Oecumenisch denkplatform voor hartstochtelijke en maatschappelijk betrokken theologie. Ook op twitter en facebook
Browsing articles in "Boekbespreking"

Gerard Dekker, verlicht geloof

Gerard Dekker was een van de bekendste godsdienstsociologen van ons land. Van 1970 tot zijn emeritaat in 1996 was hij als hoogleraar godsdienstsociologie verbonden aan de Vrije Universiteit. Van huis uit gereformeerd volgde hij de veranderingen van zijn kerk op de voet en was die meestal een aantal stappen vooruit. Hij zag die kerk geleidelijk aan zijn dogmatische veren verliezen. Hij noemde dat met de titel van een van zijn bekendste boeken een “stille revolutie”. In de PKN zag hij weinig en zegde zelfs zijn lidmaatschap op, want hij voorspelde, dat het een kleurloze ‘middenkerk’ zou worden, die met pappen en nathouden zou proberen het instituut in stand te houden. Ik durf niet te beweren dat hij daarin ongelijk had. Maar zijn heftige reactie liet ook zien, dat hij in veel opzichten ‘gereformeerd’ was gebleven en dus principieel. Als je het ergens niet mee eens bent, dan stap je op en laat ook publiekelijk weten, waarom je opstapt. Na zijn emeritaat is hij zich intensief met theologie bezig gaan houden en in het bijzonder met de theologie van Bonhoeffer. Hij werd lid van het Bonhoeffer-werkgezelschap en schreef vier boekjes over Bonhoeffer, waarvan het hierboven genoemde de laatste was (eerdere publicaties: Het zout der aarde. Bonhoeffers visie op de kerk, 2002, De kerk lost niets op. Bonhoeffer over de relatie tussen kerk en wereld, 2006 en Leren geloven met Bonhoeffer. Teksten en commentaar, 2010). Daarnaast stelde hij nog een dagboek samen (in 2011) met voor elke dag een tekst van Bonhoeffer en bij elke maand een tekst van Gerard Dekker, waarin hij het thema van die maand toelicht (Dietrich Bonhoeffer, een thematisch dagboek, 2011). Hoewel hij binnen het werkgezelschap ook het gesprek met evangelicale en reformatorische Bonhoeffer-aanhangers graag en met enthousiasme aanging, was hij volstrekt overtuigd van zijn eigen Bonhoeffer-interpretatie, die hij tegen mij uitdrukte met de, binnen het werkgezelschap wat provocerende, stelling: “Bonhoeffer was toch gewoon vrijzinnig”. Over die stelling valt heel wat te zeggen en ook wel iets tegenin te brengen, maar ik begreep hem (en steunde Gerard daarin) als een verzet tegen de manier, waarop (vooral Amerikaanse) evangelicalen Bonhoeffer plegen te annexeren en neer te zetten als vrome geloofsheld.

Vrijdag 24 november, drie dagen voor zijn dood, werd in Leusden de door Gerard Dekker en Gerard den Hertog in het Nederlands vertaalde Bonhoeffer-biografie van Ferdinand Schlingensiepen gepresenteerd. Gerard kon daar niet meer bij zijn, geveld door een zeer ernstige virale longontsteking werd hij toen al in een kunstmatig coma gehouden. Hij vond de vertaling van die biografie zo belangrijk, juist om tegenwicht te bieden aan bijvoorbeeld de biografie van Eric Metaxas, de meest uitgesproken vertegenwoordiger van de genoemde evangelicale Bonhoeffer-uitleggers. Omdat ik jullie niet wil overvoeren met besprekingen van Bonhoeffer-boeken – waartoe ik toch al behoorlijk de neiging heb – zal ik dat boek niet bespreken in deze rubriek, maar wil hem hier wel noemen: Ferdinand Schlingensiepen, Dietrich Bonhoeffer 1906-1945. Een biografie, Utrecht: Kok 2017).

Het laatste boekje over Bonhoeffer heeft Gerard Dekker gelukkig nog zelf kunnen introduceren op de najaarsvergadering van ons werkgezelschap. Hij zei daar al met grote zekerheid (hij was toen nog helemaal niet ziek) dat dit zijn laatste boekje zou zijn. Het heeft iets van een testament. “Er staat niets nieuws in”, schreef de Trouw-recensent in zijn onwetendheid. Nee, natuurlijk niet, het was ook niet de bedoeling om iets nieuws over Bonhoeffer te schrijven, maar om nog een keer de kern samen te vatten van wat hij van Bonhoeffer geleerd had en zou willen dat we allemaal van Bonhoeffer zouden leren. Veelbetekenend zijn de twee citaten van Bonhoeffer die hij liet afdrukken op de omslagflappen van het boek. “Christen-zijn betekent niet op een bepaalde manier religieus zijn, op grond van een of andere methodiek iets van zichzelf maken (een zondaar, een boeteling of een heilige), maar het betekent mens-zijn” en “Als u het onvergankelijke wilt, houdt u dan aan het vergankelijke; als u het eeuwige wilt, houdt u dan aan het tijdelijke; als u God wilt, houdt u dan aan de wereld.”. Zo geloven in de geest van Bonhoeffer noemt Dekker “verlicht geloven”. Aan het eind van zijn boekje noemt hij wat volgens hem de voornaamste kenmerken zijn van een verlicht geloof. Ik laat de toelichting weg, maar noem die kenmerken: 1) Geloven is niet het aanhangen van een godsdienstig systeem; geloven is leven. 2) In het geloof gaat het niet om ons persoonlijk heil; 3) Het geloof is gericht op dit leven en op deze werkelijkheid; 4) In het geloof zullen mensen leven alsof er geen God bestaat; 5) Geloven is het doen van Gods wil; 6) In meditatie, gebed en bijbellezen kan ons duidelijk worden wat God nu van ons wil; 7) Geloven is leven in vrijheid en verantwoordelijkheid; 8) Geloven is leven voor de ander; 9) Geloven is op de toekomst gericht; 10) Geloven is positief in het leven staan. Ik kan daar alleen maar amen op zeggen, als stel ik vast: de kerk komt in deze tien kenmerken niet voor. Dat klopt, want de kerk lost niets op, zou Gerard waarschijnlijk zeggen. Ik heb de strijd nog niet opgegeven, behalve een verlicht geloof gaat het mij ook om een verlichte kerk, kortom om het “project Bonhoeffer”. In mijn bezigzijn daarmee is Gerard Dekker altijd een trouwe bondgenoot geweest. Zijn gedachtenis zij ons tot zegen.

Bespreking van het pamflet van Gustaaf Peek ‘Verzet! Pleidooi voor communisme’ [Querido 2017]

 

Harry Pals, voorzitter van de Vereniging voor Theologie en Maatschappij, bespreekt hieronder het pamflet van Gustaaf Peek ‘Verzet! Pleidooi voor communisme’.

 

 

Verzet!

 

Ik lees een driftig pamflet van Gustaaf Peek ‘Verzet! Pleidooi voor communisme’ [Querido 2017], en ik word er geestdriftig van. De gedurfde helderheid verrast me positief. Ik kende Peek alleen van zijn bijzondere erotische roman ‘Godin, held’.

Peek wil Marx en zijn programma om te komen tot een rechtvaardige herverdeling van kennis, macht en inkomen een nieuwe kans geven. Het kapitalisme, stelt hij, is dwangmatige winzucht, die slechts aan een kleine minderheid ten goede komt. Er bestaat ‘een kloof tussen de materiële mogelijkheden van het kapitalisme en de werkelijke opbrengst ervan voor de meerderheid van de mensen op aarde.’ [21] ‘Kapitaal (..) kan onmogelijk bestaan zonder collectief verlies.’ [28] Dit systeem wil ons doen geloven dat bevrediging vóór behoefte gaat. Als voorbeeld gebruikt Peek de vermarkting en vercommercialisering van ons voedsel. Hij eindigt met de liefde en de oproep: ‘Zusters en broeders, wij zijn aan zet’. Dat rijmt prachtig op verzet, denk ik dan…

Ik vind dit boekje een gedurfde, scherpe en concrete actualisatie van het gedachtengoed dat de Vereniging voor Theologie en Maatschappij theologisch wil doordenken.

 

Harry Pals

 

 

 

De “Nieuwe Boeken”-rubriek uit Ophef 2017/4

In het Ophefnummer 2017/4 worden door Wilken Veen de volgende boeken besproken:

 

Gerard Dekker, Verlicht geloof. Geloven in de geest van Dietrich Bonhoeffer, Utrecht: Kok 2017, 96 pag., € 13,50. ISBN 978 90 435 2838 2.

