Oecumenisch denkplatform voor hartstochtelijke en maatschappelijk betrokken theologie. Ook op twitter en facebook
Browsing articles in "Boekbespreking"

Ik bid, dus ik ben…

Ik wist dat het eraan zat te komen en ik keek er naar uit: het boek van mijn vroegere Groningse docent Bert Hoedemaker, oud-hoogleraar missiologie en oecumenica. Het zou een pleidooi tegen de vergeetachtigheid worden, had hij mij verteld, dus een pleidooi voor de christelijke traditie (zoals de ondertitel van zijn boek bleek te luiden). Bij de presentatie van het boek klonk uitbundige lof. Dat vergrootte mijn leesgierigheid. Ik kende Bert ook als een kundig docent, die de vakbekwaamheid heeft om voor mij nieuwe verbanden te leggen – dat heb ik gemerkt tot op het tentamen dat ik bij hem deed (over de Latijns-Amerikaanse bevrijdingstheologie). Zou dit boek zijn faam waarmaken?

Mijn antwoord luidt volmondig ja. Het is een letterlijk meeslepend boek geworden, een betoog in zorgvuldige en bedachtzame taal geschreven, spiritueel getoonzet. Hoedemaker verstaat de kunst de lezer mee te nemen in zijn denkproces – zozeer zelfs dat ik soms wel eens dacht: welke bocht heb ik nu genomen, en wil ik dat wel? Waar word ik ingetrokken? Daarover later meer, nu eerst iets over de inhoud van het boek.

Traditie en verbeelding

De schrijver noemt zijn boek in het nawoord een “schets van het christelijk geloof als levende traditie” (pag. 211). Tegen een vernauwde rationele blikrichting in pleit hij voor de verbeelding, als een menselijk huis om in te wonen, om een doorlopend levensverhaal te vertellen aan zichzelf en aan anderen. Zonder verbeelding kan de mens de wereld niet begrijpen. Wetenschap en verbeelding zijn verwant aan elkaar: “De rede ordent en loutert de verbeelding, maar de verbeelding voedt de rede.” (24)

De verbeelding houdt de traditie beweeglijk. Verbeelding schept verleden door het gedenken, maar ‘wat herdacht wordt, wordt ook verwacht’ (47). Hier hebben religieuze tradities een functie: ze funderen en verbinden mensen, door hen in een groter geheel te zetten, en halen hen zo ook uit een beperkte gerichtheid op zichzelf: horizon is een gemeenschap die alle mensen omvat (52). Hoedemaker neemt hiermee stelling tegen de heersende ideologie van de autonome mens: wij zijn op elkaar aangewezen in onze kwetsbaarheid en tekorten, leven van een ons geschonken vrijheid en hebben liefde, aanvaarding en verzoening nodig (213).

Gebed als zoekende relatie

Bij traditie en verbeelding voegt zich het gebed, dat voortkomt uit de wisselwerking tussen het zelfgesprek van ieder mens (met vragen als ‘wie ben ik?’) en de verbeelding die een religieuze traditie aanreikt (65). Dat is een doorgaand gebeuren, een ‘gebed zonder eind’, zoals de schrijver dit snedig noemt; dat gebed is zozeer fundamenteel voor het gelovige leven, dat het de titel van het boek is gaan vormen.

Dit gebed neemt niet klakkeloos de werkelijkheid van een goddelijk oor aan, maar verbeeldt zich die als een waagstuk. Zo wordt een mens ontvankelijk voor de mogelijkheid van God, in het oefenen van luisteren, zich toevertrouwen; zo krijgt ‘God’ (let op de aanhalingstekens!) “de contouren van een gesprekspartner” (72). In dit gebed houdt de mens de laatste vragen rond ik, God en wereld uit (73).

Heel bewust is Hoedemaker zuinig met het begrip openbaring. Traditie is geen extern gegeven; het verschijnt de mens wel als voorgegeven, maar het is ook zelf product van gebed (78). Mensen hoeven zich daaraan niet te onderwerpen, maar gaan een relatie aan met de traditie waardoor zij gevormd zijn (59). Zij worden uitgedaagd om zich als geheel postmoderne mensen opnieuw in relatie tot hun traditie uit te vinden (62). Zo is het boek ook een pleidooi voor het samengaan van liberaal (‘vrijzinnig’ ) en orthodox denken, die elkaar moeten behoeden voor de eigen valkuilen van respectievelijk een vrijblijvende humanistische spiritualiteit en een quasiwetenschappelijk waarheidsbegrip (212).

God neemt gestalte aan

Na de dood van God in onze moderne westerse cultuur is alle vanzelfsprekendheid van (het spreken van en over) God verdwenen. Hoedemaker betoogt dat God niet ‘bestaat’, maar ‘gestalte aanneemt’. Dat gebeurt in het proces van verbeelding, gebed en traditie-overdracht.

Maar welke gestalte krijgt deze God? Niet die van het traditionele almachtige opperwezen, maar van een God die oplicht in het gebed zonder eind waarin de mens reikt naar verzoening (111). Hoedemaker komt tot dit inzicht als resultante van een spirituele reis waarvan hij verslag doet in het hoofdstuk ‘ík’ dat de brug vormt tussen ‘gebed’ en ‘God’. Die ‘ik’ is geen autonoom individu, maar altijd mens in relatie, wordt gevormd en begrensd door anderen. In dat leven-met-anderen ontstaat schuld; die schuld wordt als zodanig ervaren als de mens de eigen verantwoordelijkheid hiervoor onder ogen ziet. Het gebed zonder eind is een permanente oefenplaats om verder te komen, om voorbij aan schuld verzoening te zien oplichten. In het hier en nu gebeurt dat spaarzaam en bedreigd, maar er is een perspectief op meer, de horizon van een wereld zonder ongelijkheid en geweld. De schrijver tekent hier op subtiele en spirituele wijze zijn zoektocht naar het in kaart brengen van het ontkiemen van het zaadje van het geloof in God.

Verwarring

Hierna volgen in het laatste deel hoofdstukken over specifiek christelijke thema’s: gedenken, verwachten en verblijven (over de kerk). Maar ik laat dat nu liggen. Want ik merk dat ik in de war raak door het eerdere betoog: ik word aangetrokken en afgestoten, verleid maar ook geprikkeld. Wat gebeurt er in mij als lezer?

Ik hoor woorden uit mijn/onze traditie, woorden als genade en geloof, die mensen willen weghalen uit hun existentiële eenzaamheid en verbinden met anderen, met een hele wereld; zo zet Hoedemaker deze woorden in. Ik word geraakt door de hoop erin, maar meteen ook in verwarring gebracht: wat betekenen die woorden, welke inhoud krijgen ze? Ik stuit in mezelf op een botsing van twee religieuze en theologische benaderingen: de mens die reikt naar het goddelijke en God, en de mens die getroffen en ontregeld wordt door God.

Het hoge woord moet er maar uit: ik mis de bijbelse theologie op de sleutelmomenten in deze verkenning van de weg van de mens. Ik mis het verhaal, de diepgang, de ontvouwing van de bijzondere bijbelse traditiestroom, die mij uitdaagt, mij vraagt om in te stappen, om de pijn op me te nemen van onbegrepen levensopdrachten. Hoe zou een mens anders het tegendraadse van basiselementen van het bijbels geloven als ‘de vreze des Heren’ en kruis-en-opstanding in eigen leven kunnen opnemen?

Ik weet dat Hoedemaker zich heel goed bewust is van de keuzes die hij hier maakt. En ik weet ook dat hij het andere, het eigene van de christelijke traditie volop recht wil doen, en dat vind ik ook terug in zijn boek. Maar ik zou ze zo graag willen integreren: de zoektocht op aarde en de trefkracht vanuit de hemel, dus toch stotterend vrijmoedig van openbaring spreken. Ik word geraakt en voel me begrepen door de poging om de weg van de gelovige mens uit te tekenen, door de tekening van de mens in de context van relaties en traditie. Maar toch kan ik niet volgen hoe ik langs deze weg mens van God kan worden, mens die in het levenslicht geroepen is door de God van wie de bijbel verhaalt.

‘Een wereld verloren in schuld’

Ik kijk er van op dat de schrijver middenin zijn betoog over ‘ik’ een “intermezzo” invoegt over “een wereld verloren in schuld” (96). Is die context alleen maar een intermezzo? Er klinken in deze paragraaf veelzeggende aanduidingen, bijv. over het kapitalisme als ‘cultus van de schuld’, die wereldwijd nationale economieën bepaalt. Maar reikt dit niet verder? Vervormt deze wereld niet al ons individuele religieuze beleven van schuld en verzoening? Ik mis aandacht voor de constituerende kracht van de bestaande ‘verkeerde wereld’, voor wat die wereld met mensen doet, hoe die hun verlangens bezet en misvormt, hoe die religie voortbrengt als geloof in een hemels hierna, hoe de gelovige traditie zich tot op vandaag verbonden heeft met de machten en zo de mensen gedisciplineerd heeft. Ik had verwacht iets meer hiervan tegen te komen in dit boek, omdat ik weet hoezeer de schrijver gevoed is door de wereldwijde samenspraken in de Wereldraad van Kerken, die ons westerse mensen de ogen geopend hebben voor het onrecht waarin wij betrokken zijn.

Ik zou hierbij ook niet spreken van post-moderniteit, maar liever van laat-moderniteit: die term geeft aan dat de moderniteit van de beperkte, vertechniseerde ratio nog steeds volop leidend is in onze wereldsamenleving, maar nu subtiel doorgedrongen in de haarvaten van mensen, via allerlei vormen van verleidelijke beeldvorming. Dat tast de vrijheid van heel onze verbeelding fundamenteel aan.

Tenslotte

Het vraagt inspanning om het boek te volgen in het doorlopende betoog. Maar die wordt zeker beloond. Ondanks mijn kritiek dat dit boek zich eenzijdig richt op de gelovende mens ben ik onder de indruk van de wijsheid en breedheid van het betoog. De verantwoording achterin geeft inzicht in de denk- en levensweg van de auteur, hoe die met elkaar verbonden waren. Want Hoedemaker is zich altijd bewust geweest van de contextualiteit van alle geloof en theologie.

Harry Pals

Bert Hoedemaker, Ik bid dus ik ben. Pleidooi voor de christelijke traditie Middelburg: Skandalon, 2018. 224 pag. € 22,50 ISBN 978-94-92183-73-6

Gerard Dekker, verlicht geloof

Gerard Dekker was een van de bekendste godsdienstsociologen van ons land. Van 1970 tot zijn emeritaat in 1996 was hij als hoogleraar godsdienstsociologie verbonden aan de Vrije Universiteit. Van huis uit gereformeerd volgde hij de veranderingen van zijn kerk op de voet en was die meestal een aantal stappen vooruit. Hij zag die kerk geleidelijk aan zijn dogmatische veren verliezen. Hij noemde dat met de titel van een van zijn bekendste boeken een “stille revolutie”. In de PKN zag hij weinig en zegde zelfs zijn lidmaatschap op, want hij voorspelde, dat het een kleurloze ‘middenkerk’ zou worden, die met pappen en nathouden zou proberen het instituut in stand te houden. Ik durf niet te beweren dat hij daarin ongelijk had. Maar zijn heftige reactie liet ook zien, dat hij in veel opzichten ‘gereformeerd’ was gebleven en dus principieel. Als je het ergens niet mee eens bent, dan stap je op en laat ook publiekelijk weten, waarom je opstapt. Na zijn emeritaat is hij zich intensief met theologie bezig gaan houden en in het bijzonder met de theologie van Bonhoeffer. Hij werd lid van het Bonhoeffer-werkgezelschap en schreef vier boekjes over Bonhoeffer, waarvan het hierboven genoemde de laatste was (eerdere publicaties: Het zout der aarde. Bonhoeffers visie op de kerk, 2002, De kerk lost niets op. Bonhoeffer over de relatie tussen kerk en wereld, 2006 en Leren geloven met Bonhoeffer. Teksten en commentaar, 2010). Daarnaast stelde hij nog een dagboek samen (in 2011) met voor elke dag een tekst van Bonhoeffer en bij elke maand een tekst van Gerard Dekker, waarin hij het thema van die maand toelicht (Dietrich Bonhoeffer, een thematisch dagboek, 2011). Hoewel hij binnen het werkgezelschap ook het gesprek met evangelicale en reformatorische Bonhoeffer-aanhangers graag en met enthousiasme aanging, was hij volstrekt overtuigd van zijn eigen Bonhoeffer-interpretatie, die hij tegen mij uitdrukte met de, binnen het werkgezelschap wat provocerende, stelling: “Bonhoeffer was toch gewoon vrijzinnig”. Over die stelling valt heel wat te zeggen en ook wel iets tegenin te brengen, maar ik begreep hem (en steunde Gerard daarin) als een verzet tegen de manier, waarop (vooral Amerikaanse) evangelicalen Bonhoeffer plegen te annexeren en neer te zetten als vrome geloofsheld.

Vrijdag 24 november, drie dagen voor zijn dood, werd in Leusden de door Gerard Dekker en Gerard den Hertog in het Nederlands vertaalde Bonhoeffer-biografie van Ferdinand Schlingensiepen gepresenteerd. Gerard kon daar niet meer bij zijn, geveld door een zeer ernstige virale longontsteking werd hij toen al in een kunstmatig coma gehouden. Hij vond de vertaling van die biografie zo belangrijk, juist om tegenwicht te bieden aan bijvoorbeeld de biografie van Eric Metaxas, de meest uitgesproken vertegenwoordiger van de genoemde evangelicale Bonhoeffer-uitleggers. Omdat ik jullie niet wil overvoeren met besprekingen van Bonhoeffer-boeken – waartoe ik toch al behoorlijk de neiging heb – zal ik dat boek niet bespreken in deze rubriek, maar wil hem hier wel noemen: Ferdinand Schlingensiepen, Dietrich Bonhoeffer 1906-1945. Een biografie, Utrecht: Kok 2017).

