermd moet worden tegen de dreiging van gevaarlijke buitenlanders, en pleiten op basis daarvan voor een exclusief asielbeleid. Ze vergeten dat diezelfde Christelijke traditie ook genoeg aanleiding biedt voor een inclusief asielbeleid waarbinnen zelfs diegenen die fouten begaan recht hebben op respect een eerlijke kansen. Het huidige politieke klimaat van zero tolerance voor asielzoekers heeft een zorgelijke impact op de Nederlandse rechtsstaat. Opvattingen over rechtvaardigheid die we in relatie tot mensen met een Nederlandse nationaliteit vanzelfsprekend vinden komen onder druk te staan in relatie tot mensen met een asielzoekersachtergrond zoals Pekar. Wie in het buitenland geboren is zal nooit dezelfde ruimte krijgen om fouten te maken als burgers van eigen bodem. Dat is geen goede ontwikkeling voor een land als Nederland dat naast rechtvaardigheid ook gelijkwaardigheid hoog in het vaandel heeft staan. Ter Schegget noemt het belang van een ethos van diegenen die zich uitspreken tegen onrecht, en zo’n ethos hebben we nu hard nodig. Ik sluit af met een quote uit de bloemlezing van Hoofdstuk 4 ‘Volmacht in Onmacht’ die Elfriede heeft gemaakt.

 

“Daarom kan dit nieuwe ethos alleen door de dragers ervan in een direct engagement in het geding worden gebracht, doordat het in actie komt vanuit de passie, doordat verontwaardiging zich baan breekt via hen die willen luisteren, het hart laten spreken, die sensibel en zachtmoedig durven zijn. Aan die zachte, onweerstaanbare kracht zal tenslotte de zegen zijn. Het is een ethiek die niet oordeelt, die niet goed en kwaad meent te kennen, maar een ethiek van solidairen, die zich geoordeeld weten, eerder dan anderen – en die dat melden.”

 

Laten we vooral met elkaar verder praten over hoe we zo’n ethiek vandaag de dag kunnen ontwikkelen.

 

Femke Kaulingfreks is politiek filosofe en anthropologe. Ze is momenteel werkzaam als universitair docent aan de afdeling Pedagogiek van de Rijksuniversiteit Utrecht.