 

Deze eerste boekbespreking is helaas tegelijk een klein in memoriam. Op maandag 27 november overleed Prof. dr. Gerard Dekker op 86-jarige leeftijd. Gerard Dekker was een van de bekendste godsdienstsociologen van ons land. Van 1970 tot zijn emeritaat in 1996 was hij als hoogleraar godsdienstsociologie verbonden aan de Vrije Universiteit. Van huis uit gereformeerd volgde hij de veranderingen van zijn kerk op de voet en was die meestal een aantal stappen vooruit. Hij zag die kerk geleidelijk aan zijn dogmatische veren verliezen. Hij noemde dat met de titel van een van zijn bekendste boeken een “stille revolutie”. In de PKN zag hij weinig en zegde zelfs zijn lidmaatschap op, want hij voorspelde, dat het een kleurloze ‘middenkerk’ zou worden, die met pappen en nathouden zou proberen het instituut in stand te houden. Ik durf niet te beweren dat hij daarin ongelijk had. Maar zijn heftige reactie liet ook zien, dat hij in veel opzichten ‘gereformeerd’ was gebleven en dus principieel. Als je het ergens niet mee eens bent, dan stap je op en laat ook publiekelijk weten, waarom je opstapt. Na zijn emeritaat is hij zich intensief met theologie bezig gaan houden en in het bijzonder met de theologie van Bonhoeffer. Hij werd lid van het Bonhoeffer-werkgezelschap en schreef vier boekjes over Bonhoeffer, waarvan het hierboven genoemde de laatste was (eerdere publicaties: Het zout der aarde. Bonhoeffers visie op de kerk, 2002, De kerk lost niets op. Bonhoeffer over de relatie tussen kerk en wereld, 2006 en Leren geloven met Bonhoeffer. Teksten en commentaar, 2010). Daarnaast stelde hij nog een dagboek samen (in 2011) met voor elke dag een tekst van Bonhoeffer en bij elke maand een tekst van Gerard Dekker, waarin hij het thema van die maand toelicht (Dietrich Bonhoeffer, een thematisch dagboek, 2011). Hoewel hij binnen het werkgezelschap ook het gesprek met evangelicale en reformatorische Bonhoeffer-aanhangers graag en met enthousiasme aanging, was hij volstrekt overtuigd van zijn eigen Bonhoeffer-interpretatie, die hij tegen mij uitdrukte met de, binnen het werkgezelschap wat provocerende, stelling: “Bonhoeffer was toch gewoon vrijzinnig”. Over die stelling valt heel wat te zeggen en ook wel iets tegenin te brengen, maar ik begreep hem (en steunde Gerard daarin) als een verzet tegen de manier, waarop (vooral Amerikaanse) evangelicalen Bonhoeffer plegen te annexeren en neer te zetten als vrome geloofsheld.

Vrijdag 24 november, drie dagen voor zijn dood, werd in Leusden de door Gerard Dekker en Gerard den Hertog in het Nederlands vertaalde Bonhoeffer-biografie van Ferdinand Schlingensiepen gepresenteerd. Gerard kon daar niet meer bij zijn, geveld door een zeer ernstige virale longontsteking werd hij toen al in een kunstmatig coma gehouden. Hij vond de vertaling van die biografie zo belangrijk, juist om tegenwicht te bieden aan bijvoorbeeld de biografie van Eric Metaxas, de meest uitgesproken vertegenwoordiger van de genoemde evangelicale Bonhoeffer-uitleggers. Omdat ik jullie niet wil overvoeren met besprekingen van Bonhoeffer-boeken – waartoe ik toch al behoorlijk de neiging heb – zal ik dat boek niet bespreken in deze rubriek, maar wil hem hier wel noemen: Ferdinand Schlingensiepen, Dietrich Bonhoeffer 1906-1945. Een biografie, Utrecht: Kok 2017).

Het laatste boekje over Bonhoeffer heeft Gerard Dekker gelukkig nog zelf kunnen introduceren op de najaarsvergadering van ons werkgezelschap. Hij zei daar al met grote zekerheid (hij was toen nog helemaal niet ziek) dat dit zijn laatste boekje zou zijn. Het heeft iets van een testament. “Er staat niets nieuws in”, schreef de Trouw-recensent in zijn onwetendheid. Nee, natuurlijk niet, het was ook niet de bedoeling om iets nieuws over Bonhoeffer te schrijven, maar om nog een keer de kern samen te vatten van wat hij van Bonhoeffer geleerd had en zou willen dat we allemaal van Bonhoeffer zouden leren. Veelbetekenend zijn de twee citaten van Bonhoeffer die hij liet afdrukken op de omslagflappen van het boek. “Christen-zijn betekent niet op een bepaalde manier religieus zijn, op grond van een of andere methodiek iets van zichzelf maken (een zondaar, een boeteling of een heilige), maar het betekent mens-zijn” en “Als u het onvergankelijke wilt, houdt u dan aan het vergankelijke; als u het eeuwige wilt, houdt u dan aan het tijdelijke; als u God wilt, houdt u dan aan de wereld.”. Zo geloven in de geest van Bonhoeffer noemt Dekker “verlicht geloven”. Aan het eind van zijn boekje noemt hij wat volgens hem de voornaamste kenmerken zijn van een verlicht geloof. Ik laat de toelichting weg, maar noem die kenmerken: 1) Geloven is niet het aanhangen van een godsdienstig systeem; geloven is leven. 2) In het geloof gaat het niet om ons persoonlijk heil; 3) Het geloof is gericht op dit leven en op deze werkelijkheid; 4) In het geloof zullen mensen leven alsof er geen God bestaat; 5) Geloven is het doen van Gods wil; 6) In meditatie, gebed en bijbellezen kan ons duidelijk worden wat God nu van ons wil; 7) Geloven is leven in vrijheid en verantwoordelijkheid; 8) Geloven is leven voor de ander; 9) Geloven is op de toekomst gericht; 10) Geloven is positief in het leven staan. Ik kan daar alleen maar amen op zeggen, als stel ik vast: de kerk komt in deze tien kenmerken niet voor. Dat klopt, want de kerk lost niets op, zou Gerard waarschijnlijk zeggen. Ik heb de strijd nog niet opgegeven, behalve een verlicht geloof gaat het mij ook om een verlichte kerk, kortom om het “project Bonhoeffer”. In mijn bezigzijn daarmee is Gerard Dekker altijd een trouwe bondgenoot geweest. Zijn gedachtenis zij ons tot zegen.

 

Coen Constandse, Denken vanuit de ommekeer. Friedrich-Wilhelm Marquardt, theoloog in de twintigste eeuw, Gorinchem: Narratio 2017, 93 pag., € 9,00, ISBN 978 90 5263 230 8.

 

In 2009 promoveerde Coen Constandse op Het gebod van de hoop over eschatologie en ethiek bij F.-W. Marquardt. Op grond daarvan was hij de aangewezen om in de theologenreeks van de VTM een klein boekje over Marquardt te schrijven. Het moest natuurlijk wel een stuk eenvoudiger en dat is goed gelukt. De auteur kiest voor een strikt chronologische opzet, waarbij de onderwerpen steeds worden gekoppeld aan de in die bepaalde periode verschenen studies. Vooraf aan alles gaat Marquardts ontdekking van het Jodendom tijdens een reis met studenten naar Israël in 1959. Deze ontdekking, die tegelijk een ontmoeting met het levende Jodendom van zijn dagen is, is beslissend voor zijn verdere theologie. “Dass unser Herr Jesus Christ ein geborene Jude war”, wist Luther ook al (al verhinderde dat hem niet in zijn latere dagen al zijn gal over de Joden uit te spuwen), maar Marquardt gaat vele stappen verder en stelt vast, dat deze God (die van het christendom) de God van de Joden is, al voordat hij de god van andere mensen is en dat blijft hij ook, ook na Christus. Dat wordt dan ook Marquardts dissertatie, Die Entdeckung des Judentums für die christliche Theologie. Het is zijn ontdekking, maar als hij met die nieuwe bril op Barth leest, vindt hij ook Israël in het denken van Karl Barth (de ondertitel van het boek). Karl Barth zou met de hem zo eigen humor over deze studie zeggen, dat hij zijn hoed diep zou afnemen voor de Barth, die in dat boek ter sprake wordt gebracht. Daarna gaat het over het socialisme (Theologie und Sozialismus. Das Beispiel Karl Barths), wat hij m.i. veel meer terecht koppelt aan het denken van Karl Barth. De uitspraak ‘Karl Barth was socialist’ betekent natuurlijk, wanneer die niet polemisch bedoeld is, ook: ik ben socialist! En dat werd hem in de jaren van de koude oorlog en de RAF-terreur in Duitsland niet in dank afgenomen. Vervolgens (maar daar ga ik nu niet uitvoerig op in) worden in de volgende hoofdstukken de verschillende delen van Marquardts (7-delige) dogmatiek aan de orde gesteld. Verhelderend voor een ieder die begrijpelijkerwijs moeite heeft met de zeer uitvoerige en ‘Deutsch-gründliche’ teksten van dat werk. Als mede-redacteur van de serie ben ik apetrots op dit twaalfde (sic) deeltje in deze reeks.