Het laatste boekje over Bonhoeffer heeft Gerard Dekker gelukkig nog zelf kunnen introduceren op de najaarsvergadering van ons werkgezelschap. Hij zei daar al met grote zekerheid (hij was toen nog helemaal niet ziek) dat dit zijn laatste boekje zou zijn. Het heeft iets van een testament. “Er staat niets nieuws in”, schreef de Trouw-recensent in zijn onwetendheid. Nee, natuurlijk niet, het was ook niet de bedoeling om iets nieuws over Bonhoeffer te schrijven, maar om nog een keer de kern samen te vatten van wat hij van Bonhoeffer geleerd had en zou willen dat we allemaal van Bonhoeffer zouden leren. Veelbetekenend zijn de twee citaten van Bonhoeffer die hij liet afdrukken op de omslagflappen van het boek. “Christen-zijn betekent niet op een bepaalde manier religieus zijn, op grond van een of andere methodiek iets van zichzelf maken (een zondaar, een boeteling of een heilige), maar het betekent mens-zijn” en “Als u het onvergankelijke wilt, houdt u dan aan het vergankelijke; als u het eeuwige wilt, houdt u dan aan het tijdelijke; als u God wilt, houdt u dan aan de wereld.”. Zo geloven in de geest van Bonhoeffer noemt Dekker “verlicht geloven”. Aan het eind van zijn boekje noemt hij wat volgens hem de voornaamste kenmerken zijn van een verlicht geloof. Ik laat de toelichting weg, maar noem die kenmerken: 1) Geloven is niet het aanhangen van een godsdienstig systeem; geloven is leven. 2) In het geloof gaat het niet om ons persoonlijk heil; 3) Het geloof is gericht op dit leven en op deze werkelijkheid; 4) In het geloof zullen mensen leven alsof er geen God bestaat; 5) Geloven is het doen van Gods wil; 6) In meditatie, gebed en bijbellezen kan ons duidelijk worden wat God nu van ons wil; 7) Geloven is leven in vrijheid en verantwoordelijkheid; 8) Geloven is leven voor de ander; 9) Geloven is op de toekomst gericht; 10) Geloven is positief in het leven staan. Ik kan daar alleen maar amen op zeggen, als stel ik vast: de kerk komt in deze tien kenmerken niet voor. Dat klopt, want de kerk lost niets op, zou Gerard waarschijnlijk zeggen. Ik heb de strijd nog niet opgegeven, behalve een verlicht geloof gaat het mij ook om een verlichte kerk, kortom om het “project Bonhoeffer”. In mijn bezigzijn daarmee is Gerard Dekker altijd een trouwe bondgenoot geweest. Zijn gedachtenis zij ons tot zegen.

Bespreking van het pamflet van Gustaaf Peek ‘Verzet! Pleidooi voor communisme’ [Querido 2017]

 

Harry Pals, voorzitter van de Vereniging voor Theologie en Maatschappij, bespreekt hieronder het pamflet van Gustaaf Peek ‘Verzet! Pleidooi voor communisme’.

 

 

Verzet!

 

Ik lees een driftig pamflet van Gustaaf Peek ‘Verzet! Pleidooi voor communisme’ [Querido 2017], en ik word er geestdriftig van. De gedurfde helderheid verrast me positief. Ik kende Peek alleen van zijn bijzondere erotische roman ‘Godin, held’.

Peek wil Marx en zijn programma om te komen tot een rechtvaardige herverdeling van kennis, macht en inkomen een nieuwe kans geven. Het kapitalisme, stelt hij, is dwangmatige winzucht, die slechts aan een kleine minderheid ten goede komt. Er bestaat ‘een kloof tussen de materiële mogelijkheden van het kapitalisme en de werkelijke opbrengst ervan voor de meerderheid van de mensen op aarde.’ [21] ‘Kapitaal (..) kan onmogelijk bestaan zonder collectief verlies.’ [28] Dit systeem wil ons doen geloven dat bevrediging vóór behoefte gaat. Als voorbeeld gebruikt Peek de vermarkting en vercommercialisering van ons voedsel. Hij eindigt met de liefde en de oproep: ‘Zusters en broeders, wij zijn aan zet’. Dat rijmt prachtig op verzet, denk ik dan…

Ik vind dit boekje een gedurfde, scherpe en concrete actualisatie van het gedachtengoed dat de Vereniging voor Theologie en Maatschappij theologisch wil doordenken.

 

Harry Pals

 

 

 

De “Nieuwe Boeken”-rubriek uit Ophef 2017/4

In het Ophefnummer 2017/4 worden door Wilken Veen de volgende boeken besproken:

 

Gerard Dekker, Verlicht geloof. Geloven in de geest van Dietrich Bonhoeffer, Utrecht: Kok 2017, 96 pag., € 13,50. ISBN 978 90 435 2838 2.

 

Deze eerste boekbespreking is helaas tegelijk een klein in memoriam. Op maandag 27 november overleed Prof. dr. Gerard Dekker op 86-jarige leeftijd. Gerard Dekker was een van de bekendste godsdienstsociologen van ons land. Van 1970 tot zijn emeritaat in 1996 was hij als hoogleraar godsdienstsociologie verbonden aan de Vrije Universiteit. Van huis uit gereformeerd volgde hij de veranderingen van zijn kerk op de voet en was die meestal een aantal stappen vooruit. Hij zag die kerk geleidelijk aan zijn dogmatische veren verliezen. Hij noemde dat met de titel van een van zijn bekendste boeken een “stille revolutie”. In de PKN zag hij weinig en zegde zelfs zijn lidmaatschap op, want hij voorspelde, dat het een kleurloze ‘middenkerk’ zou worden, die met pappen en nathouden zou proberen het instituut in stand te houden. Ik durf niet te beweren dat hij daarin ongelijk had. Maar zijn heftige reactie liet ook zien, dat hij in veel opzichten ‘gereformeerd’ was gebleven en dus principieel. Als je het ergens niet mee eens bent, dan stap je op en laat ook publiekelijk weten, waarom je opstapt. Na zijn emeritaat is hij zich intensief met theologie bezig gaan houden en in het bijzonder met de theologie van Bonhoeffer. Hij werd lid van het Bonhoeffer-werkgezelschap en schreef vier boekjes over Bonhoeffer, waarvan het hierboven genoemde de laatste was (eerdere publicaties: Het zout der aarde. Bonhoeffers visie op de kerk, 2002, De kerk lost niets op. Bonhoeffer over de relatie tussen kerk en wereld, 2006 en Leren geloven met Bonhoeffer. Teksten en commentaar, 2010). Daarnaast stelde hij nog een dagboek samen (in 2011) met voor elke dag een tekst van Bonhoeffer en bij elke maand een tekst van Gerard Dekker, waarin hij het thema van die maand toelicht (Dietrich Bonhoeffer, een thematisch dagboek, 2011). Hoewel hij binnen het werkgezelschap ook het gesprek met evangelicale en reformatorische Bonhoeffer-aanhangers graag en met enthousiasme aanging, was hij volstrekt overtuigd van zijn eigen Bonhoeffer-interpretatie, die hij tegen mij uitdrukte met de, binnen het werkgezelschap wat provocerende, stelling: “Bonhoeffer was toch gewoon vrijzinnig”. Over die stelling valt heel wat te zeggen en ook wel iets tegenin te brengen, maar ik begreep hem (en steunde Gerard daarin) als een verzet tegen de manier, waarop (vooral Amerikaanse) evangelicalen Bonhoeffer plegen te annexeren en neer te zetten als vrome geloofsheld.

Vrijdag 24 november, drie dagen voor zijn dood, werd in Leusden de door Gerard Dekker en Gerard den Hertog in het Nederlands vertaalde Bonhoeffer-biografie van Ferdinand Schlingensiepen gepresenteerd. Gerard kon daar niet meer bij zijn, geveld door een zeer ernstige virale longontsteking werd hij toen al in een kunstmatig coma gehouden. Hij vond de vertaling van die biografie zo belangrijk, juist om tegenwicht te bieden aan bijvoorbeeld de biografie van Eric Metaxas, de meest uitgesproken vertegenwoordiger van de genoemde evangelicale Bonhoeffer-uitleggers. Omdat ik jullie niet wil overvoeren met besprekingen van Bonhoeffer-boeken – waartoe ik toch al behoorlijk de neiging heb – zal ik dat boek niet bespreken in deze rubriek, maar wil hem hier wel noemen: Ferdinand Schlingensiepen, Dietrich Bonhoeffer 1906-1945. Een biografie, Utrecht: Kok 2017).

Het laatste boekje over Bonhoeffer heeft Gerard Dekker gelukkig nog zelf kunnen introduceren op de najaarsvergadering van ons werkgezelschap. Hij zei daar al met grote zekerheid (hij was toen nog helemaal niet ziek) dat dit zijn laatste boekje zou zijn. Het heeft iets van een testament. “Er staat niets nieuws in”, schreef de Trouw-recensent in zijn onwetendheid. Nee, natuurlijk niet, het was ook niet de bedoeling om iets nieuws over Bonhoeffer te schrijven, maar om nog een keer de kern samen te vatten van wat hij van Bonhoeffer geleerd had en zou willen dat we allemaal van Bonhoeffer zouden leren. Veelbetekenend zijn de twee citaten van Bonhoeffer die hij liet afdrukken op de omslagflappen van het boek. “Christen-zijn betekent niet op een bepaalde manier religieus zijn, op grond van een of andere methodiek iets van zichzelf maken (een zondaar, een boeteling of een heilige), maar het betekent mens-zijn” en “Als u het onvergankelijke wilt, houdt u dan aan het vergankelijke; als u het eeuwige wilt, houdt u dan aan het tijdelijke; als u God wilt, houdt u dan aan de wereld.”. Zo geloven in de geest van Bonhoeffer noemt Dekker “verlicht geloven”. Aan het eind van zijn boekje noemt hij wat volgens hem de voornaamste kenmerken zijn van een verlicht geloof. Ik laat de toelichting weg, maar noem die kenmerken: 1) Geloven is niet het aanhangen van een godsdienstig systeem; geloven is leven. 2) In het geloof gaat het niet om ons persoonlijk heil; 3) Het geloof is gericht op dit leven en op deze werkelijkheid; 4) In het geloof zullen mensen leven alsof er geen God bestaat; 5) Geloven is het doen van Gods wil; 6) In meditatie, gebed en bijbellezen kan ons duidelijk worden wat God nu van ons wil; 7) Geloven is leven in vrijheid en verantwoordelijkheid; 8) Geloven is leven voor de ander; 9) Geloven is op de toekomst gericht; 10) Geloven is positief in het leven staan. Ik kan daar alleen maar amen op zeggen, als stel ik vast: de kerk komt in deze tien kenmerken niet voor. Dat klopt, want de kerk lost niets op, zou Gerard waarschijnlijk zeggen. Ik heb de strijd nog niet opgegeven, behalve een verlicht geloof gaat het mij ook om een verlichte kerk, kortom om het “project Bonhoeffer”. In mijn bezigzijn daarmee is Gerard Dekker altijd een trouwe bondgenoot geweest. Zijn gedachtenis zij ons tot zegen.

 

Coen Constandse, Denken vanuit de ommekeer. Friedrich-Wilhelm Marquardt, theoloog in de twintigste eeuw, Gorinchem: Narratio 2017, 93 pag., € 9,00, ISBN 978 90 5263 230 8.

 

In 2009 promoveerde Coen Constandse op Het gebod van de hoop over eschatologie en ethiek bij F.-W. Marquardt. Op grond daarvan was hij de aangewezen om in de theologenreeks van de VTM een klein boekje over Marquardt te schrijven. Het moest natuurlijk wel een stuk eenvoudiger en dat is goed gelukt. De auteur kiest voor een strikt chronologische opzet, waarbij de onderwerpen steeds worden gekoppeld aan de in die bepaalde periode verschenen studies. Vooraf aan alles gaat Marquardts ontdekking van het Jodendom tijdens een reis met studenten naar Israël in 1959. Deze ontdekking, die tegelijk een ontmoeting met het levende Jodendom van zijn dagen is, is beslissend voor zijn verdere theologie. “Dass unser Herr Jesus Christ ein geborene Jude war”, wist Luther ook al (al verhinderde dat hem niet in zijn latere dagen al zijn gal over de Joden uit te spuwen), maar Marquardt gaat vele stappen verder en stelt vast, dat deze God (die van het christendom) de God van de Joden is, al voordat hij de god van andere mensen is en dat blijft hij ook, ook na Christus. Dat wordt dan ook Marquardts dissertatie, Die Entdeckung des Judentums für die christliche Theologie. Het is zijn ontdekking, maar als hij met die nieuwe bril op Barth leest, vindt hij ook Israël in het denken van Karl Barth (de ondertitel van het boek). Karl Barth zou met de hem zo eigen humor over deze studie zeggen, dat hij zijn hoed diep zou afnemen voor de Barth, die in dat boek ter sprake wordt gebracht. Daarna gaat het over het socialisme (Theologie und Sozialismus. Das Beispiel Karl Barths), wat hij m.i. veel meer terecht koppelt aan het denken van Karl Barth. De uitspraak ‘Karl Barth was socialist’ betekent natuurlijk, wanneer die niet polemisch bedoeld is, ook: ik ben socialist! En dat werd hem in de jaren van de koude oorlog en de RAF-terreur in Duitsland niet in dank afgenomen. Vervolgens (maar daar ga ik nu niet uitvoerig op in) worden in de volgende hoofdstukken de verschillende delen van Marquardts (7-delige) dogmatiek aan de orde gesteld. Verhelderend voor een ieder die begrijpelijkerwijs moeite heeft met de zeer uitvoerige en ‘Deutsch-gründliche’ teksten van dat werk. Als mede-redacteur van de serie ben ik apetrots op dit twaalfde (sic) deeltje in deze reeks.

 

Dick Boer, Theopolitische Existenz – von gestern, für heute, Berlin: Argument-Verlag 2017, 384 pag., € 27,00, ISBN 978 3 86754 108 4.

 

Een verzamelbundel met teksten van Dick Boer! De boeken van Dick (Een fantastisch verhaal, 1988, Protest tegen een verkeerde wereld 1991, Een heel andere God, 2002 en Erlösung aus der Sklaverei, 2008) zijn niet opgenomen, maar heel veel van de andere teksten wel. Vele daarvan kende ik al (omdat ze in Opstand/Ophef werden gepubliceerd of in andere bladen die ik lees, of doordat Dick ze mij mailde) maar er zitten toch ook voor mij nieuwe teksten bij. Dat geldt voor een aantal voordrachten over DDR-literatuur uit het laatste deel van het boek en voor een aantal vroege teksten uit een tijd, dat we nog niet zo bevriend waren, dat ik al zijn teksten onder ogen kreeg. Daarnaast is er het liefdevolle “Wort zum Geleit”, dat door Rinse Reeling Brouwer werd geschreven. Maar wat dit boek in zijn soort uniek maakt, is dat Dick bij een groot aantal van zijn artikelen en voordrachten een actueel commentaar heeft geschreven, waarin hij terugblikt op de tijd waarin het geschreven is. En Dick kijkt kritisch terug, noemt bepaalde opmerkingen van toen soms ‘bedenkelijk’ en heel vaak verbaast hij zich over wat hij vroeger allemaal durfde te zeggen, te schrijven en te preken. Soms ook heeft hij – eveneens tot zijn verbazing – vast kunnen stellen ergens nog helemaal achter te staan. Toch zijn deze commentaren nergens zelfrechtvaardiging, hoewel er soms begrip wordt gevraagd voor de andere situatie waarin een tekst geschreven is. De samensteller, Thomas Klein, heeft enige tijd bij Dick gelogeerd en er uitvoerig  met hem over gesproken. Dat hij besloten heeft niet zelf commentaren bij de teksten te schrijven, maar dat aan Dick over te laten is een ongebruikelijke maar gouden greep. Al zal Dick het zelf nooit zo zeggen (daarom doe ik het), deze bundel is een (veel te late) erkenning van de grote betekenis die Dick heeft gehad voor de theologie van de moderne tijd als een christen voor en een christen in het socialisme, die altijd bereid was rekenschap te geven van de posities die hij innam. Helaas is de tijd dat dit soort boeken in Nederlandse boekhandels kwam te liggen al lang voorbij, maar ik heb het nagekeken: Je kunt het inmiddels bij bol.com bestellen, dat bespaart je de verzendkosten.

 

Karel Eykman & Margreet de Heer, Zodat het je goed gaat. Tien geboden voor nu, Utrecht: Meinema 2017, 112 pag., € 14,99. ISBN 978 90 211 70398.

 

Het is meer dan veertig jaar geleden, dat Woord voor Woord verscheen, waarvan inmiddels vele drukken uit zijn gekomen en waarmee Karel Eykman zich een grote naam verwierf als schrijver van kinderboeken. Hij maakte deel uit van het roemruchte schrijverscollectief met o.a. Aart Staartjes en Willem Wilmink, dat de teksten schreef voor televisieproducties als de Stratemaker-op-zee-show, en heeft sindsdien een groot aantal verhalenboeken en dichtbundels voor kinderen geschreven. Vaak gebruikt hij daarbij op een geheel eigen wijze bijbelverhalen (zo herdichtte hij alle Psalmen en werd een prachtige berijming van 1 Korinthiërs 13,”Zonder liefde ben je nergens” opgenomen in het nieuwe liedboek). Eerder besprak ik in deze rubriek Jaarringen, waarin hij ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag voor elk levensjaar een gedicht had geschreven. Dit jaar verscheen deze bundel met verhalen van Karel Eykman en strips van Margreet de Heer over de Tien Woorden. Bij de presentatie in de Thomaskerk in Amsterdam was een groot deel van de theaterzaal gevuld met de hoogsteklassers van de naar hem genoemde Karel Eykmanschool uit Amstelveen. Voor hen is het boek bedoeld, voor 12 jarigen (iets ouder of iets jonger mag ook) en misschien ook voor leerkrachten en kindernevendienstbegeleiders die aan kinderen iets uit willen leggen over de bijbel. Bij elk van de tien woorden een verhaal en een strip en aan het eind nog een hele korte samenvatting van elk van de geboden in een heerlijk onvrome taal en met een feilloos gevoel voor de goede exegese. Zo begint zijn korte uitleg van het vijfde woord met: “In vroeger tijd, toen de tien geboden ontstonden, was het van levensbelang dat kinderen hun ouders in ere hielden. Waren je ouders zo oud geworden dat ze hun eigen brood  niet meer konden verdienen, dan hoorde je als kinderen voor hen te zorgen.” Dan is gelijk de juiste toon gezet, en ieder moralisme, dat jullie, kindertjes, vooral gehoorzaam moeten zijn en goed moeten luisteren naar de grote mensen, is dan op voorhand uitgesloten. Ons leerhuis in Amsterdam (Leerhuis Amsterdam Tenach en Evangelie) had de grote eer gekregen, dat Karel zijn verhalen al voor publicatie bij ons voor wilde dragen. Het boek is mooi, maar als Karel het voorleest is het nog overtuigender.

 

Walter Brueggemann, Uitverkoren volk? Bijbellezen met het oog op het Israëlisch-Palestijnse conflict, Zoetermeer: Boekencentrum 2017, 79 pag., € 9,99. ISBN 978 90 239 5177 3.

 

In het laatste nummer van In de Waagschaal heeft hoofdredacteur Wessel ten Boom (ooit ook hoofdredacteur van Ophef en nog steeds een zeer gewaardeerd auteur in dit blad) al min of meer de vloer aangeveegd met dit boek en zich afgevraagd of dit geen ‘Palestijnse propaganda’ is. Dat zal ik niet doen, hoewel ik begrip heb voor de meeste van Wessels argumenten. Ook als een boek vertaald wordt, blijft het een boek dat voor een ander, in dit geval Amerikaans, publiek geschreven is en binnen die context begrepen moet worden. Dat Sabeel dit boek heeft laten vertalen en uitgegeven heeft, betekent nog niet dat het daarmee is toegespitst op het Nederlandse publiek. In navolging van Mark Braverman heeft nu ook Brueggeman zich uitgesproken tegen wat wel het ‘christen-zionisme’ wordt genoemd. Dat is – dat geef ik toe – in Nederland niet revolutionair, hier is juist de kritiek op de staat Israël vrijwel gemeengoed geworden en worden groeperingen als ‘Christenen voor Israël’ als een soort ‘rechts-radicalen’ beschouwd. Maar in Amerika zijn christenen met deze opvattingen ruim vertegenwoordigd en hebben bijvoorbeeld een forse bijdrage geleverd aan de verkiezingsoverwinning van Donald Trump. Het laatste nieuws, dat Trump overweegt om de Amerikaanse ambassade te verplaatsen van Tel Aviv naar Jeruzalem en daarmee de aanspraken van de Palestijnen op (in ieder geval) Oost-Jeruzalem te bagatelliseren, maakt duidelijk hoe bedreigend deze beweging is voor de Palestijnen. Dat wij in het gemeen (Janneke Stegeman, ook Sabeel, deed dat ook al in haar proefschrift) vinden, dat je de Bijbel niet kunt gebruiken om aanspraken op land te rechtvaardigen, is waar en is naar mijn idee ook terecht. Maar ik heb de stellige indruk dat dit in Amerika wel relevant is. Dat dit ook anders zou kunnen, dat je misschien beter uit moet leggen wat ‘uitverkoren’ betekent (ik leerde dat al in het begin van mijn studie van Aschkenazy, die, toen nog verwoed roker, ons vroeg, hoe we het zouden vinden om ‘uitgekozen’ te worden om in de stromende regen een pakje sigaretten voor hem te halen) in plaats van dat begrip af te schaffen of niet op Israël toe te willen passen, daarin heeft Wessel ongetwijfeld gelijk. Maar tegelijk stel ik vast, dat het gesprek over het Israëlisch-Palestijns conflict bijna overal verstomd is. Waarschijnlijk omdat men denkt, dat het toch alleen maar op ruzie en onenigheid uitdraait. Ik weet heel goed, hoe moeilijk het was om dit gesprek te organiseren, al hadden we met wijlen Johan Snoek daarover een aantal indrukwekkende bijeenkomsten. Je hoeft alle uitganspunten van dit boekje niet te delen, om een serie gesprekken daarover aan de hand van dit boekje te organiseren. De voorgestelde gespreksvragen en ook de ‘richtlijnen voor een gesprek met wederzijds respect’ (zij het wat oubollig geformuleerd) aan het eind van dit boekje kunnen daarbij zeker van dienst zijn.

De “Nieuwe Boeken”-rubriek uit Ophef 2017/2

In het Ophefnummer 2017/2 worden door Wilken Veen de volgende boeken besproken:

 

Carolin Emcke, Gegen den Hass, Frankfurt a. Main: Fisher-Verlag 2016, 240 pag.
€ 16,99. ISBN 978 3 10 397231 3.

 

Helaas voor degenen die het Duits niet machtig zijn: dit boek is nog niet in het Nederlands vertaald, maar ik twijfel er niet aan, dat dit wel zal gebeuren. Had ik er de tijd voor, dan zou ik het zelf wel willen doen, want we hebben het over een zeer belangwekkend boek, dat heel terecht vorig jaar de Vredesprijs van de Duitse boekhandel kreeg. De auteur is filosoof, gepromoveerd op het thema “collectieve identiteiten”. Ze is openlijk lesbisch, maar heeft het in haar boek niet over homoseksualiteit, maar over “mensen die anders liefhebben”.

Met die aanduiding wordt gelijk duidelijk wat de pointe van haar betoog is. Angst voor (of haat tegen) buitenlanders, moslims, homo’s (mensen die anders leven, anders geloven of anders liefhebben) is angst voor en als gevolg daarvan vaak haat tegen mensen die anders zijn. Ze staat daarmee in een traditie van andere Duitse wetenschappers als Wolfgang Haug en Klaus Theweleit. Zij hadden het over het fascisme, dat even zeer (tenminste mede-) gebaseerd was op de haat tegen alles wat anders is. Zoals gezegd, vind ik het een prachtig boek, maar ik zie één groot probleem. Het is een in politiek, psychologisch, historisch en filosofisch opzicht goed opgezet boek en een bijna onweerlegbaar pleidooi voor begrip voor wat anders is, voor tolerantie en menselijkheid, maar tegen wiens oren is dit betoog gericht, wie leest dit? Ik vrees alleen al die verstandige en geletterde mensen, die het eigenlijk al op voorhand met de schrijfster eens waren. Wie dat niet zijn, zullen zich waarschijnlijk ook hierdoor niet laten overtuigen. Mensen zijn geen racist, omdat hen dat de meest verstandige en consistente benadering van de werkelijkheid lijkt, maar op grond van heel andere gevoelens. Maar, en ook daar heeft de schrijfster volledig gelijk, gevoelens zijn geen objectieve gegevens (zoals maar al te vaak wordt gedacht en tot uitdrukking gebracht met frases als “zo voel ik dat nu eenmaal”), (haat)gevoelens worden beïnvloed, gemanipuleerd en, zo stelt ze zeer terecht vast, vaak ook georganiseerd. Bij heel veel argumentatie die mij wel bekend voorkwam, was er één punt bij, dat me nadrukkelijk tot nadenken bracht: Carolin Emke maakt duidelijk dat ‘zorg’ één van de gevaarlijkste eufemismen is in het huidige debat over moslims, vreemdelingen enzovoort. Als ik zeg, dat ik de pest heb aan moslims, dan discrimineer ik en dat is in strijd met de wet, maar als ik zeg, dat ik me grote zorgen maak over de komst van wel erg veel buitenlanders met een islamitische achtergrond, dan ben ik een bezorgde burger. Maar de pleinen staan wel vol met ‘bezorgde burgers’ bij een demonstratie van Pegida of de AfD. Verder houdt Emcke zich vooral bezig met het doorprikken van algemeen verbreide misvattingen. Daar is de mythe van het verenigde volk (werkte in de vorige eeuw ook al), van de veronderstelde vroegere homogeniteit en de evenzeer onbewezen gedachte, dat het daarom vroeger allemaal beter ging. Veel minder houdt ze zich bezig met de vraag waar al die haat en boosheid vandaan komt. Dat zou je kunnen zien als een tekortkoming, maar ik vond het ook een verademing. Soms word je er zo verschrikkelijk moe van om altijd maar begrip te hebben voor alles. Misschien is er wel een hele goede reden (zijn er zelfs meerdere redenen) waarom heel veel mensen boos, ongelukkig en ontevreden zijn, maar als ze dat uiten door haatgevoelens tegen mensen die in geen enkel opzicht de oorzaak daarvan zijn, dan is dat ook gewoon onterecht. Ik hoorde Herman Meijer ooit eens over de achterstandswijken in Rotterdam zeggen, dat hij hun problemen begreep, maar dat de islam niet het probleem was. Soms even niet een genuanceerd verhaal. Er is onevenredig veel haat tegen minderheidsgroepen in onze samenleving en die haat moet bestreden worden, omdat anders die minderheidsgroepen het slachtoffer worden en zelf weer (een veel terechtere) haat ontwikkelen. Er moet wat gezegd worden, er moet geprotesteerd worden: GEGEN DEN HASS.