 

Dick Boer, Theopolitische Existenz – von gestern, für heute, Berlin: Argument-Verlag 2017, 384 pag., € 27,00, ISBN 978 3 86754 108 4.

 

Een verzamelbundel met teksten van Dick Boer! De boeken van Dick (Een fantastisch verhaal, 1988, Protest tegen een verkeerde wereld 1991, Een heel andere God, 2002 en Erlösung aus der Sklaverei, 2008) zijn niet opgenomen, maar heel veel van de andere teksten wel. Vele daarvan kende ik al (omdat ze in Opstand/Ophef werden gepubliceerd of in andere bladen die ik lees, of doordat Dick ze mij mailde) maar er zitten toch ook voor mij nieuwe teksten bij. Dat geldt voor een aantal voordrachten over DDR-literatuur uit het laatste deel van het boek en voor een aantal vroege teksten uit een tijd, dat we nog niet zo bevriend waren, dat ik al zijn teksten onder ogen kreeg. Daarnaast is er het liefdevolle “Wort zum Geleit”, dat door Rinse Reeling Brouwer werd geschreven. Maar wat dit boek in zijn soort uniek maakt, is dat Dick bij een groot aantal van zijn artikelen en voordrachten een actueel commentaar heeft geschreven, waarin hij terugblikt op de tijd waarin het geschreven is. En Dick kijkt kritisch terug, noemt bepaalde opmerkingen van toen soms ‘bedenkelijk’ en heel vaak verbaast hij zich over wat hij vroeger allemaal durfde te zeggen, te schrijven en te preken. Soms ook heeft hij – eveneens tot zijn verbazing – vast kunnen stellen ergens nog helemaal achter te staan. Toch zijn deze commentaren nergens zelfrechtvaardiging, hoewel er soms begrip wordt gevraagd voor de andere situatie waarin een tekst geschreven is. De samensteller, Thomas Klein, heeft enige tijd bij Dick gelogeerd en er uitvoerig  met hem over gesproken. Dat hij besloten heeft niet zelf commentaren bij de teksten te schrijven, maar dat aan Dick over te laten is een ongebruikelijke maar gouden greep. Al zal Dick het zelf nooit zo zeggen (daarom doe ik het), deze bundel is een (veel te late) erkenning van de grote betekenis die Dick heeft gehad voor de theologie van de moderne tijd als een christen voor en een christen in het socialisme, die altijd bereid was rekenschap te geven van de posities die hij innam. Helaas is de tijd dat dit soort boeken in Nederlandse boekhandels kwam te liggen al lang voorbij, maar ik heb het nagekeken: Je kunt het inmiddels bij bol.com bestellen, dat bespaart je de verzendkosten.

 

Karel Eykman & Margreet de Heer, Zodat het je goed gaat. Tien geboden voor nu, Utrecht: Meinema 2017, 112 pag., € 14,99. ISBN 978 90 211 70398.

 

Het is meer dan veertig jaar geleden, dat Woord voor Woord verscheen, waarvan inmiddels vele drukken uit zijn gekomen en waarmee Karel Eykman zich een grote naam verwierf als schrijver van kinderboeken. Hij maakte deel uit van het roemruchte schrijverscollectief met o.a. Aart Staartjes en Willem Wilmink, dat de teksten schreef voor televisieproducties als de Stratemaker-op-zee-show, en heeft sindsdien een groot aantal verhalenboeken en dichtbundels voor kinderen geschreven. Vaak gebruikt hij daarbij op een geheel eigen wijze bijbelverhalen (zo herdichtte hij alle Psalmen en werd een prachtige berijming van 1 Korinthiërs 13,”Zonder liefde ben je nergens” opgenomen in het nieuwe liedboek). Eerder besprak ik in deze rubriek Jaarringen, waarin hij ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag voor elk levensjaar een gedicht had geschreven. Dit jaar verscheen deze bundel met verhalen van Karel Eykman en strips van Margreet de Heer over de Tien Woorden. Bij de presentatie in de Thomaskerk in Amsterdam was een groot deel van de theaterzaal gevuld met de hoogsteklassers van de naar hem genoemde Karel Eykmanschool uit Amstelveen. Voor hen is het boek bedoeld, voor 12 jarigen (iets ouder of iets jonger mag ook) en misschien ook voor leerkrachten en kindernevendienstbegeleiders die aan kinderen iets uit willen leggen over de bijbel. Bij elk van de tien woorden een verhaal en een strip en aan het eind nog een hele korte samenvatting van elk van de geboden in een heerlijk onvrome taal en met een feilloos gevoel voor de goede exegese. Zo begint zijn korte uitleg van het vijfde woord met: “In vroeger tijd, toen de tien geboden ontstonden, was het van levensbelang dat kinderen hun ouders in ere hielden. Waren je ouders zo oud geworden dat ze hun eigen brood  niet meer konden verdienen, dan hoorde je als kinderen voor hen te zorgen.” Dan is gelijk de juiste toon gezet, en ieder moralisme, dat jullie, kindertjes, vooral gehoorzaam moeten zijn en goed moeten luisteren naar de grote mensen, is dan op voorhand uitgesloten. Ons leerhuis in Amsterdam (Leerhuis Amsterdam Tenach en Evangelie) had de grote eer gekregen, dat Karel zijn verhalen al voor publicatie bij ons voor wilde dragen. Het boek is mooi, maar als Karel het voorleest is het nog overtuigender.

 

Walter Brueggemann, Uitverkoren volk? Bijbellezen met het oog op het Israëlisch-Palestijnse conflict, Zoetermeer: Boekencentrum 2017, 79 pag., € 9,99. ISBN 978 90 239 5177 3.

 

In het laatste nummer van In de Waagschaal heeft hoofdredacteur Wessel ten Boom (ooit ook hoofdredacteur van Ophef en nog steeds een zeer gewaardeerd auteur in dit blad) al min of meer de vloer aangeveegd met dit boek en zich afgevraagd of dit geen ‘Palestijnse propaganda’ is. Dat zal ik niet doen, hoewel ik begrip heb voor de meeste van Wessels argumenten. Ook als een boek vertaald wordt, blijft het een boek dat voor een ander, in dit geval Amerikaans, publiek geschreven is en binnen die context begrepen moet worden. Dat Sabeel dit boek heeft laten vertalen en uitgegeven heeft, betekent nog niet dat het daarmee is toegespitst op het Nederlandse publiek. In navolging van Mark Braverman heeft nu ook Brueggeman zich uitgesproken tegen wat wel het ‘christen-zionisme’ wordt genoemd. Dat is – dat geef ik toe – in Nederland niet revolutionair, hier is juist de kritiek op de staat Israël vrijwel gemeengoed geworden en worden groeperingen als ‘Christenen voor Israël’ als een soort ‘rechts-radicalen’ beschouwd. Maar in Amerika zijn christenen met deze opvattingen ruim vertegenwoordigd en hebben bijvoorbeeld een forse bijdrage geleverd aan de verkiezingsoverwinning van Donald Trump. Het laatste nieuws, dat Trump overweegt om de Amerikaanse ambassade te verplaatsen van Tel Aviv naar Jeruzalem en daarmee de aanspraken van de Palestijnen op (in ieder geval) Oost-Jeruzalem te bagatelliseren, maakt duidelijk hoe bedreigend deze beweging is voor de Palestijnen. Dat wij in het gemeen (Janneke Stegeman, ook Sabeel, deed dat ook al in haar proefschrift) vinden, dat je de Bijbel niet kunt gebruiken om aanspraken op land te rechtvaardigen, is waar en is naar mijn idee ook terecht. Maar ik heb de stellige indruk dat dit in Amerika wel relevant is. Dat dit ook anders zou kunnen, dat je misschien beter uit moet leggen wat ‘uitverkoren’ betekent (ik leerde dat al in het begin van mijn studie van Aschkenazy, die, toen nog verwoed roker, ons vroeg, hoe we het zouden vinden om ‘uitgekozen’ te worden om in de stromende regen een pakje sigaretten voor hem te halen) in plaats van dat begrip af te schaffen of niet op Israël toe te willen passen, daarin heeft Wessel ongetwijfeld gelijk. Maar tegelijk stel ik vast, dat het gesprek over het Israëlisch-Palestijns conflict bijna overal verstomd is. Waarschijnlijk omdat men denkt, dat het toch alleen maar op ruzie en onenigheid uitdraait. Ik weet heel goed, hoe moeilijk het was om dit gesprek te organiseren, al hadden we met wijlen Johan Snoek daarover een aantal indrukwekkende bijeenkomsten. Je hoeft alle uitganspunten van dit boekje niet te delen, om een serie gesprekken daarover aan de hand van dit boekje te organiseren. De voorgestelde gespreksvragen en ook de ‘richtlijnen voor een gesprek met wederzijds respect’ (zij het wat oubollig geformuleerd) aan het eind van dit boekje kunnen daarbij zeker van dienst zijn.

De “Nieuwe Boeken”-rubriek uit Ophef 2017/2

In het Ophefnummer 2017/2 worden door Wilken Veen de volgende boeken besproken:

 

Carolin Emcke, Gegen den Hass, Frankfurt a. Main: Fisher-Verlag 2016, 240 pag.
€ 16,99. ISBN 978 3 10 397231 3.

 

Helaas voor degenen die het Duits niet machtig zijn: dit boek is nog niet in het Nederlands vertaald, maar ik twijfel er niet aan, dat dit wel zal gebeuren. Had ik er de tijd voor, dan zou ik het zelf wel willen doen, want we hebben het over een zeer belangwekkend boek, dat heel terecht vorig jaar de Vredesprijs van de Duitse boekhandel kreeg. De auteur is filosoof, gepromoveerd op het thema “collectieve identiteiten”. Ze is openlijk lesbisch, maar heeft het in haar boek niet over homoseksualiteit, maar over “mensen die anders liefhebben”.

Met die aanduiding wordt gelijk duidelijk wat de pointe van haar betoog is. Angst voor (of haat tegen) buitenlanders, moslims, homo’s (mensen die anders leven, anders geloven of anders liefhebben) is angst voor en als gevolg daarvan vaak haat tegen mensen die anders zijn. Ze staat daarmee in een traditie van andere Duitse wetenschappers als Wolfgang Haug en Klaus Theweleit. Zij hadden het over het fascisme, dat even zeer (tenminste mede-) gebaseerd was op de haat tegen alles wat anders is. Zoals gezegd, vind ik het een prachtig boek, maar ik zie één groot probleem. Het is een in politiek, psychologisch, historisch en filosofisch opzicht goed opgezet boek en een bijna onweerlegbaar pleidooi voor begrip voor wat anders is, voor tolerantie en menselijkheid, maar tegen wiens oren is dit betoog gericht, wie leest dit? Ik vrees alleen al die verstandige en geletterde mensen, die het eigenlijk al op voorhand met de schrijfster eens waren. Wie dat niet zijn, zullen zich waarschijnlijk ook hierdoor niet laten overtuigen. Mensen zijn geen racist, omdat hen dat de meest verstandige en consistente benadering van de werkelijkheid lijkt, maar op grond van heel andere gevoelens. Maar, en ook daar heeft de schrijfster volledig gelijk, gevoelens zijn geen objectieve gegevens (zoals maar al te vaak wordt gedacht en tot uitdrukking gebracht met frases als “zo voel ik dat nu eenmaal”), (haat)gevoelens worden beïnvloed, gemanipuleerd en, zo stelt ze zeer terecht vast, vaak ook georganiseerd. Bij heel veel argumentatie die mij wel bekend voorkwam, was er één punt bij, dat me nadrukkelijk tot nadenken bracht: Carolin Emke maakt duidelijk dat ‘zorg’ één van de gevaarlijkste eufemismen is in het huidige debat over moslims, vreemdelingen enzovoort. Als ik zeg, dat ik de pest heb aan moslims, dan discrimineer ik en dat is in strijd met de wet, maar als ik zeg, dat ik me grote zorgen maak over de komst van wel erg veel buitenlanders met een islamitische achtergrond, dan ben ik een bezorgde burger. Maar de pleinen staan wel vol met ‘bezorgde burgers’ bij een demonstratie van Pegida of de AfD. Verder houdt Emcke zich vooral bezig met het doorprikken van algemeen verbreide misvattingen. Daar is de mythe van het verenigde volk (werkte in de vorige eeuw ook al), van de veronderstelde vroegere homogeniteit en de evenzeer onbewezen gedachte, dat het daarom vroeger allemaal beter ging. Veel minder houdt ze zich bezig met de vraag waar al die haat en boosheid vandaan komt. Dat zou je kunnen zien als een tekortkoming, maar ik vond het ook een verademing. Soms word je er zo verschrikkelijk moe van om altijd maar begrip te hebben voor alles. Misschien is er wel een hele goede reden (zijn er zelfs meerdere redenen) waarom heel veel mensen boos, ongelukkig en ontevreden zijn, maar als ze dat uiten door haatgevoelens tegen mensen die in geen enkel opzicht de oorzaak daarvan zijn, dan is dat ook gewoon onterecht. Ik hoorde Herman Meijer ooit eens over de achterstandswijken in Rotterdam zeggen, dat hij hun problemen begreep, maar dat de islam niet het probleem was. Soms even niet een genuanceerd verhaal. Er is onevenredig veel haat tegen minderheidsgroepen in onze samenleving en die haat moet bestreden worden, omdat anders die minderheidsgroepen het slachtoffer worden en zelf weer (een veel terechtere) haat ontwikkelen. Er moet wat gezegd worden, er moet geprotesteerd worden: GEGEN DEN HASS.

 

Mia Doornaert, Ontredderde republiek. Zoektocht naar de ziel van Frankrijk, Kalmthout: Polis 2017, 286, pag. € 19,99 ISBN 978 94 6310 090 8.

 

Al eens eerder heb ik verteld, dat ik het een zeldzaam genoegen acht om een goed boek te lezen tijdens een vakantie over het land of de plaats waar ik op vakantie ben (Istanbul van Orhan Pamuk of Duister Europa van Robert Kaplan over Roemenië), dus toen mij dit boek over Frankrijk werd uitgeleend wist ik gelijk, dat gaat mee op ons weekendje Parijs, heerlijk lezen in de Thalys. En het was meer dan de moeite waard (Parijs altijd wel een mis waard, maar ook dit boek is bepaald niet mis??). Ik kende het werk van Mia Doornaert tot nu toe niet. Ze was vele jaren (geb. 1945) journaliste van de Standaard, de Belgische kwaliteitskrant en een deel van die tijd correspondent in Parijs. Ze blijkt niet alleen een buitengewoon goed observerend journalist, maar ook een belezen historicus, die in staat is om actuele gebeurtenissen van een historische context te voorzien, waardoor we die actualiteit beter begrijpen. Ze schrijft het boek in het laatste jaar van president Hollande. Diens populariteit was op een gegeven moment gedaald tot zo’n 13 procent en hij werd dan ook één van de weinige presidenten die zich niet verkiesbaar stelde voor een tweede termijn. Hoe kwam dat? Was Hollande een slechtere president als Sarkozy? Dat hij een maîtresse had, kan daarvan niet de oorzaak zijn, dat hadden de meeste van zijn voorgangers (ongetwijfeld met uitzondering van De Gaulle) ook, dat hij zijn maîtresse met een andere maîtresse bedroog (we herinneren ons de foto waarop hij – met de valse hoop onherkenbaar te zijn – met helm op per scooter zijn vriendin bezoekt) zal ook niet de oorzaak zijn. De Fransen zijn ontevreden en op de een of andere manier was Hollande er precies de man naar om het mikpunt van alle frustraties te worden. Frankrijk, en in het bijzonder Parijs, zo maakt Doornaert duidelijk, heeft zich altijd beter gevoeld dan de rest van de wereld. Frankrijk en cultuur waren bijna synoniemen. Wie wat voorstelde in de culturele wereld sprak Frans (wie zou dat beter op hebben kunnen merken dan onze Vlaamse auteur?). Opeens – en de hevige conflicten in de banlieue zullen daar zeker aan hebben bijgedragen – is het overal in Frankrijk doorgedrongen: “we hebben het niet meer”.

Na de hereniging van Duitsland zijn we niet meer de grootste, zijn we zelfs op economisch vlak vele maten kleiner dan Duitsland. Iemand moet daar de schuld van krijgen, waar papa Le Pen op zijn hoogtepunt net boven de 10% kwam, haalt dochter Marine moeiteloos de 20%. En hoewel ze net als haar vader spuugt op de elites van de Franse republiek en haar veronderstelde arrogantie, zal ze iedere redevoering afsluiten met dezelfde woorden, waarmee ook De Gaulle, Pompidou en Chirac dat deden: Vive la France, Vive la Republique! Wie het wil redden in Frankrijk, zal tenminste de indruk moeten wekken deze republiek zijn oude glorie terug te geven. Des te opmerkelijker (maar dat kon de schrijfster toen nog niet weten) dat Macron het zonder de neogaullistische retoriek over de grootheid van de republiek maar juist met een beroep op redelijkheid, gezond verstand en gevoel voor Europa moeiteloos redde tegen Le Pen. Het boek zit historisch goed in elkaar (voor zover ik dat kan beoordelen) maar het is ook een journalistiek boek. Alle grotere en kleinere schandalen van de laatste vijftig jaar passeren de revue.