 

Mia Doornaert, Ontredderde republiek. Zoektocht naar de ziel van Frankrijk, Kalmthout: Polis 2017, 286, pag. € 19,99 ISBN 978 94 6310 090 8.

 

Al eens eerder heb ik verteld, dat ik het een zeldzaam genoegen acht om een goed boek te lezen tijdens een vakantie over het land of de plaats waar ik op vakantie ben (Istanbul van Orhan Pamuk of Duister Europa van Robert Kaplan over Roemenië), dus toen mij dit boek over Frankrijk werd uitgeleend wist ik gelijk, dat gaat mee op ons weekendje Parijs, heerlijk lezen in de Thalys. En het was meer dan de moeite waard (Parijs altijd wel een mis waard, maar ook dit boek is bepaald niet mis??). Ik kende het werk van Mia Doornaert tot nu toe niet. Ze was vele jaren (geb. 1945) journaliste van de Standaard, de Belgische kwaliteitskrant en een deel van die tijd correspondent in Parijs. Ze blijkt niet alleen een buitengewoon goed observerend journalist, maar ook een belezen historicus, die in staat is om actuele gebeurtenissen van een historische context te voorzien, waardoor we die actualiteit beter begrijpen. Ze schrijft het boek in het laatste jaar van president Hollande. Diens populariteit was op een gegeven moment gedaald tot zo’n 13 procent en hij werd dan ook één van de weinige presidenten die zich niet verkiesbaar stelde voor een tweede termijn. Hoe kwam dat? Was Hollande een slechtere president als Sarkozy? Dat hij een maîtresse had, kan daarvan niet de oorzaak zijn, dat hadden de meeste van zijn voorgangers (ongetwijfeld met uitzondering van De Gaulle) ook, dat hij zijn maîtresse met een andere maîtresse bedroog (we herinneren ons de foto waarop hij – met de valse hoop onherkenbaar te zijn – met helm op per scooter zijn vriendin bezoekt) zal ook niet de oorzaak zijn. De Fransen zijn ontevreden en op de een of andere manier was Hollande er precies de man naar om het mikpunt van alle frustraties te worden. Frankrijk, en in het bijzonder Parijs, zo maakt Doornaert duidelijk, heeft zich altijd beter gevoeld dan de rest van de wereld. Frankrijk en cultuur waren bijna synoniemen. Wie wat voorstelde in de culturele wereld sprak Frans (wie zou dat beter op hebben kunnen merken dan onze Vlaamse auteur?). Opeens – en de hevige conflicten in de banlieue zullen daar zeker aan hebben bijgedragen – is het overal in Frankrijk doorgedrongen: “we hebben het niet meer”.

Na de hereniging van Duitsland zijn we niet meer de grootste, zijn we zelfs op economisch vlak vele maten kleiner dan Duitsland. Iemand moet daar de schuld van krijgen, waar papa Le Pen op zijn hoogtepunt net boven de 10% kwam, haalt dochter Marine moeiteloos de 20%. En hoewel ze net als haar vader spuugt op de elites van de Franse republiek en haar veronderstelde arrogantie, zal ze iedere redevoering afsluiten met dezelfde woorden, waarmee ook De Gaulle, Pompidou en Chirac dat deden: Vive la France, Vive la Republique! Wie het wil redden in Frankrijk, zal tenminste de indruk moeten wekken deze republiek zijn oude glorie terug te geven. Des te opmerkelijker (maar dat kon de schrijfster toen nog niet weten) dat Macron het zonder de neogaullistische retoriek over de grootheid van de republiek maar juist met een beroep op redelijkheid, gezond verstand en gevoel voor Europa moeiteloos redde tegen Le Pen. Het boek zit historisch goed in elkaar (voor zover ik dat kan beoordelen) maar het is ook een journalistiek boek. Alle grotere en kleinere schandalen van de laatste vijftig jaar passeren de revue.

Hoe Mitterand, van wie fijntjes herinnerd wordt aan zijn oorspronkelijk rechtse opvattingen (hij diende onder Pétain en was volstrekt nationalistisch in de Algerijnse kwestie), misschien wel een aanslag op hemzelf georganiseerd zou hebben om zijn populariteit op te krikken. Hoe Valéry Giscard zich de titel ‘d’Estaing kocht om als zonnekoning in Versailles te zetelen.

 

Het is een spannend boek, waarbij je je om de haverklap afvraagt of het allemaal wel klopt, met vaak verrassende voorliefdes van de schrijfster, die een bewonderaar van Napoleon en van De Gaulle blijkt. De schrijfster houdt van Frankrijk, maar is er van overtuigd, dat er wezenlijke hervormingen (de gemiddelde Fransman gaat nog eerder met pensioen dan een Griek terwijl de levensverwachting daar echt even hard toeneemt als bij ons) nodig zijn. Misschien een zesde republiek?

 

Laurens ten Kate & Marcel Poorthuis (red), 25 Eeuwen theologie, 740 pag. € 39,90, Amsterdam: Boom 2017.

ISBN 9 789461 059307.

 

Op 21 juni wordt dit boek gepresenteerd, maar u kunt het al wel in de winkel kopen of bij een verzendboekhandel bestellen. Zelf had ik het boek al wat eerder, omdat ik er ook een hoofdstukje in mocht schrijven. Het had eigenlijk al minstens een jaar eerder moeten verschijnen, maar de redactie stuitte op veel problemen met gehoopte of toegezegde bijdrages die niet binnenkwamen. Dit had tot gevolg, dat de redacteuren zelf een groot aantal hoofdstukken moesten schrijven, maar ook de leden van het redactieteam waaronder Rinse Reeling Brouwer en Mirjam Elbers moesten stevig aan de bak. Van Rinse vinden we maar liefst acht bijdragen. 25 Eeuwen theologie betekent precies honderd hoofdstukken over verschillende theologen en denkers over religie uit die hele periode. We beginnen bij Mozes en eindigen bij Moltmann. De formule is simpel, maar doeltreffend. Aan alle auteurs is gevraagd om van de te bespreken theoloog één karakteristieke tekst te kiezen en aan de hand daarvan iets (biografisch en theologiehistorisch) te schrijven over die theoloog. De geadviseerde verdeling: tweederde tekst, éénderde toelichting. Gezien de omvang van het boek zult u begrijpen, dat ik het nog niet uit heb en ik vraag me af of ik het ooit van A tot Z uit zal lezen. Als je snel iets wilt weten van een bepaalde theoloog is dit buitengewoon behulpzaam. Het eerste wat ik dacht was: dat is toch al eerder gedaan (ja, ja, natuurlijk er is niets nieuws onder de zon). Bij een snelle inspectie van mijn bibliotheek vond ik er meerdere. Het meest opvallende daarbij was, dat dezelfde uitgever, Boom, nog geen tien jaar geleden de vertaling van de door Friedrich Graf geredigeerde Klassiker der Theologie uitgaf. Die tweedelige uitgave onder de titel 2000 jaar theologie bespreekt dertig theologen (geen m/v, want die dertig zijn allemaal van het mannelijk geslacht). De opmaak van deze nieuwe Boom-uitgave lijkt hier erg op, maar daar worden gelukkig wel een aantal vrouwelijke theologen besproken.

 

Hoewel, het zijn er drie: Hildegard van Bingen, Hadewijch en Dorothee Sölle. Daarnaast moet Clara haar hoofdstuk delen met haar grote vriend Franciscus. Dat hadden er wel wat meer mogen en ook kunnen zijn: zo ontbreekt de ‘grote’ Theresa uit de zestiende eeuw (zij had als Clara toch minstens een rol kunnen spelen als partner en lerares van Johannes van het Kruis) en had onder de moderne theologen toch bijvoorbeeld Schüssler-Fiorenza of Mary Hunt gekozen kunnen worden als vertegenwoordigster van de feministische theologie. Om Dorothee Sölle boegbeeld te laten zijn van feministische, ecologische en radicale theologie is misschien wat zuinig.

Maar wat het meeste opvalt en dit boekwerk misschien wel uniek maakt, is dat in een behoorlijke mate (ruimer dan het vrouwen-aandeel!) ruimte is gemaakt voor Joodse en Islamitische denkers over religie, terwijl ook de voorchristelijke Griekse denkers niet ontbreken. Ooit liet de kerkhistoricus Martin Greschat twee deeltjes het licht zien met de titel Theologen des Protestantismus im 19. und 20. Jahrhundert. Hij koos er vierentwintig en die waren niet alleen allemaal man, maar hadden ook allemaal in het Duits geschreven. Daarmee vergeleken is de veelzijdigheid van deze 25 Eeuwen grandioos.

Ik dacht even aan de collega’s in den lande, die net als ik kerkgeschiedenis geven voor de TVG (Theologie voor Gemeenteleden) cursussen. Die kunnen hier zeker hun voordeel mee doen. Alle teksten zijn in het Nederlands vertaald. Een boek van deze omvang had eigenlijk een gebonden uitgave verdiend, bij paperbacks van deze omvang willen – zeker bij intensief gebruik en het is tenslotte een naslagwerk, waarvan verwacht mag worden dat het regelmatig geraadpleegd wordt – nog wel eens katernen losraken. Daar staat tegenover dat het nu betaalbaar is gebleven.

 

Peter Rollins, Verslaafd aan God, vertaald door Rudolf Kooiman (oorspronkelijke titel The Idolatry of God, London 2012), Vught: Skandalon 2017, 216 pag. € 19,50. ISBN 9 789492 183514.

 

Het Engelse origineel van dit boek kocht ik vorig jaar van Peter Rollins tijdens een workshop in Utrecht. Hij schreef er als opdracht in: “For Wilken, May God aid you of God”. Het is er nog niet van gekomen. God heeft me nog niet definitief van God afgeholpen, maar ik begrijp wat hij bedoelde: er is veel God waar we vanaf moeten worden geholpen: de God die Dietrich Bonhoeffer een ‘Lückenbüsser’, een gaatjesvuller noemde, de goddelijke tovenaar (de titel van Rollins’ laatste nog niet vertaalde boek) die ervoor zal zorgen dat alles uiteindelijk goed komt. De behoefte aan zo’n God, aan zo’n religie is volgens Rollins een verslaving. We kunnen niet zonder, want het is onze manier om (niet) om te gaan met de condition humaine, met het menselijk tekort. Van die verslaving moeten we afgeholpen worden, we moeten leren met God zonder God te leven, we moeten leren het leven met al haar tekortkomingen te omarmen en er met elkaar het beste van te maken. Bij het Engelse boek kregen de kopers er een ministripboekje bij, met een buitengewoon geestig getekend verhaaltje. Honderden diepgelovige christenen beleven zichzelf als levend in apocalyptische tijden en bidden dat ze weggenomen mogen worden uit deze ondergaande wereld. De Apocalyps breekt daadwerkelijk aan en ze worden weggenomen uit de wereld naar een ondefinieerbare plaats, waar ze van God te horen krijgen, dat hun gebeden zijn verhoord, maar dat hij nu naar de wereld gaat om daar te leven met degenen die de aarde trouw zijn gebleven. Het is een grap, want Rollins is gek op grappen (al direct aan het begin van het boek vindt u een prachtige, die ik niet zal verklappen). Nou vooruit één dan: de grap op pag.67, waarmee hij probeert uit te leggen, dat verslaafden (of dat nu aan alcohol of aan God is) in de regel zelf niet door hebben, dat ze verslaafd zijn:

Op een avond krijgt een jonge man, die na een lange en vermoeiende werkdag onderweg is naar huis, een telefoontje van zijn bezorgde vrouw. ‘Schat, wees voorzichtig onderweg. Ik hoorde net op de radio dat een of andere idioot is waargenomen, die heel hard rijdt aan de verkeerde kant van de snelweg’. ‘Sorry, lief,’ schreeuwt hij terug, ‘ik kan nu niet met je praten. Er is niet één idioot, er zij er wel duizend!!!’

Natuurlijk is het een grap, maar zo zitten we wel in elkaar. We gaan volstrekt automatisch uit van ons eigen gelijk. Onze waarneming wordt door dat frame gefilterd. Als iedereen zegt dat het anders is, dan hebben al die andereen ongelijk!

Dat betekent dat leren twijfelen (vooral in de wat strengere geloofsgemeenschappen eigenlijk een zonde, die we af moeten leren) uiterst nuttig is. “Wij twijfelen niet aan ons geloof, twijfel is een uitdrukking van ons geloof”, schrijft de auteur die bij een vorig boek (Insurrection) op het omslag liet zetten: “to believe is human, to doubt divine”. Om positief over twijfel te kunnen denken, is het nodig je behoefte aan zekerheden kwijt te raken. En dat betekent: leren je te verhouden tot de condition humaine, waarin nu eenmaal niets zeker is. In dit verband kan ik opnieuw Herman Meijer citeren, die (hij was toen wethouder wonen in Rotterdam) op de vraag van een journalist over een bepaalde toezegging ‘of hij dat zeker wist’ met een grote grijns antwoordde: ‘Wat is er zeker in dit ondermaanse?’.