Hoe Mitterand, van wie fijntjes herinnerd wordt aan zijn oorspronkelijk rechtse opvattingen (hij diende onder Pétain en was volstrekt nationalistisch in de Algerijnse kwestie), misschien wel een aanslag op hemzelf georganiseerd zou hebben om zijn populariteit op te krikken. Hoe Valéry Giscard zich de titel ‘d’Estaing kocht om als zonnekoning in Versailles te zetelen.

 

Het is een spannend boek, waarbij je je om de haverklap afvraagt of het allemaal wel klopt, met vaak verrassende voorliefdes van de schrijfster, die een bewonderaar van Napoleon en van De Gaulle blijkt. De schrijfster houdt van Frankrijk, maar is er van overtuigd, dat er wezenlijke hervormingen (de gemiddelde Fransman gaat nog eerder met pensioen dan een Griek terwijl de levensverwachting daar echt even hard toeneemt als bij ons) nodig zijn. Misschien een zesde republiek?

 

Laurens ten Kate & Marcel Poorthuis (red), 25 Eeuwen theologie, 740 pag. € 39,90, Amsterdam: Boom 2017.

ISBN 9 789461 059307.

 

Op 21 juni wordt dit boek gepresenteerd, maar u kunt het al wel in de winkel kopen of bij een verzendboekhandel bestellen. Zelf had ik het boek al wat eerder, omdat ik er ook een hoofdstukje in mocht schrijven. Het had eigenlijk al minstens een jaar eerder moeten verschijnen, maar de redactie stuitte op veel problemen met gehoopte of toegezegde bijdrages die niet binnenkwamen. Dit had tot gevolg, dat de redacteuren zelf een groot aantal hoofdstukken moesten schrijven, maar ook de leden van het redactieteam waaronder Rinse Reeling Brouwer en Mirjam Elbers moesten stevig aan de bak. Van Rinse vinden we maar liefst acht bijdragen. 25 Eeuwen theologie betekent precies honderd hoofdstukken over verschillende theologen en denkers over religie uit die hele periode. We beginnen bij Mozes en eindigen bij Moltmann. De formule is simpel, maar doeltreffend. Aan alle auteurs is gevraagd om van de te bespreken theoloog één karakteristieke tekst te kiezen en aan de hand daarvan iets (biografisch en theologiehistorisch) te schrijven over die theoloog. De geadviseerde verdeling: tweederde tekst, éénderde toelichting. Gezien de omvang van het boek zult u begrijpen, dat ik het nog niet uit heb en ik vraag me af of ik het ooit van A tot Z uit zal lezen. Als je snel iets wilt weten van een bepaalde theoloog is dit buitengewoon behulpzaam. Het eerste wat ik dacht was: dat is toch al eerder gedaan (ja, ja, natuurlijk er is niets nieuws onder de zon). Bij een snelle inspectie van mijn bibliotheek vond ik er meerdere. Het meest opvallende daarbij was, dat dezelfde uitgever, Boom, nog geen tien jaar geleden de vertaling van de door Friedrich Graf geredigeerde Klassiker der Theologie uitgaf. Die tweedelige uitgave onder de titel 2000 jaar theologie bespreekt dertig theologen (geen m/v, want die dertig zijn allemaal van het mannelijk geslacht). De opmaak van deze nieuwe Boom-uitgave lijkt hier erg op, maar daar worden gelukkig wel een aantal vrouwelijke theologen besproken.

 

Hoewel, het zijn er drie: Hildegard van Bingen, Hadewijch en Dorothee Sölle. Daarnaast moet Clara haar hoofdstuk delen met haar grote vriend Franciscus. Dat hadden er wel wat meer mogen en ook kunnen zijn: zo ontbreekt de ‘grote’ Theresa uit de zestiende eeuw (zij had als Clara toch minstens een rol kunnen spelen als partner en lerares van Johannes van het Kruis) en had onder de moderne theologen toch bijvoorbeeld Schüssler-Fiorenza of Mary Hunt gekozen kunnen worden als vertegenwoordigster van de feministische theologie. Om Dorothee Sölle boegbeeld te laten zijn van feministische, ecologische en radicale theologie is misschien wat zuinig.

Maar wat het meeste opvalt en dit boekwerk misschien wel uniek maakt, is dat in een behoorlijke mate (ruimer dan het vrouwen-aandeel!) ruimte is gemaakt voor Joodse en Islamitische denkers over religie, terwijl ook de voorchristelijke Griekse denkers niet ontbreken. Ooit liet de kerkhistoricus Martin Greschat twee deeltjes het licht zien met de titel Theologen des Protestantismus im 19. und 20. Jahrhundert. Hij koos er vierentwintig en die waren niet alleen allemaal man, maar hadden ook allemaal in het Duits geschreven. Daarmee vergeleken is de veelzijdigheid van deze 25 Eeuwen grandioos.

Ik dacht even aan de collega’s in den lande, die net als ik kerkgeschiedenis geven voor de TVG (Theologie voor Gemeenteleden) cursussen. Die kunnen hier zeker hun voordeel mee doen. Alle teksten zijn in het Nederlands vertaald. Een boek van deze omvang had eigenlijk een gebonden uitgave verdiend, bij paperbacks van deze omvang willen – zeker bij intensief gebruik en het is tenslotte een naslagwerk, waarvan verwacht mag worden dat het regelmatig geraadpleegd wordt – nog wel eens katernen losraken. Daar staat tegenover dat het nu betaalbaar is gebleven.

 

Peter Rollins, Verslaafd aan God, vertaald door Rudolf Kooiman (oorspronkelijke titel The Idolatry of God, London 2012), Vught: Skandalon 2017, 216 pag. € 19,50. ISBN 9 789492 183514.

 

Het Engelse origineel van dit boek kocht ik vorig jaar van Peter Rollins tijdens een workshop in Utrecht. Hij schreef er als opdracht in: “For Wilken, May God aid you of God”. Het is er nog niet van gekomen. God heeft me nog niet definitief van God afgeholpen, maar ik begrijp wat hij bedoelde: er is veel God waar we vanaf moeten worden geholpen: de God die Dietrich Bonhoeffer een ‘Lückenbüsser’, een gaatjesvuller noemde, de goddelijke tovenaar (de titel van Rollins’ laatste nog niet vertaalde boek) die ervoor zal zorgen dat alles uiteindelijk goed komt. De behoefte aan zo’n God, aan zo’n religie is volgens Rollins een verslaving. We kunnen niet zonder, want het is onze manier om (niet) om te gaan met de condition humaine, met het menselijk tekort. Van die verslaving moeten we afgeholpen worden, we moeten leren met God zonder God te leven, we moeten leren het leven met al haar tekortkomingen te omarmen en er met elkaar het beste van te maken. Bij het Engelse boek kregen de kopers er een ministripboekje bij, met een buitengewoon geestig getekend verhaaltje. Honderden diepgelovige christenen beleven zichzelf als levend in apocalyptische tijden en bidden dat ze weggenomen mogen worden uit deze ondergaande wereld. De Apocalyps breekt daadwerkelijk aan en ze worden weggenomen uit de wereld naar een ondefinieerbare plaats, waar ze van God te horen krijgen, dat hun gebeden zijn verhoord, maar dat hij nu naar de wereld gaat om daar te leven met degenen die de aarde trouw zijn gebleven. Het is een grap, want Rollins is gek op grappen (al direct aan het begin van het boek vindt u een prachtige, die ik niet zal verklappen). Nou vooruit één dan: de grap op pag.67, waarmee hij probeert uit te leggen, dat verslaafden (of dat nu aan alcohol of aan God is) in de regel zelf niet door hebben, dat ze verslaafd zijn:

Op een avond krijgt een jonge man, die na een lange en vermoeiende werkdag onderweg is naar huis, een telefoontje van zijn bezorgde vrouw. ‘Schat, wees voorzichtig onderweg. Ik hoorde net op de radio dat een of andere idioot is waargenomen, die heel hard rijdt aan de verkeerde kant van de snelweg’. ‘Sorry, lief,’ schreeuwt hij terug, ‘ik kan nu niet met je praten. Er is niet één idioot, er zij er wel duizend!!!’

Natuurlijk is het een grap, maar zo zitten we wel in elkaar. We gaan volstrekt automatisch uit van ons eigen gelijk. Onze waarneming wordt door dat frame gefilterd. Als iedereen zegt dat het anders is, dan hebben al die andereen ongelijk!