Het zal de lezer niet verbazen, wat het favoriete bijbelboek van Rollins is (en niet ontoevallig ook het mijne): het boek Prediker. Kohelet gaat ervan uit, dat het leven geen zin heeft (alles is lucht, alles is ijdelheid), maar als je dat eenmaal vast hebt gesteld is het buitengewoon aan te bevelen, om er maar het beste van te maken (eet, drink, en geniet met degene die je liefhebt), want dat is wat God de mens heeft toebedeeld.

Het boek is net als De orthodoxe ketter voortreffelijk vertaald door Rudolf Kooiman. Geschreven in vlot lopend Nederlands (daarbij geholpen door het feit dat Rollins zijn boek in vlot lopend Engels had geschreven) zonder lange zinnen en zonder voetnoten. Aan het eind van de Nederlandse uitgave zijn discussievragen opgenomen en een vraaggesprek met Peter Rollins.

 

Tenslotte misschien één kleine kritische noot. De Engelse titel luidt: The Idolatry of God. Dat woord ‘Afgodendienst’ zit nu niet meer in de titel. Natuurlijk raakt ‘Verslaafd aan God’ ook aan een belangrijk thema van het boek, maar – zoals Rollins het ook zegt in het vraaggesprek – het gaat hem om de afgodendienst (de centrale zonde in Tenach) en een extra complicatie is dat ook de God van de bijbel of de God van Israël als afgod vereerd kan worden. Ik moest gelijk denken aan het verhaal over het gouden kalf, waar dat niet wordt gepresenteerd als een afgod, een andere god, die de plaats van JHWH inneemt, maar met de woorden: Dit is uw God die u uit Egypte heeft uitgeleid! In navolging van Bonhoeffer zoeken naar een niet-religieuze interpretatie (voor Rollins is wezenlijk dat de kernbegrippen van het geloof opnieuw worden geïnterpreteerd en niet worden weggegooid) is ook religiekritiek en Bijbelse religiekritiek is strijd tegen afgodendienst. Ik kan bijna niet wachten!

 

Frits de Lange, Heilige Onrust. Een pelgrimage naar het hart van de religie, Utrecht: Ten Have 2017, 172 pag.,

€ 17,99. ISBN 9 789025 905545.

 

Wie tot hier toe de Ophef nauwlettend heeft gelezen, heeft in het voorafgaande de sneer gelezen van onze voorzitter aan het adres van ‘Frits de Lange, die met culturele argumenten de hemel afschaft’. Ik denk daar anders over dan onze voorzitter (en hoop hem natuurlijk ook nog van zijn ongelijk te overtuigen) en was vrijdag j.l. (dat was op 2 juni, kunt u nagaan hoe ongelooflijk actueel deze boekenrubriek is) aanwezig bij de presentatie van dit laatste boek van Frits de Lange. De Lange is net als ik en de auteur van het hierboven besproken boek een groot fan van Dietrich Bonhoeffer. Nu zegt dat tegenwoordig niet zoveel meer, want bijna de hele wereld is fan van Bonhoeffer, al hebben ze niet allemaal dezelfde Bonhoeffer voor ogen.

Maar wij drieën houden juist van de Bonhoeffer van de Ethiek en Verzet en Overgave, de Bonhoeffer van de ‘niet-religieuze interpretatie’ en van geloof als ‘er zijn voor anderen’.

Er was al voor het verschijnen de nodige ophef over dit boek. Niet in de laatste plaats door een groot artikel in de weekendbijlage van Trouw, waarin ons in de kop werd meegedeeld dat ‘hoogleraar ethiek Frits de Lange na de persoonlijke God nu ook de hemel had afgeschaft’. De Lange was, zo liet hij afgelopen vrijdag weten (begrijpelijkerwijs) niet gelukkig met die kop, omdat het bepaald niet de kern van zijn betoog raakt. Natuurlijk, het is niet uit de lucht gegrepen, maar je moet (ook als het over de hemel gaat) wel horen wat De Lange zegt. Ik citeer (op pag. 135): Het geloof in het hiernamaals kan ook funeste gevolgen hebben voor de waardering van en omgang met het fragiele en kwetsbare leven. Onrecht, verdriet en pijn worden in hun eenmalige ernst gerelativeerd. Leden van extremistisch religieuze groeperingen doden mensenlevens en offeren hun eigen leven op, omdat een hemelse beloning wacht. Ze hebben nog een leven achter de hand. Beter is het daarom te leven alsof er geen hemel bestaat, etsi coelum non daretur. Eeuwig leven stel ik me ondertussen liever voor als de overweldigende intensivering van het besef in leven te zijn, de ervaring van de rijkdom van het volle leven. Een staat van zijn die niet als een tijdstip op de klok aan te wijzen is, en met geen moment te vergelijken valt. Het is niet met handen te pakken, maar het overkomt je. Eeuwig leven is geen eindeloze tijd, maar is juist in een absoluut ogenblik de onderbreking ervan. Het staat haaks op elke chronologie.

 

Het in het citaat hierboven niet gecursiveerde zinnetje is natuurlijk een variant op Bonhoeffers uitspraak (ontleend aan Hugo de Groot) dat we zouden moeten leven etsi Deus non daretur. Frits de Lange is (net als ik) niet alleen een fan van Bonhoeffer, maar ook van de hierboven besproken Peter Rollins. De ook in Trouw geciteerde uitspraak: ‘ik hoorde een Stem die zei: Ik besta niet’ is dan ook niet van De Lange zelf, maar een citaat van Rollins. Heeft Frits nu behalve de hemel ook God afgeschaft? Nee, natuurlijk niet, maar hij strijdt als Rollins tegen de afgodendienst aan ‘een God die bestaat’, want (opnieuw Bonhoeffer): Ein Gott der es gibt, gibt es nicht). Het is verzet tegen de Lückenbüsser van Bonhoeffer en de X-god van Miskotte. Maar wat dan wel, wat blijft er over van het geloof als het van haar religieuze kleed is ontdaan? Daarover gaat het boek van Frits de Lange. Hij zoekt onder dat kleed van de geïnstitutionaliseerde religie het hart van de religie. En hij kiest daarvoor een oeroude metafoor, die van de pelgrimage. Let wel, het in onze tijd zo immens populaire pelgrimeren is niet de nieuwe vorm van religie, maar is en blijft metafoor. Maar deze metafoor roept andere beelden op dan de klassieke religie. Het vraagt waar je vandaan komt en waar je naar toe gaat en met wie jij de weg wilt delen. Het weet dat het een beroep moet doen op gastvrijheid en dat het daarom ook zelf gastvrij moet zijn. Het leven zelf is een pelgrimsreis en (zoals een andere Bonhoeffer-leerling, de jonge Berlijnse theoloog Ralf Wüstenberg ooit verwoordde met de titel van zijn proefschrift over Bonhoeffer Glauben als Leben) geloven is leven. Niet een pelgrimsreis ‘op weg naar de eeuwigheid’ maar een pelgrimsreis, waarbij de reis zelf het doel is. De ene voet voor de andere zetten, in beweging zijn, dat is metafoor voor leven en dus ook metafoor voor geloven. Ja, zo lijkt Harry Pals te vragen, maar waar blijft dan het Koninkrijk van God? Dat is een goede vraag, maar helaas een gecompliceerd antwoord. Ook dat Koninkrijk van God kan fungeren als de ‘hemel’ in het betoog van De Lange of als ‘het geloof als afgodendienst’ in het betoog van Rollins. Als het geloof in het Koninkrijk verwordt tot de opvatting over ooit een moment dat alles goed zal komen, is het dat. Het Koninkrijk is misschien dat heilige moment, waarop het leven ten volle geleefd wordt (en het heil ervaren). “De komst van het koninkrijk van God laat zich niet aanwijzen, en men kan niet zeggen: ‘kijk hier is het’ of ‘Daar is het!’ Maar weet wel: het koninkrijk van God ligt binnen uw bereik.” (Luc. 17, 20-21). Dit bijbelcitaat komt trouwens niet uit het boek van De Lange, maar uit het boek van Rollins, maar u zult hebben begrepen, dat die twee volgens mij erg verwant zijn. Ik weet bijna zeker dat De Lange de oorspronkelijke versie van het boek van Rollins gelezen heeft (al staat het niet in de literatuurlijst). Er is iets gaande en het is volgens mij een spannende ontwikkeling. Het feit dat de beweging van Rollins vooral twintigers en dertigers inspireert (ik had, geloof ik, al eerder verteld, hoe oud ik me voelde op zijn workshop), geeft mij goede moed. Dat Frits de Lange deze ontwikkeling onderkend heeft en er (er waren al eerder opzienbarende artikelen van hem in Trouw) ruchtbaarheid aan geeft, pleit voor hem. Ik zie ook wel verschillen. Hoe raar het ook klinkt, ik heb de indruk dat Rollins (ondanks zijn ‘pyrotheologie’ van de-fik-erin) meer van dogmatiek houdt dan De Lange. Hij wil al die oerbegrippen als (erf)zonde, verzoening, verlossing, opnieuw doordenken en herinterpreteren terwijl De Lange er misschien toch vooral vanaf wil. In die zin heb ik nog meer met Rollins. Ik heb veel tegen dogmatisme, maar niets tegen dogmatiek en ik houd van dogma’s, maar dan wel als denkmodellen en niet als absolute waarheden.

 

De “Nieuwe Boeken”-rubriek uit Ophef 2017/1

In het Ophefnummer 2017/1 worden door Wilken Veen de volgende boeken besproken:

 

Roel Pomp, Op de Uitkijk. Messiaans geloven, Gorinchem Narratio 2016, 140 pag., € 15,00. ISBN 978 90 5263 9437.

 

Hij is al een heel stuk in de tachtig en is met recht een van de veteranen van onze vereniging en van haar voorganger C.v.S (en natuurlijk ook van de Christelijke Vredesconferentie). Een vorig boek van Roel Pomp (ik dacht ‘het vorige boek’ maar dat durf ik niet goed te schrijven, want misschien heb ik er één of meer gemist) Langs de rand van de kerk is uit 1980 en bevatte artikelen over zijn ervaringen in het industriepastoraat en de Kritische Gemeente IJmond. Een revolutionair boek over de noodzaak van solidariteit, waarin begrippen als ‘klassenstrijd’ bepaald niet werden gemeden. Er is veel gebeurd in de meer dan vijfendertig jaar sindsdien en Roel Pomp schrijft niet meer zoals hij dat toen deed. Natuurlijk niet, want de wereld is anders geworden en de taal van toen zou niet meer overkomen. Hij staat op de uitkijk (het omslag biedt een foto van een uitkijkpost zonder bronvermelding, ik vermoed ergens op de Veluwe); als Mozes kijkt hij “naar het land van belofte”. Mozes zou er niet binnentrekken en Roel zal ook wel zijn twijfels hebben, maar hij trekt wel op er naar toe! Dat is geloven, messiaans geloven! Een boek geïnspireerd door Kleijs Kroon is het geworden en je begrijpt dat dit voor mij als derde en voor nu laatste opvolger van Kleijs Kroon als predikant van Tenach en Evangelie ontroerend is. Hij vond zijn aantekeningen terug van de bijbelcursussen die Kroon (ik veronderstel in de jaren zeventig) hield voor de arbeiders van de Hoogovens, waar Roel Pomp toen als industriepastor werkte. Roel besloot niet die oude aantekeningen uit te geven, maar ze als basis te gebruiken voor zijn eigen verhalen. Zo werkt traditie, je leert van je voorgangers en geeft het door in je eigen woorden voor mensen in een latere tijd. Kleijs Kroon over de Hebreeën en we weten bij benadering wat hij daarover heeft gezegd, want Bert ter Schegget heeft Kroons preken over Hebreeën 11 en 12 in 1996 bewerkt en uitgegeven. Het eerste hoofdstuk in dat boek heet “Wat is geloof” en in dat hoofdstuk legt hij uit dat ‘geloof’ eigenlijk meer een werkwoord dan een zelfstandig naamwoord is. Roel Pomp heeft goed geluisterd. De ondertitel van zijn boek luidt niet ‘messiaans geloof’ maar ‘messiaans geloven’. “Geloof in bijbelse zin is alleen maar: geloof! Er zijn geen soorten van geloof , christelijk of joods of islamitisch geloof. Je gelooft of je gelooft niet, je hoopt of je laat het zitten.” Messiaanse volharding heette het boek van Kroon en inderdaad die ene manier van geloven (dat je er fiducie in hebt en dat niet opgeeft) dat is messiaans. Nu Roel Pomp al aanmerkelijk ouder is dan Kleijs ooit geworden is mogen we hem eren als iemand die net als Kleijs volhard heeft in dat geloof. De hoofdstukken in zijn eerste boek werden afgesloten met een gedicht. Nu zijn alle hoofdstukken bijna een gedicht geworden. Ook de ‘proza-gedeelten’ zijn poëtisch, meditatief. Wat is geloof? Je kunt die vraag eigenlijk niet beantwoorden, je kunt alleen maar, net als de schrijver van de Hebreeënbrief, vertellen wat geloof doet en dat doe je door de verhalen te vertellen van die gelovigen: Abel, Henoch…, dat doe je steeds opnieuw en met nieuwe woorden, zodat ook mensen het kunnen volgen, die niet met die verhalen groot zijn geworden. Over veertig of vijftig jaar, zo droom ik, vindt iemand het boekje van Roel Pomp en besluit er een nieuw boek van te maken, geïnspireerd op de verhalen van Roel Pomp, maar in een heel andere, nieuwe taal, die wij nog moeten leren spellen. Zou het de taal zijn, waarvan Bonhoeffer in Widerstand und Ergebung (in zijn doopbrief voor de naar hem vernoemde Dietrich Bethge) schrijft: “Het zal een nieuwe taal zijn, volkomen areligieus misschien maar bevrijdend en verlossend als de taal van Jezus; de mensen zullen ontsteld zijn, maar zich gewonnen geven aan haar kracht; een taal van een nieuwe rechtvaardigheid en waarheid, een taal die vrede verkondigt tussen God en de mensen en de nabijheid van zijn Rijk.”?