Dat betekent dat leren twijfelen (vooral in de wat strengere geloofsgemeenschappen eigenlijk een zonde, die we af moeten leren) uiterst nuttig is. “Wij twijfelen niet aan ons geloof, twijfel is een uitdrukking van ons geloof”, schrijft de auteur die bij een vorig boek (Insurrection) op het omslag liet zetten: “to believe is human, to doubt divine”. Om positief over twijfel te kunnen denken, is het nodig je behoefte aan zekerheden kwijt te raken. En dat betekent: leren je te verhouden tot de condition humaine, waarin nu eenmaal niets zeker is. In dit verband kan ik opnieuw Herman Meijer citeren, die (hij was toen wethouder wonen in Rotterdam) op de vraag van een journalist over een bepaalde toezegging ‘of hij dat zeker wist’ met een grote grijns antwoordde: ‘Wat is er zeker in dit ondermaanse?’.

Het zal de lezer niet verbazen, wat het favoriete bijbelboek van Rollins is (en niet ontoevallig ook het mijne): het boek Prediker. Kohelet gaat ervan uit, dat het leven geen zin heeft (alles is lucht, alles is ijdelheid), maar als je dat eenmaal vast hebt gesteld is het buitengewoon aan te bevelen, om er maar het beste van te maken (eet, drink, en geniet met degene die je liefhebt), want dat is wat God de mens heeft toebedeeld.

Het boek is net als De orthodoxe ketter voortreffelijk vertaald door Rudolf Kooiman. Geschreven in vlot lopend Nederlands (daarbij geholpen door het feit dat Rollins zijn boek in vlot lopend Engels had geschreven) zonder lange zinnen en zonder voetnoten. Aan het eind van de Nederlandse uitgave zijn discussievragen opgenomen en een vraaggesprek met Peter Rollins.

 

Tenslotte misschien één kleine kritische noot. De Engelse titel luidt: The Idolatry of God. Dat woord ‘Afgodendienst’ zit nu niet meer in de titel. Natuurlijk raakt ‘Verslaafd aan God’ ook aan een belangrijk thema van het boek, maar – zoals Rollins het ook zegt in het vraaggesprek – het gaat hem om de afgodendienst (de centrale zonde in Tenach) en een extra complicatie is dat ook de God van de bijbel of de God van Israël als afgod vereerd kan worden. Ik moest gelijk denken aan het verhaal over het gouden kalf, waar dat niet wordt gepresenteerd als een afgod, een andere god, die de plaats van JHWH inneemt, maar met de woorden: Dit is uw God die u uit Egypte heeft uitgeleid! In navolging van Bonhoeffer zoeken naar een niet-religieuze interpretatie (voor Rollins is wezenlijk dat de kernbegrippen van het geloof opnieuw worden geïnterpreteerd en niet worden weggegooid) is ook religiekritiek en Bijbelse religiekritiek is strijd tegen afgodendienst. Ik kan bijna niet wachten!

 

Frits de Lange, Heilige Onrust. Een pelgrimage naar het hart van de religie, Utrecht: Ten Have 2017, 172 pag.,

€ 17,99. ISBN 9 789025 905545.

 

Wie tot hier toe de Ophef nauwlettend heeft gelezen, heeft in het voorafgaande de sneer gelezen van onze voorzitter aan het adres van ‘Frits de Lange, die met culturele argumenten de hemel afschaft’. Ik denk daar anders over dan onze voorzitter (en hoop hem natuurlijk ook nog van zijn ongelijk te overtuigen) en was vrijdag j.l. (dat was op 2 juni, kunt u nagaan hoe ongelooflijk actueel deze boekenrubriek is) aanwezig bij de presentatie van dit laatste boek van Frits de Lange. De Lange is net als ik en de auteur van het hierboven besproken boek een groot fan van Dietrich Bonhoeffer. Nu zegt dat tegenwoordig niet zoveel meer, want bijna de hele wereld is fan van Bonhoeffer, al hebben ze niet allemaal dezelfde Bonhoeffer voor ogen.

Maar wij drieën houden juist van de Bonhoeffer van de Ethiek en Verzet en Overgave, de Bonhoeffer van de ‘niet-religieuze interpretatie’ en van geloof als ‘er zijn voor anderen’.

Er was al voor het verschijnen de nodige ophef over dit boek. Niet in de laatste plaats door een groot artikel in de weekendbijlage van Trouw, waarin ons in de kop werd meegedeeld dat ‘hoogleraar ethiek Frits de Lange na de persoonlijke God nu ook de hemel had afgeschaft’. De Lange was, zo liet hij afgelopen vrijdag weten (begrijpelijkerwijs) niet gelukkig met die kop, omdat het bepaald niet de kern van zijn betoog raakt. Natuurlijk, het is niet uit de lucht gegrepen, maar je moet (ook als het over de hemel gaat) wel horen wat De Lange zegt. Ik citeer (op pag. 135): Het geloof in het hiernamaals kan ook funeste gevolgen hebben voor de waardering van en omgang met het fragiele en kwetsbare leven. Onrecht, verdriet en pijn worden in hun eenmalige ernst gerelativeerd. Leden van extremistisch religieuze groeperingen doden mensenlevens en offeren hun eigen leven op, omdat een hemelse beloning wacht. Ze hebben nog een leven achter de hand. Beter is het daarom te leven alsof er geen hemel bestaat, etsi coelum non daretur. Eeuwig leven stel ik me ondertussen liever voor als de overweldigende intensivering van het besef in leven te zijn, de ervaring van de rijkdom van het volle leven. Een staat van zijn die niet als een tijdstip op de klok aan te wijzen is, en met geen moment te vergelijken valt. Het is niet met handen te pakken, maar het overkomt je. Eeuwig leven is geen eindeloze tijd, maar is juist in een absoluut ogenblik de onderbreking ervan. Het staat haaks op elke chronologie.

 

Het in het citaat hierboven niet gecursiveerde zinnetje is natuurlijk een variant op Bonhoeffers uitspraak (ontleend aan Hugo de Groot) dat we zouden moeten leven etsi Deus non daretur. Frits de Lange is (net als ik) niet alleen een fan van Bonhoeffer, maar ook van de hierboven besproken Peter Rollins. De ook in Trouw geciteerde uitspraak: ‘ik hoorde een Stem die zei: Ik besta niet’ is dan ook niet van De Lange zelf, maar een citaat van Rollins. Heeft Frits nu behalve de hemel ook God afgeschaft? Nee, natuurlijk niet, maar hij strijdt als Rollins tegen de afgodendienst aan ‘een God die bestaat’, want (opnieuw Bonhoeffer): Ein Gott der es gibt, gibt es nicht). Het is verzet tegen de Lückenbüsser van Bonhoeffer en de X-god van Miskotte. Maar wat dan wel, wat blijft er over van het geloof als het van haar religieuze kleed is ontdaan? Daarover gaat het boek van Frits de Lange. Hij zoekt onder dat kleed van de geïnstitutionaliseerde religie het hart van de religie. En hij kiest daarvoor een oeroude metafoor, die van de pelgrimage. Let wel, het in onze tijd zo immens populaire pelgrimeren is niet de nieuwe vorm van religie, maar is en blijft metafoor. Maar deze metafoor roept andere beelden op dan de klassieke religie. Het vraagt waar je vandaan komt en waar je naar toe gaat en met wie jij de weg wilt delen. Het weet dat het een beroep moet doen op gastvrijheid en dat het daarom ook zelf gastvrij moet zijn. Het leven zelf is een pelgrimsreis en (zoals een andere Bonhoeffer-leerling, de jonge Berlijnse theoloog Ralf Wüstenberg ooit verwoordde met de titel van zijn proefschrift over Bonhoeffer Glauben als Leben) geloven is leven. Niet een pelgrimsreis ‘op weg naar de eeuwigheid’ maar een pelgrimsreis, waarbij de reis zelf het doel is. De ene voet voor de andere zetten, in beweging zijn, dat is metafoor voor leven en dus ook metafoor voor geloven. Ja, zo lijkt Harry Pals te vragen, maar waar blijft dan het Koninkrijk van God? Dat is een goede vraag, maar helaas een gecompliceerd antwoord. Ook dat Koninkrijk van God kan fungeren als de ‘hemel’ in het betoog van De Lange of als ‘het geloof als afgodendienst’ in het betoog van Rollins. Als het geloof in het Koninkrijk verwordt tot de opvatting over ooit een moment dat alles goed zal komen, is het dat. Het Koninkrijk is misschien dat heilige moment, waarop het leven ten volle geleefd wordt (en het heil ervaren). “De komst van het koninkrijk van God laat zich niet aanwijzen, en men kan niet zeggen: ‘kijk hier is het’ of ‘Daar is het!’ Maar weet wel: het koninkrijk van God ligt binnen uw bereik.” (Luc. 17, 20-21). Dit bijbelcitaat komt trouwens niet uit het boek van De Lange, maar uit het boek van Rollins, maar u zult hebben begrepen, dat die twee volgens mij erg verwant zijn. Ik weet bijna zeker dat De Lange de oorspronkelijke versie van het boek van Rollins gelezen heeft (al staat het niet in de literatuurlijst). Er is iets gaande en het is volgens mij een spannende ontwikkeling. Het feit dat de beweging van Rollins vooral twintigers en dertigers inspireert (ik had, geloof ik, al eerder verteld, hoe oud ik me voelde op zijn workshop), geeft mij goede moed. Dat Frits de Lange deze ontwikkeling onderkend heeft en er (er waren al eerder opzienbarende artikelen van hem in Trouw) ruchtbaarheid aan geeft, pleit voor hem. Ik zie ook wel verschillen. Hoe raar het ook klinkt, ik heb de indruk dat Rollins (ondanks zijn ‘pyrotheologie’ van de-fik-erin) meer van dogmatiek houdt dan De Lange. Hij wil al die oerbegrippen als (erf)zonde, verzoening, verlossing, opnieuw doordenken en herinterpreteren terwijl De Lange er misschien toch vooral vanaf wil. In die zin heb ik nog meer met Rollins. Ik heb veel tegen dogmatisme, maar niets tegen dogmatiek en ik houd van dogma’s, maar dan wel als denkmodellen en niet als absolute waarheden.