 

Dieuwke Parlevliet, Het zeeparfum van oom Francois, Zierikzee, Stichting Zeeuws Blauw 2016, 219 pag. € 17,50. ISBN 978 90 8248 9200.

 

Met theologie heeft dit boek schijnbaar weinig van doen, behalve dan dat het door een theologe is geschreven en misschien dat goede verhalen, verhalen waarin gevoelens en gedachten op een overtuigende en beeldende wijze worden beschreven, altijd iets theologisch hebben, omdat het leven zelf tot onderwerp wordt gemaakt. U vermoedde het al aan de titel: het is een kinderboek, bekroond als het beste jeugdboek met de Zeeuwse boekenprijs 2016. Ik had de schrijfster beloofd, dat ik het zou voorlezen aan mijn oudste kleinzoons, maar dat kwam er niet meer van (de oudste is tien en wil met opa scrabbelen en schaken), dus die moeten het maar zelf een keer lezen. Misschien is het ook meer een ‘zelfleesboek’ dan een ‘voorleesboek’. Het is namelijk een spannend boek en de hoofdpersoon, Rafy (oom Francois is eigenlijk zijn oudoom) is met recht een speurneus. Hij gaat op zijn neus af, want hij heeft een goede neus voor geuren. Hij is, om zijn oudoom te helpen, op zoek naar de ontbrekende geur voor het zeeparfum. Die neus heeft hij ‘geërfd’ van oom Francois, die rijk is geworden met het samenstellen van parfums, omdat hij ook zo’n ‘goede neus’ had. Het verhaal is voor de kinderen, die het boek moeten lezen, de plot zal ik niet verklappen. Ik houd het op de ‘theologie’ van het boek. Een mens moet een doel hebben in het leven en daarbij kan hij de lat nauwelijks te hoog leggen. We zoeken naar de perfecte geur, de geur die de vreugde van het aardse leven in al zijn facetten tot uitdrukking kan brengen. Gemeenheid en onbegrip willen ons daarvan afhouden, maar uiteindelijk vinden we haar en, om met Deuteronomium te spreken, het is niet te hoog en niet te diep, het is vlak onder onze voeten, maar je moet er wel een neus voor hebben! Dat het een multicultureel boek wil zijn en dat Rafy dus speelt en zoekt met mensen die de meest exotische namen dragen en even exotische vruchten en geuren ontdekt, is prachtig, maar maakt het misschien ook wel net een beetje moeilijker voor kinderen, die proberen het zelf te lezen. Hoe lang moet je kunnen lezen om in één keer het woord ‘bergamotappeltjes’ te begrijpen.

 

Joke van der Velden, Veertigdagenkalender 2017: onder de pannen, Gorinchem Narratio 2017, € 3,50. ISBN 978 90 5263 966 6.

 

Joke van der Velden, één van mijn favoriete ex-collega’s uit Amsterdam maakt ze al jaren: Veertigdagenkalenders. Ik besprak ze nog niet eerder, maar nu het me expliciet door onze uitgeefster werd gevraagd, voldoe ik graag aan dit verzoek. Het thema is ‘onder de pannen’ en het gaat dus over onderdak, dakloosheid, geborgenheid, huis. De zondagen hebben steeds twee pagina’s, de overige dagen elk één. Soms wordt een bijbelgedeelte uitgelegd, heel vaak een verhaaltje verteld of een lied of een gedicht afgedrukt. Er staan een paar recepten in, een gebed, een spelletje en een doe-ding. Achter in de kalender staat een verantwoording, maar bij bijna de helft van de teksten ontbreekt die, ik neem aan dat we het in dat geval met teksten van Joke te maken hebben. Daarbij hoort ook het verhaaltje van twee maart, dat wat mij betreft een van de mooiste is: een vader scheurt voor zijn kind, dat hem wil helpen de wereld te verbeteren een wereldkaart uit een tijdschrift in stukken. Hij veronderstelt dat ze daarmee wel even zoet zal zijn, maar het kind is in no time terug met een perfect in elkaar geplakte kaart. Op de achterkant van de kaart stond een foto en toen de kaart te moeilijk was heeft ze hem omgedraaid en eerst de afbeelding van de mens op de foto in elkaar geplakt, omgedraaid klopte de kaart toen ook: Moraal van het verhaal: herstel eerst de mens, dan komt het met de wereld ook wel goed. Iedere dag iets om over na te denken. De kinderverhalen op de zaterdagen zijn van Jantine Heuvelink, Jokes opvolgster in de Amsterdamse Oranjekerk, ze heeft er vast niets op tegen als je ze gebruikt voor de (klein)kinderen thuis of in een kinderpreek op de zondagmorgen. Als u dit leest, is het al bijna Pasen, maar… een goede kans, dat Joke volgend jaar weer een kalender maakt.

 

Henk Manschot, Blijf de aarde trouw. Pleidooi voor een nietzscheaanse terrasofie, Vantilt Nijmegen 2016, 206 pag., € 19,95. ISBN 978 94 6004 2904.

 

Henk Manschot, in de tijd dat ik in Utrecht studeerde docent filosofie en ethiek aan de KTHU en inmiddels emeritus-hoogleraar filosofie van de Utrechtse universiteit voor humanistiek, heeft een boek over ecologie geschreven. Henk is filosoof en gespecialiseerd in de geschiedenis van de filosofie, dus toen hij dat plan had opgevat, onderzocht hij eerst, welke filosofen zich met ecologie hadden bezig gehouden en hij kwam uit bij Nietzsche, die ooit de universiteit vaarwel zei om de natuur in te trekken en daar verder te denken over en te schrijven aan zijn filosofie. Henk was al met pensioen en had dus de mogelijkheid om Nietzsche achterna te reizen en dat deed hij ook, met de belangrijkste boeken van Nietzsche in zijn bagage trok hij de Alpen in en bezocht de plaatsen, die meer dan een eeuw eerder door Nietzsche waren bezocht. “De aarde is ziek en die ziekte heet de mens” schreef Nietzsche en Manschot zegt het hem na. In (vrijwel) alle filosofie staat de mens centraal, maar het zou beter zijn een filosofie te schrijven, waarin de aarde centraal staat, een ecologische filosofie, die uit is op het behoud van de aarde (en daarmee indirect natuurlijk ook het behoud van de mens op de aarde). Het belangrijkste boek, waarin Nietzsche zijn opvattingen over de aarde en de natuur heeft vastgelegd is: Also sprach Zarathustra. Henk leest dit als een mystiek boek, dat gebaseerd is op ervaring en waarin hij veel van zijn eigen (franciscaanse) spiritualiteit herkent. Het is in de regel gebruik om de door Nietzsche geijkte term ‘Übermensch’ onvertaald te laten en ieder denkt dan onmiddellijk aan de nazi’s, die over ‘Über- en Untermenschen’ spraken en daarmee de term van Nietzsche misbruikt en voorgoed bedorven hebben. Om daaraan te ontkomen vertaalt Manschot met ‘bovenmens’ en zet het daarmee terug in de nietzscheaanse denkwijze, waarin de bovenmens degene is, die geen genoegen neemt met de vanzelfsprekende gang der dingen, maar op zoek gaat naar zin, naar het hogere en zodoende het contact met zijn natuurlijke zijn herstelt. Het boek start overigens met een prachtige tweet van Obama, die ik nog niet eerder had gelezen en graag met jullie deel: “Wij zij de eerste generatie die de effecten voelt van de klimaatverandering en de laatste generatie die er iets aan kan doen”. Als jullie deze Ophef in handen krijgen is 15 maart voorbij, dat is in zekere zin jammer, want het zou zinnig zijn de overwegingen van Manschot mee te nemen in het stemhokje, maar ze zijn ook daarna nog minstens even actueel.

 

Michael Beintker / Georg Plasger, / Michael Trowitzsch ed., Karl Barth als Lehrer der Versöhnung (1950-1968), Theologischer Verlag Zürich 2016, 566 pag., € 75. ISBN 978 3 290 17833 8.

 

Zoals ik eerder schreef bij de verschijning van het vorige deel over Barth in de jaren 1935-1950: Of ooit de grote, alles omvattende biografie van Karl Barth zal verschijnen is de vraag, maar het werk dat de uitgevers van deze reeks tot stand hebben gebracht is een waardige vervanging. Christian Link, die de vorige twee delen samen met Beintker en Trowitsch uitgaf is – hij was veruit de oudste van het trio – nu teruggetreden en opgevolgd door Georg Plasger, de mede-uitgever van het Zeitschrift für dialektische Theologie. De driedelige serie is nu compleet en de formule is simpel: met Barth verwante theologen uit de hele wereld worden gevraagd om een bijdrage te schrijven over een thema uit een bepaalde periode van Barths theologische existentie. Deze bijdragen worden gepresenteerd op een internationale conferentie en vervolgens in boekvorm uitgegeven. De organisatoren (ik zal het niet hebben over Duitse ‘Pünktlichkeit’) houden kennelijk van orde en regelmaat. De bijdragen voor het eerste deel (Karl Barth in Deutschland 1921-1935) werden gepresenteerd op 1 tot 4 mei 2003, die voor het tweede deel (Karl Barth im europäischen Zeitgeschehen 1935-1950) op 1 tot 4 mei 2008 en die voor dit deel op 1 tot 4 mei 2013. Alle conferenties werden gehouden in de Johannes a Lasco Bibliothek in Emden. En zo zat er ook vanaf het begin een Nederlands tintje aan, want in Emden werd in 1571 de Nederduits Gereformeerde Synode gehouden, die wel beschouwd zou kunnen worden als de oprichtingssynode van onze vaderlandse kerk. Vanaf het begin hebben er ook Nederlandse theologen geparticipeerd. Een groot deel van de scribenten behoort ook tot de regelmatige deelnemers aan de Nederlands-Duitse Barth-Tagungen, die ook dit jaar weer in De Glind bij Barneveld zal worden gehouden. Op de vorige Barth-Tagung zou Magdalene Frettlöh spreken, maar zij was op het laatste moment door ziekte verhinderd. Hoe jammer dat eigenlijk was, begrijp ik nu uit de degelijke maar ook buitengewoon geestige (en langste) bijdrage, die zij voor deze bundel schreef. Laat de titel van die voordracht even op u inwerken: “Von weisheitlicher Theanthropologie und vergnügten TheologInnen – oder: der Heilige Geist als Tanzlehrer. En dan de zakelijke inhoud als ondertitel: “Notizen zu Karl Barths > Einführung in der evangelische Theologie<”.

Misschien kan ik de kern van deze bijdrage duidelijk maken door de titel uit te leggen. Het woord ‘weisheitlich’ staat niet in Duden, ik begrijp het als verwant aan de Bijbelse wijsheidsliteratuur (in het Duits ook wel aangeduid als ‘weisheitliche Literatur’). ‘Theanthropologie’, het door Barth voor het eerst in zijn Einführung gebruikte begrip, werd in 1971 door Bert ter Schegget  uitgelegd in het hoofdstuk “Kritiek der god-menskunde” in Partijgangers der armen. Het is (als theologie) spreken over God, maar nader gepreciseerd: spreken over die God, die niet zonder mens wil zijn (hebben we ook hier nog een stukje Breukelman).  En het gaat over de mensen voor wie deze ‘wijsheid-achtige god-menskunde’ bedoeld is: ‘vergnügte TheologInnen’ theologen (m/v) die in die zin genoegen scheppen in de theologie en genoeg hebben aan de theologie, dat ze deze theologie niet laten domineren of beteugelen door wetenschappelijke criteria van buiten de theologie. Zo laten ze zich door de Heilige Geest de eerste pasjes leren van de dans die theologie heet. Tegelijk wil Magdalene Frettlöh ook duidelijk maken, dat ze speels en dansend om wil gaan met Barth als leraar en met zijn theologie. Het is, zo zegt ze, altijd ‘Kampf und Tanz’. Je speelt ermee, je leeft erin, maar je moet het soms ook tegenspreken. Mij lijkt dat iedere vrouw die Barth leest dit in meerdere of mindere mate zal herkennen. En omdat dit zo is, zou het ook voor mannen moeten gelden. Omdat je dit soort bundels in het korte bestek van deze rubriek nu eenmaal nooit helemaal recht kunt doen, koos ik ook nu één voordracht. Daarmee is niets ten nadele van de andere bijdragen gezegd. In het bijzonder die van Rinse Reeling Brouwer over Barths politieke opstelling ten tijde van de koude oorlog is zeker voor alle (voormalige) christenen voor het socialisme zeer de moeite waard.

 

Eginhard Meijering, Karl Barth: Geloven in de levende God. Deel I: De drie-enige God, uitgave in eigen beheer, z.p. 2016, 248 pag. € 17. ISBN 978 94 92475 87 9.