 

De “Nieuwe Boeken”-rubriek uit Ophef 2017/1

In het Ophefnummer 2017/1 worden door Wilken Veen de volgende boeken besproken:

 

Roel Pomp, Op de Uitkijk. Messiaans geloven, Gorinchem Narratio 2016, 140 pag., € 15,00. ISBN 978 90 5263 9437.

 

Hij is al een heel stuk in de tachtig en is met recht een van de veteranen van onze vereniging en van haar voorganger C.v.S (en natuurlijk ook van de Christelijke Vredesconferentie). Een vorig boek van Roel Pomp (ik dacht ‘het vorige boek’ maar dat durf ik niet goed te schrijven, want misschien heb ik er één of meer gemist) Langs de rand van de kerk is uit 1980 en bevatte artikelen over zijn ervaringen in het industriepastoraat en de Kritische Gemeente IJmond. Een revolutionair boek over de noodzaak van solidariteit, waarin begrippen als ‘klassenstrijd’ bepaald niet werden gemeden. Er is veel gebeurd in de meer dan vijfendertig jaar sindsdien en Roel Pomp schrijft niet meer zoals hij dat toen deed. Natuurlijk niet, want de wereld is anders geworden en de taal van toen zou niet meer overkomen. Hij staat op de uitkijk (het omslag biedt een foto van een uitkijkpost zonder bronvermelding, ik vermoed ergens op de Veluwe); als Mozes kijkt hij “naar het land van belofte”. Mozes zou er niet binnentrekken en Roel zal ook wel zijn twijfels hebben, maar hij trekt wel op er naar toe! Dat is geloven, messiaans geloven! Een boek geïnspireerd door Kleijs Kroon is het geworden en je begrijpt dat dit voor mij als derde en voor nu laatste opvolger van Kleijs Kroon als predikant van Tenach en Evangelie ontroerend is. Hij vond zijn aantekeningen terug van de bijbelcursussen die Kroon (ik veronderstel in de jaren zeventig) hield voor de arbeiders van de Hoogovens, waar Roel Pomp toen als industriepastor werkte. Roel besloot niet die oude aantekeningen uit te geven, maar ze als basis te gebruiken voor zijn eigen verhalen. Zo werkt traditie, je leert van je voorgangers en geeft het door in je eigen woorden voor mensen in een latere tijd. Kleijs Kroon over de Hebreeën en we weten bij benadering wat hij daarover heeft gezegd, want Bert ter Schegget heeft Kroons preken over Hebreeën 11 en 12 in 1996 bewerkt en uitgegeven. Het eerste hoofdstuk in dat boek heet “Wat is geloof” en in dat hoofdstuk legt hij uit dat ‘geloof’ eigenlijk meer een werkwoord dan een zelfstandig naamwoord is. Roel Pomp heeft goed geluisterd. De ondertitel van zijn boek luidt niet ‘messiaans geloof’ maar ‘messiaans geloven’. “Geloof in bijbelse zin is alleen maar: geloof! Er zijn geen soorten van geloof , christelijk of joods of islamitisch geloof. Je gelooft of je gelooft niet, je hoopt of je laat het zitten.” Messiaanse volharding heette het boek van Kroon en inderdaad die ene manier van geloven (dat je er fiducie in hebt en dat niet opgeeft) dat is messiaans. Nu Roel Pomp al aanmerkelijk ouder is dan Kleijs ooit geworden is mogen we hem eren als iemand die net als Kleijs volhard heeft in dat geloof. De hoofdstukken in zijn eerste boek werden afgesloten met een gedicht. Nu zijn alle hoofdstukken bijna een gedicht geworden. Ook de ‘proza-gedeelten’ zijn poëtisch, meditatief. Wat is geloof? Je kunt die vraag eigenlijk niet beantwoorden, je kunt alleen maar, net als de schrijver van de Hebreeënbrief, vertellen wat geloof doet en dat doe je door de verhalen te vertellen van die gelovigen: Abel, Henoch…, dat doe je steeds opnieuw en met nieuwe woorden, zodat ook mensen het kunnen volgen, die niet met die verhalen groot zijn geworden. Over veertig of vijftig jaar, zo droom ik, vindt iemand het boekje van Roel Pomp en besluit er een nieuw boek van te maken, geïnspireerd op de verhalen van Roel Pomp, maar in een heel andere, nieuwe taal, die wij nog moeten leren spellen. Zou het de taal zijn, waarvan Bonhoeffer in Widerstand und Ergebung (in zijn doopbrief voor de naar hem vernoemde Dietrich Bethge) schrijft: “Het zal een nieuwe taal zijn, volkomen areligieus misschien maar bevrijdend en verlossend als de taal van Jezus; de mensen zullen ontsteld zijn, maar zich gewonnen geven aan haar kracht; een taal van een nieuwe rechtvaardigheid en waarheid, een taal die vrede verkondigt tussen God en de mensen en de nabijheid van zijn Rijk.”?

 

Dieuwke Parlevliet, Het zeeparfum van oom Francois, Zierikzee, Stichting Zeeuws Blauw 2016, 219 pag. € 17,50. ISBN 978 90 8248 9200.

 

Met theologie heeft dit boek schijnbaar weinig van doen, behalve dan dat het door een theologe is geschreven en misschien dat goede verhalen, verhalen waarin gevoelens en gedachten op een overtuigende en beeldende wijze worden beschreven, altijd iets theologisch hebben, omdat het leven zelf tot onderwerp wordt gemaakt. U vermoedde het al aan de titel: het is een kinderboek, bekroond als het beste jeugdboek met de Zeeuwse boekenprijs 2016. Ik had de schrijfster beloofd, dat ik het zou voorlezen aan mijn oudste kleinzoons, maar dat kwam er niet meer van (de oudste is tien en wil met opa scrabbelen en schaken), dus die moeten het maar zelf een keer lezen. Misschien is het ook meer een ‘zelfleesboek’ dan een ‘voorleesboek’. Het is namelijk een spannend boek en de hoofdpersoon, Rafy (oom Francois is eigenlijk zijn oudoom) is met recht een speurneus. Hij gaat op zijn neus af, want hij heeft een goede neus voor geuren. Hij is, om zijn oudoom te helpen, op zoek naar de ontbrekende geur voor het zeeparfum. Die neus heeft hij ‘geërfd’ van oom Francois, die rijk is geworden met het samenstellen van parfums, omdat hij ook zo’n ‘goede neus’ had. Het verhaal is voor de kinderen, die het boek moeten lezen, de plot zal ik niet verklappen. Ik houd het op de ‘theologie’ van het boek. Een mens moet een doel hebben in het leven en daarbij kan hij de lat nauwelijks te hoog leggen. We zoeken naar de perfecte geur, de geur die de vreugde van het aardse leven in al zijn facetten tot uitdrukking kan brengen. Gemeenheid en onbegrip willen ons daarvan afhouden, maar uiteindelijk vinden we haar en, om met Deuteronomium te spreken, het is niet te hoog en niet te diep, het is vlak onder onze voeten, maar je moet er wel een neus voor hebben! Dat het een multicultureel boek wil zijn en dat Rafy dus speelt en zoekt met mensen die de meest exotische namen dragen en even exotische vruchten en geuren ontdekt, is prachtig, maar maakt het misschien ook wel net een beetje moeilijker voor kinderen, die proberen het zelf te lezen. Hoe lang moet je kunnen lezen om in één keer het woord ‘bergamotappeltjes’ te begrijpen.