 

Nadat eerder door hem de 17e paragraaf  van de KD (Religie is ongeloof) werd vertaald en ingeleid, heeft Meijering dat nu gedaan met de paragrafen 8 tot en met 12 over de drie-eenheid van God. Dat eerdere boek werd heel mooi gebonden, met omslag en leeslint, uitgegeven, dit tweede boek werd in eigen beheer uitgegeven (wie zelf plannen heeft, kijke eens rond op de website van Pumbo.nl, die het boek voor Meijering drukte), simpeler (maar evengoed keurig) en een stuk goedkoper. Naast een vertaling van de genoemde paragrafen, waarbij de paginering van het origineel wordt aangegeven, zodat je altijd even snel kunt kijken, wat er nu precies in het Duits stond, geeft Meijering z’n eigen visie in inleiding, voetnoten en een korte slotbeschouwing, waarin hij duidelijk maakt, dat je geen Barthiaan hoeft te zijn, om het werk van Barth met grote bewondering te lezen. En dat moet natuurlijk ook wel als je de tijd neemt om een zo gecompliceerde tekst zo zorgvuldig te analyseren en te vertalen als Meijering gedaan heeft. De titel op het omslag is wat verwarrend. Het tweede hoofdstuk van de KD heet: ‘Die Offenbarung Gottes’ en daarvan is de ‘erster Abschnitt’: Der dreieinige Gott. In plaats van ‘De openbaring Gods’ heet de vertaling van Meijering: ‘Geloven in de levende God’ terwijl de ondertitel: ‘Deel I: de drie-enige God’ weer een keurige vertaling is. Het is dan ook heel erg de vraag, wat we in de (eventuele) volgende delen mogen verwachten, willekeurige andere KD-fragmenten of de volgende paragrafen (13-16) uit KD II/2. Gegeven het feit, dat ook theologiestudenten tegenwoordig niet meer noodzakelijkerwijs Duits in hun pakket hadden, is dit een welkome uitgave. Doordat Meijering in zijn vertaling bijna altijd de zinsconstructie van Barth intact laat, blijf je – ook als je zijn vertaling leest – het gevoel houden dat je Barth leest. En als je houdt van Barth lezen, is dat buitengewoon prettig.

 

Omwille van de ruimte en ook, omdat ik het een beetje gênant vind om boeken aan te bevelen, waar ik zelf in geschreven heb, noem ik nog twee recent verschenen boeken zonder die te bespreken:

Michael Basse / Gerard den Hertog ed., Dietrich Bonhoeffer und Hans Joachim Iwand – Kritische Theologen im Dienst der Kirche, Vandenhoeck & Ruprecht, Göttingen 2017, 364 pag., € 90,00 (sic), ISBN 978 3 525 56452 3.

Arnold Huijgen / Eric Peels / Cees-Jan Smits ed., Schuld en vrijheid. Opstellen aangeboden aan Prof. dr. G.C. den Hertog, Boekencentrum Zoetermeer, 2017, 352 pag. € 29,90. ISBN 978 90 239 7134 4.

 

 

 

 

 

 

 

De “Nieuwe Boeken”-rubriek uit Ophef 2014/2

 

In het Ophefnummer 2014/2 worden door Wilken Veen de volgende boeken besproken:

 

Aangezien twee van de spannendste boeken die ik in de afgelopen maanden aanschafte (Agambens Pilatus en Jezus en Abram de Swaans Compartimenten van vernietiging) al elders in deze Ophef worden besproken wordt het een beetje schrapen, maar er zijn toch nog een paar boeken verschenen, die ik ook graag onder uw aandacht wil brengen.

 

Rowan Williams, Geloof in de publieke ruimte, Skandalon Vught 2014, 416 pag. € 33,50, ISBN 978 94 90708 77 1.

 

“Theologen en kerkleiders zijn net als iedereen kind van hun tijd. Ze reageren op de gebeurtenissen en ontwikkelingen in kerk en wereld, gevraagd of ongevraagd. Ze zijn in gesprek met wetenschappers en politici, en met publiek optredende intellectuelen en de publieke opinie…..” zo begint Stephan van Erp zijn overigens voortreffelijke inleiding over het leven en werk van Rowan Williams. Maar helaas, in deze eerste zin is bijna alles mis. Want dat doen theologen en kerkleiders van onze tijd (en – zo moet ik er helaas bij zeggen – vooral van ons land) nu juist vrijwel nooit. Ze zijn geen kinderen van hun tijd, maar kinderen van een al lang voorbije tijd. Ze reageren alleen op gebeurtenissen en ontwikkelingen als ze daar door hun achterban min of meer toe worden gedwongen. Ze zijn zelden of nooit in gesprek met wetenschappers en politici en als ze dat wel doen (ik denk aan de reactie op het buitengewoon zorgvuldig geformuleerde antwoord aan Anco van sterrenkundige Peter Barthel door theoloog Kees van der Kooi) dan doen ze dat met een arrogantie en betweterij, die plaatsvervangende schaamte oproept. Maar goed, ik snap best wat Stephan van Erp bedoelt: wat al die andere theologen en kerkleiders helaas vrijwel nooit doen, dat doet en deed Rowan Williams als aartsbisschop van de Anglicaanse kerk nu juist wel. Maar dat maakt hem niet tot iemand die doet wat alle kerkleiders nu eenmaal als vanzelf doen, maar dat maakt hem tot een uitzonderlijk kerkleider en een bijzonder theoloog. De enige keer in mijn leven dat ik de eer had Rowan Williams te ontmoeten, was toen we beiden aanwezig waren bij de herdenking van de honderdste geboortedag van Dietrich Bonhoeffer in Wroclav (het vroegere Breslau). Om nog even terug te komen op het verschil tussen de ene en de andere kerkleider: De PKN had het niet de moeite waard gevonden om een vertegenwoordiger te sturen. Hans Dirk van Hoogstraten en ondergetekende “vertegenwoordigden” daar (zonder dat het ons gevraagd was) onze vaderlandse kerk. Namens de Anglicaanse kerk was de aartsbisschop van Canterbury aanwezig en namens de Deutsche Evangelische Kirche de president Wolfgang Huber. Beiden traden ook op als spreker en bleken buitengewoon goed thuis in het gedachtengoed van Bonhoeffer.

Geloof in de publieke ruimte is een boek dat voorziet in een behoefte, zo bleek bijvoorbeeld heel duidelijk tijdens de vorig jaar gehouden nacht van de theologie. Velen die – hoop ik – net als ik moe zijn van de “bloedarmoede” van onze kerk, zijn op zoek naar een publieke theologie, een theologie die er maatschappelijk weer toe wil doen. Uit de tien jaar dat Williams aartsbisschop was zijn vierentwintig lezingen opgenomen, die allemaal maatschappelijk relevant zijn. Ik kan dat wellicht het best duidelijk maken aan de hand van de voordracht die op grond van de titel het minst maatschappelijk lijkt. Die heet “religieuze levens”. Hij gaat in die voordracht uitvoerig in op de dagboeken van Etty Hillesum en maakt dan in één prachtige zin duidelijk hoe “religieus” voor hem als vanzelfsprekend ook publiek en maatschappelijk is: Een religieus leven is een materieel leven op een bepaalde plaats, gekenmerkt door bepaalde materiële patronen en ritmes. Het doel daarbij is de plaats die het inneemt tot een plaats te maken waarin bepaalde realiteiten zichtbaar kunnen worden. Het neemt de verantwoordelijkheid voor het verschijnen van God en daarmee belichaamt het ook gelijk de verantwoording voor God. Het vraagt erom eerlijk te worden ‘beproefd’ als verhaal te midden van andere verhalen.

Buitengewoon wezenlijke eigentijdse vragen, zoals bijvoorbeeld naar aanleiding van de financiële crisis, worden in het hoofdstuk “Ethiek, economie en wereldwijde gerechtigheid”, beantwoord op een zakelijke en deskundige wijze die telkens de vraag oproept: “is dit ook theologie” en dat is wellicht ook de kern van dit boek, dat de publieke ruimte en alles wat daar gebeurt tot theologisch thema wordt gemaakt. Als ik zeker wist dat wij ook mensen als Williams aan het hoofd en aan het woord zouden krijgen, dan was ik voor een episcopaal systeem.

 

Simon Schama, De geschiedenis van de Joden. Deel 1: De woorden vinden 1000 v.C. -1492. Atlas Contact Amsterdam/Antwerpen 2013, 576 pag. € 34,95 (als paperback € 24,99). ISBN  978 90 254 3517.2.

 

Dit boek is al vorig jaar uitgekomen en ik had het dus al eerder aan moeten kondigen. Maar het is nogal een pil en zelfs nu heb ik nog niet de tijd gevonden het helemaal te lezen, maar ik wil het toch graag noemen, want het is – zeker voor mensen die meer tijd hebben dan ik – een bron van kennis en vermaak (inderdaad het is hier en daar ronduit geestig geschreven) die je niet aan je neus voorbij moet laten gaan. Dit eerste deel verscheen in het Engels (The story of the Jews) in september 2013 en het tweede deel is aangekondigd voor november 2014. Het is bovendien een dubbelproject. Het wordt geschreven als twee (forse) boeken en tegelijkertijd als het materiaal voor een vijfdelige documentaire over de geschiedenis van de Joden, die door de BBC werd uitgezonden in de tijd dat het eerste boek verscheen. Schama weet dat de Hebreeuwse Bijbel niet meer is dan een “echo van de historische waarheid” en soms, schrijft hij, is het zelfs dat niet. En toch neemt hij die Hebreeuwse Bijbel uiterst serieus want het is de “afdruk van de Joodse geest, de weergave van hun verbeelde oorsprong en afstamming”. Ook de verhalen die niet historisch zijn, zijn verhalen die door hun ontstaan en door hun inhoud deel uitmaken van de Geschiedenis van de Joden. Zoals ik al zei, ik heb het boek nog lang niet uit en zal ook geen poging wagen het samen te vatten, maar ik kan wel uitleggen, waarom het zoveel moeite kost om er door heen te komen, terwijl het toch een vlot geschreven boek is. Het is gebaseerd op een onvoorstelbare hoeveelheid – mij vrijwel allemaal onbekende – literatuur en je komt dus allerlei verhalen tegen, waarvan je je voortdurend afvraagt: is dit dan wel echt gebeurd, wat is legende, wat is geschiedenis, wat is de verbeelding van Simon Schama? Deze zomer moet ik revalideren na een operatie. Misschien dat ik daarmee de mogelijkheid krijg dit boek door te werken. Alles wat ik ervan gelezen heb, schreeuwt om door te lezen, maar ook om na te vlooien, te controleren (goddank is er google), maar ook te genieten van de verhalen.

 

Martien E. Brinkman, Hun God de mijne? Over de God van Gerrit Achterberg, Hendrik Marsman, Martinus Nijhoff & Ida Gerhardt, Meinema Zoetermeer 2014. 176 pag. € 19,90. ISBN 978 90 211 4356 9.

 

Er zijn boeken die je zo vanzelfsprekend voorkomen, dat je je alleen maar af kunt vragen, waarom er nooit eerder over geschreven is. Over de poëzie van Achterberg, Marsman, Nijhoff en Gerhardt is heel veel geschreven (ze horen natuurlijk tot de canon van belangrijkste Nederlandse dichters), maar zelden werd daarbij expliciet gesproken over hun godsbeeld of over de (soms impliciete) christelijke of theologische noties in hun werk. Brinkman houdt – net als ik – niet van de aanduiding “christelijke dichters”. Om met Karl Barth te spreken: dat is net zo iets als “christelijke voetballers”; het zijn goede voetballers of ze zijn dat niet, de rest is onzin. Inderdaad het zijn goede dichters, maar in hun werk speelt hun christelijke achtergrond en/of de beleving daarvan een belangrijke rol. Theologische woorden en begrippen, stelt Brinkman, dreigen op den duur hun zeggingskracht te verliezen. In de mond van dichters, die de dingen bewust nieuw en anders zeggen kunnen ze die zeggingskracht weer terugkrijgen. Daar kan ieder mens die van poëzie houdt alleen maar hartstochtelijk ‘amen’ op zeggen. Tegelijk zie ik daar ook een klein probleem van het boek. Door dat anders gezegde weer te herleiden tot de traditionele begrippen (godsbeeld, levensvernieuwing, vergeving) zou je het ook weer van het sprankelende en vernieuwende kunnen beroven. Daarmee wil natuurlijk niet gezegd zijn, dat Brinkman niet een zorgvuldig lezer is van het poëtisch werk en iedere exegeet weet, dat ook een goede uitleg nog niet de onthulling is van het mysterie dat een tekst in kan houden. Het meeste wat ik las in dit boek, vond ik mooi. Soms had ik twijfels. Is het juist om Ida Gerhardt een sacramentele opvatting toe te schrijven. Als gelovige vrouw die met kerkelijke rituelen vertrouwd is en die tegelijk dichteres is, gebruikt ze de symbolische kracht en betekenis van de sacramenten. Ze kan met hulp van die symbolen iets duidelijk maken dat boven de symbolen uitgaat, maar m.i. hoeft dat niet per se iets te zeggen over haar verbondenheid met of beleving van die sacramenten. Ooit nodigde ik Benno Barnard in ons leerhuis uit om een inleiding te houden over Poëzie en Religie. Hij las daar onder andere het gedicht “Agnostische vesper” uit zijn bundel Krijg nou de lyriek voor. Het gedicht begint met de regel “Hij lag in een dal vol psalmgezang en nachtegaal”. Barnard kent van huis uit poëzie, religie en religieuze poëzie en heeft er zijn hele leven een haatliefdeverhouding mee. Als hij droomt in de schaduw van de kathedraal spelen alle christelijke en kerkelijke symbolen een rol in zijn gedicht, maar dat zegt natuurlijk niets over zijn opvatting daarover. De vesper die hij schrijft blijft agnostisch. De beeldtaal van tweeduizend jaar christendom is zo dominant aanwezig in de geschiedenis van het denken en dichten van Europa, dat dichters – zelfs als ze niets met kerk of christendom hebben – daar vaak en graag gebruik van maken. Daarmee doet het gedicht – zelfs als de dichter wel gelovig is – nog niet een geloofsuitspraak. Daarom weet ik uiteindelijk niet goed of ik zou spreken van “de God van….”. Misschien zou ik het liever hebben over “het godsbeeld zoals dat naar voren komt in de gedichten van…”. Dat bekt trouwens wel een stuk minder.

De “Nieuwe Boeken”-rubriek uit Ophef 2014/1

 

In het Ophefnummer 2014/1 worden door Wilken Veen de volgende boeken besproken:

 

Bas van den Berg, Speelruimte voor dialoog en verbeelding. Narratio Gorinchem 2014, 454 pag., € 29,95. ISBN 978 90 5263 899 7.

 

Op 11 februari j.l. promoveerde Bas van den Berg (geb. 1953) op dit proefschrift, waarin verslag wordt gedaan van een onderzoek op twee basisscholen (in Amsterdam Zuid-Oost en in Amersfoort-Noord), waar leerlingen van groep 6 werden geconfronteerd met bijbel verhalen, in het bijzonder met het Jozef- en het Estherverhaal. Verslag betekent in dit geval meer dan de rapportage van het empirisch onderzoek op de beide scholen, maar beschrijft het hele proces vanaf het bedenken, voorbereiden en opzetten van het onderzoek tot en met de conclusies die uit het onderzoek getrokken zouden kunnen worden. Hoewel er een grote hoeveelheid literatuur wordt bestudeerd en besproken, wordt die gebruikt als hulpmateriaal ter voorbereiding van het onderzoek en voor de analyse van de in het onderzoek verkregen gegevens. Op zich is dat al iets opmerkelijks. Ik kan mij niet herinneren ooit een theologisch proefschrift gelezen te hebben, dat gebaseerd is op empirisch onderzoek. Bas van den Berg is als lector Dynamische Identiteitsontwikkeling verbonden aan de Marnix Academie, een PABO, in Utrecht. Daar worden leraren opgeleid, die – zeker wanneer ze les gaan geven op een school met een christelijke signatuur – (ook) verantwoordelijk zullen zijn voor de geestelijke vorming van hun leerlingen. Hoe doe je dat? Moeten die kinderen van huis uit christelijk of althans religieus zijn opgevoed? Kan dat nog wel in deze geseculariseerde tijd? De geconstateerde verlegenheid hierover vormt de aanl;eiding tot dit onderzoek en deze promotie. Bas kiest voor verhalen. Begrijpelijk vanuit zijn achtergrond als leerling van Rabbi Yehuda Aschkenazy en als docent spel en drama van de stichting De Zevende Hemel. Nu is het niet ongebruikelijk dat op christelijke scholen Bijbelverhalen worden verteld of voorgelezen door de leraar (m/v), maar daaruit kun je niet aflezen of dat vertellen of voorlezen ook invloed heeft op de geestelijke ontwikkeling van de leerlingen./ Daarom wil hij de kinderen (9 à 10 jaar oud) een mogelijkheid aanbieden om met die verhalen aan de slag te gaan, erover na te denken, ze uit te spelen, ze uit te tekenen en erover door te praten. Daarvoor moet – met behulp van uitvoerig literatuuronderzoek – concepten worden ontwikkeld voor een tot dan toe niet bestaande praktijk voor levensbeschouwelijk onderzoek. Het is niet doenlijk in dit bestek de gang van het onderzoek en de evaluatie ervan uitvoerig te bespreken, daarom volsta ik met het geven van de (uiterst bemoedigende) slotconclusie:

Als leerlingen van groep 6 de tijd en de ruimte krijgen om samen op veelvuldig creatieve wijze religieuze verhalen te verkennen, te onderzoeken en in vrijheid te interpreteren, kunnen zij aan dergelijke bronnen ook betekenis verlenen en er zin aan ontdekken voor hun leven.

Het onderzoek wordt buitengewoon dicht bij de lezer gebracht. Het verslag bevat niet alleen de bevindingen van de onderzoeker, maar ook de afgedrukte tekeningen van de kinderen en verbatims van de gesprekken en spelsituaties die naar aanleiding van de verhalen zijn ontstaan. Zelfs het theoretische gedeelte (de eerste vier hoofdstukken) is redelijk goed te lezen, ik vermoed zelfs voor een niet-theoloog. Kortom, Bas van den Berg, bewijst zichzelf ook in het schrijven van dit proefschrift als de goede leraar en verteller die hij is. En hè hè (of goddank, wegstrepen wat niet gewenst is) een proefschrift in het Nederlands met een samenvatting in het Engels en niet andersom, zoals (helaas) gebruikelijk is geworden.

 

Janneke Stegeman, Decolonizing Jeremiah. Identity, narratives and power in religious tradition, 280 pag. Uitgave in eigen beheer 2014.

 

De laatste zinnen van de vorige bespreking lijken wel een bruggetje naar dit proefschrift, maar zo is dat niet bedoeld. Hoewel in eigen beheer uitgegeven en dus kennelijk niet voor een internationale markt bedoeld, begrijp ik heel goed, dat dit proefschrift in het Engels is geschreven, omdat het onderzoek Engels sprekend is gedaan en velen die hebben bijgedragen aan de totstandkoming van deze dissertatie het boek niet eens zouden kunnen lezen, wanneer het in het Nederlands was geschreven. Janneke Stegeman, die ik ken omdat ze een inleiding heeft gehouden voor één van mijn leerhuizen, over de verhouding van Joden, Christenen en Moslims, heeft haar onderzoek grotendeels in Israël gedaan en over dit onderzoek uitvoerig gesproken met Israëli’s en (christelijke) Palestijnen. De maatschappelijke situatie waarin het boek is geschreven heeft een niet onaanzienlijke invloed op het onderzoek. De onderzoekster zelf neemt overduidelijk (als fervent aanhanger van Sabeel) positie in, maar dat is niet bezwaarlijk, omdat ze daar heel open over is en haar eigen betrokkenheid (in een hoofdstuk met de titel: “Motivation and my own position”) tot onderdeel van het onderzoek maakt.

Het hart van het boek is een uitleg van Jeremia 32, het verhaal over Jeremia, die een akker koopt op het moment dat de Babyloniërs (door Jeremia aangeduid als “de Chaldeeërs”) op het punt staan Jeruzalem in te nemen. Dit verhaal reageert volgens Janneke Stegeman op de tegenstellingen tussen de verschillende groepen: de gedeporteerden, de achtergeblevenen, degenen die naar Egypte gevlucht zijn. Dominant is de lezing van de terugkerende ballingen. En daarmee identificeren zich latere Zionisten. En zo leest en herleest ze de tekst in de context van het conflict tussen Israël en de Palestijnen. Ze leest die met betrokkenen, zowel Joden als Palestijnen, sterker nog, ze stelt – naar ze zelf beschrijft niet zonder moeite – leesgroepen samen die bestaan uit zowel Israelische Joden als Palestijnse christenen. Er worden vier groepen gevormd: een groep Joodse vrouwen uit Jeruzalem en een groep Palestijnse vrouwen uit Jeruzalem, een groep Joodse studenten en een groep Palestijnse studenten. Ze lezen eerst allemaal in eigen kring de tekst en spreken erover onder leiding van Janneke Stegeman en daarna worden de beide vrouwengroepen en de beide studentengroepen met elkaar in contact gebracht. De Joodse vrouwen beschouwen de tekst alsof die over hen gaat en vinden dat ook min of meer vanzelfsprekend. De studenten van Joodse komaf zijn in de regel veel kritischer, maar spreken evengoed van “wij”. De Palestijnse lezers beschouwen de tekst primair als “vijandig”, als tekst van anderen. Zij proberen minder zich de tekst toe te eigenen, maar verzetten zich tegen een “politieke lezing”. Wat opvalt, en bij nader inzien is dat eigenlijk een gelukkige greep van de schrijfster, is dat zij niet op zoek is naar de “juiste uitleg” , maar probeert dit proces van toeëigening in beeld te brengen en te beschrijven. Zij wil – en daarmee neemt ze natuurlijk toch een positie in – de tekst van Jeremia dekoloniseren (in de Nederlandse samenvatting gebruikt ze daarvoor de m.i. veel slechtere term ‘ontzetten’).

Een spannend boek, dat veel vragen oproept en gelukkig niet probeert alle vragen te beantwoorden. Zelf probeerde ik het boek bij de schrijfster te bestellen (ik vroeg geen recensie-exemplaar aan, maar wilde het gewoon kopen), maar dat leverde geen boek op, dus kan ik niet goed vertellen hoe u het eventueel zou moeten verwerven noch wat daarvan de prijs is.

 

Pieter Post, Naar messiaans communisme. Frits Kuiper (1898-1974) dopers theoloog. Narratio Gorinchem 2014. 69 pag. € 8,00. ISBN 978 90 5263 236 0.

 

Over dit boekje kan ik heel kort zijn, omdat u elders in dit nummer de toespraak vindt, die de auteur hield bij de presentatie van zijn boekje op een symposium ter gelegenheid van de veertigste sterfdag van Frits Kuiper. Daarin geeft hij in kort bestek de inhoud van dit boekje aan. De mate waarin Frits Kuiper betrokken was bij de totstandkoming van de beweging Christenen voor het Socialisme (ook uitvoerig en uit de eerste hand beschreven door Rinse Reeling Brouwer) was mij nooit zo duidelijk. C.v.S. was één van de twee verenigingen die in 1994 fuseerden tot de Vereniging voor Theologie en Maatschappij. Zou de beweging nog hebben bestaan, dan zouden we dit jaar ook de veertigste verjaardag daarvan hebben gevierd. Het lezen van Pieters boekje is dan ook een enigszins melancholieke bezigheid. De manier, waarop Kuiper spreekt over het communisme, dat durft vandaag niemand meer, maar was ook in de tijd dat hij zijn uitspraken deed buitengewoon moedig. Wie durft Barth, Lenin en Rosenzweig nog in één adem te noemen? Frits Kuiper, een markante en niet onomstreden man (ook vanwege zijn opvattingen over het zionisme), die ons levendig en toegankelijk geschilderd wordt in dit boekje.

 

Katrin Himmler / Michael Wildt, Himmler privat. Briefe eines Massenmörders, Piper-Verlag München 2014, 400 pag., € 24,99. ISBN 978 3 492 05632 8.

 

Ik weet eigenlijk niet goed, of ik jullie de lezing van dit boek aan moet bevelen, maar ik bespreek het als een soort voorbereiding op het volgende nummer van Ophef dat gewijd zal zijn aan het Kwaad (met een hoofdletter). Eén van de thema’s daarbij is vanzelfsprekend de stelling van Hanna Arendt over “de banaliteit van het kwaad”. Zij dacht in de eerste plaats aan Adolf Eichmann, en bij deze kantoorklerk en “Schreibtischmörder” krijgen we een indruk wat ze bedoelde. Heinrich Himmler is bijna het tegendeel: een opvallende figuur, een gruwelijke ijdeltuit, die waar mogelijk haantje de voorste is. Altijd op pad als “Führer” van de SS. Op al die reizen (vaak samen met Adolf Hitler, door hem aangeduid als de “Chef”) schrijft hij talloze brieven aan zijn vrouw Marga. Katrin Himmler, een van de samenstelsters van dit boek, is een achternicht van Himmler, maar legt genadeloos het karakter van haar oudoom bloot. De brieven zijn van het type “hoe kan zo’n aardige man zulke verschrikkelijke dingen doen” en bij een andere opzet, zouden de liefdesbrieven van Heinrich aan zijn vrouw bijna als verontschuldiging begrepen kunnen worden, maar de samenstellers voegen aan de brieven in een ander lettertype verslagen toe van de gebeurtenissen in dezelfde tijd. De man die ondertekent met “Pappi”, zijn vrouw “Mami” noemt en over zijn dochtertje spreekt als “Püppi”, beschrijft de Wannseeconferentie als “een drukke dag” en schrijft een allerliefste brief aan zijn vrouw op de dag, dat zijn maitresse bevalt van een zoon. SS’ers van onbesproken Arische afkomst werden door Himmler aangespoord zoveel mogelijk raszuivere kinderen te verwekken en zelf gaf hij het ‘goede’ voorbeeld. De discrepantie tussen die weerzinwekkende werkelijkheid en de bijna overdreven lievigheid van de brieven valt alleen even weg, als het over Joden gaat, door Heinrich en door Marga aangeduid als “Judenpack”. Himmler onttrekt zich aan ophanging door kort na zijn arrestatie een gifcapsule in te nemen. Zijn vrouw, blijkens haar brieven die ook opgenomen zijn, een absoluut overtuigde nationaalsocialiste, wordt al in 1946 vrijgelaten en vindt werk in – hoe kun je het bedenken – de Bodelschwingse Anstalten in Bielefeld-Bethel. Tot haar dood – in 1967 – toe zal ze als godsdienst invullen: ‘gottgläubig’ het duitsgelovige alternatief voor ‘evangelisch’ of ‘katholisch’, waartoe vooral SS’ers zich bekenden.

 

 

 

Nieuws

WAT IS VTM?

Oecumenisch denkplatform voor hartstochtelijke en maatschappelijk betrokken theologie.

Belangrijke activiteiten zijn de uitgave van het periodiek Ophef en het publiceren van theologische portretten.

Via Ophef wil de VTM het maatschappelijke en theologische debat stimuleren!

BENT U AL LID VAN DE VTM?

Heeft u zich al eens afgevraagd waarom u dat nog niet bent? Want dat kan heel makkelijk via: secretariaatvtm@gmail.com

 

WAAROM HEEFT U NOG GEEN ABONNEMENT OP OPHEF?

Dat geeft uren leesplezier voor een relatief klein bedrag. En het kan namelijk heel makkelijk! Stuur een mail naar secretariaatvtm@gmail.com