 

Joke van der Velden, Veertigdagenkalender 2017: onder de pannen, Gorinchem Narratio 2017, € 3,50. ISBN 978 90 5263 966 6.

 

Joke van der Velden, één van mijn favoriete ex-collega’s uit Amsterdam maakt ze al jaren: Veertigdagenkalenders. Ik besprak ze nog niet eerder, maar nu het me expliciet door onze uitgeefster werd gevraagd, voldoe ik graag aan dit verzoek. Het thema is ‘onder de pannen’ en het gaat dus over onderdak, dakloosheid, geborgenheid, huis. De zondagen hebben steeds twee pagina’s, de overige dagen elk één. Soms wordt een bijbelgedeelte uitgelegd, heel vaak een verhaaltje verteld of een lied of een gedicht afgedrukt. Er staan een paar recepten in, een gebed, een spelletje en een doe-ding. Achter in de kalender staat een verantwoording, maar bij bijna de helft van de teksten ontbreekt die, ik neem aan dat we het in dat geval met teksten van Joke te maken hebben. Daarbij hoort ook het verhaaltje van twee maart, dat wat mij betreft een van de mooiste is: een vader scheurt voor zijn kind, dat hem wil helpen de wereld te verbeteren een wereldkaart uit een tijdschrift in stukken. Hij veronderstelt dat ze daarmee wel even zoet zal zijn, maar het kind is in no time terug met een perfect in elkaar geplakte kaart. Op de achterkant van de kaart stond een foto en toen de kaart te moeilijk was heeft ze hem omgedraaid en eerst de afbeelding van de mens op de foto in elkaar geplakt, omgedraaid klopte de kaart toen ook: Moraal van het verhaal: herstel eerst de mens, dan komt het met de wereld ook wel goed. Iedere dag iets om over na te denken. De kinderverhalen op de zaterdagen zijn van Jantine Heuvelink, Jokes opvolgster in de Amsterdamse Oranjekerk, ze heeft er vast niets op tegen als je ze gebruikt voor de (klein)kinderen thuis of in een kinderpreek op de zondagmorgen. Als u dit leest, is het al bijna Pasen, maar… een goede kans, dat Joke volgend jaar weer een kalender maakt.

 

Henk Manschot, Blijf de aarde trouw. Pleidooi voor een nietzscheaanse terrasofie, Vantilt Nijmegen 2016, 206 pag., € 19,95. ISBN 978 94 6004 2904.

 

Henk Manschot, in de tijd dat ik in Utrecht studeerde docent filosofie en ethiek aan de KTHU en inmiddels emeritus-hoogleraar filosofie van de Utrechtse universiteit voor humanistiek, heeft een boek over ecologie geschreven. Henk is filosoof en gespecialiseerd in de geschiedenis van de filosofie, dus toen hij dat plan had opgevat, onderzocht hij eerst, welke filosofen zich met ecologie hadden bezig gehouden en hij kwam uit bij Nietzsche, die ooit de universiteit vaarwel zei om de natuur in te trekken en daar verder te denken over en te schrijven aan zijn filosofie. Henk was al met pensioen en had dus de mogelijkheid om Nietzsche achterna te reizen en dat deed hij ook, met de belangrijkste boeken van Nietzsche in zijn bagage trok hij de Alpen in en bezocht de plaatsen, die meer dan een eeuw eerder door Nietzsche waren bezocht. “De aarde is ziek en die ziekte heet de mens” schreef Nietzsche en Manschot zegt het hem na. In (vrijwel) alle filosofie staat de mens centraal, maar het zou beter zijn een filosofie te schrijven, waarin de aarde centraal staat, een ecologische filosofie, die uit is op het behoud van de aarde (en daarmee indirect natuurlijk ook het behoud van de mens op de aarde). Het belangrijkste boek, waarin Nietzsche zijn opvattingen over de aarde en de natuur heeft vastgelegd is: Also sprach Zarathustra. Henk leest dit als een mystiek boek, dat gebaseerd is op ervaring en waarin hij veel van zijn eigen (franciscaanse) spiritualiteit herkent. Het is in de regel gebruik om de door Nietzsche geijkte term ‘Übermensch’ onvertaald te laten en ieder denkt dan onmiddellijk aan de nazi’s, die over ‘Über- en Untermenschen’ spraken en daarmee de term van Nietzsche misbruikt en voorgoed bedorven hebben. Om daaraan te ontkomen vertaalt Manschot met ‘bovenmens’ en zet het daarmee terug in de nietzscheaanse denkwijze, waarin de bovenmens degene is, die geen genoegen neemt met de vanzelfsprekende gang der dingen, maar op zoek gaat naar zin, naar het hogere en zodoende het contact met zijn natuurlijke zijn herstelt. Het boek start overigens met een prachtige tweet van Obama, die ik nog niet eerder had gelezen en graag met jullie deel: “Wij zij de eerste generatie die de effecten voelt van de klimaatverandering en de laatste generatie die er iets aan kan doen”. Als jullie deze Ophef in handen krijgen is 15 maart voorbij, dat is in zekere zin jammer, want het zou zinnig zijn de overwegingen van Manschot mee te nemen in het stemhokje, maar ze zijn ook daarna nog minstens even actueel.

 

Michael Beintker / Georg Plasger, / Michael Trowitzsch ed., Karl Barth als Lehrer der Versöhnung (1950-1968), Theologischer Verlag Zürich 2016, 566 pag., € 75. ISBN 978 3 290 17833 8.

 

Zoals ik eerder schreef bij de verschijning van het vorige deel over Barth in de jaren 1935-1950: Of ooit de grote, alles omvattende biografie van Karl Barth zal verschijnen is de vraag, maar het werk dat de uitgevers van deze reeks tot stand hebben gebracht is een waardige vervanging. Christian Link, die de vorige twee delen samen met Beintker en Trowitsch uitgaf is – hij was veruit de oudste van het trio – nu teruggetreden en opgevolgd door Georg Plasger, de mede-uitgever van het Zeitschrift für dialektische Theologie. De driedelige serie is nu compleet en de formule is simpel: met Barth verwante theologen uit de hele wereld worden gevraagd om een bijdrage te schrijven over een thema uit een bepaalde periode van Barths theologische existentie. Deze bijdragen worden gepresenteerd op een internationale conferentie en vervolgens in boekvorm uitgegeven. De organisatoren (ik zal het niet hebben over Duitse ‘Pünktlichkeit’) houden kennelijk van orde en regelmaat. De bijdragen voor het eerste deel (Karl Barth in Deutschland 1921-1935) werden gepresenteerd op 1 tot 4 mei 2003, die voor het tweede deel (Karl Barth im europäischen Zeitgeschehen 1935-1950) op 1 tot 4 mei 2008 en die voor dit deel op 1 tot 4 mei 2013. Alle conferenties werden gehouden in de Johannes a Lasco Bibliothek in Emden. En zo zat er ook vanaf het begin een Nederlands tintje aan, want in Emden werd in 1571 de Nederduits Gereformeerde Synode gehouden, die wel beschouwd zou kunnen worden als de oprichtingssynode van onze vaderlandse kerk. Vanaf het begin hebben er ook Nederlandse theologen geparticipeerd. Een groot deel van de scribenten behoort ook tot de regelmatige deelnemers aan de Nederlands-Duitse Barth-Tagungen, die ook dit jaar weer in De Glind bij Barneveld zal worden gehouden. Op de vorige Barth-Tagung zou Magdalene Frettlöh spreken, maar zij was op het laatste moment door ziekte verhinderd. Hoe jammer dat eigenlijk was, begrijp ik nu uit de degelijke maar ook buitengewoon geestige (en langste) bijdrage, die zij voor deze bundel schreef. Laat de titel van die voordracht even op u inwerken: “Von weisheitlicher Theanthropologie und vergnügten TheologInnen – oder: der Heilige Geist als Tanzlehrer. En dan de zakelijke inhoud als ondertitel: “Notizen zu Karl Barths > Einführung in der evangelische Theologie<”.

Misschien kan ik de kern van deze bijdrage duidelijk maken door de titel uit te leggen. Het woord ‘weisheitlich’ staat niet in Duden, ik begrijp het als verwant aan de Bijbelse wijsheidsliteratuur (in het Duits ook wel aangeduid als ‘weisheitliche Literatur’). ‘Theanthropologie’, het door Barth voor het eerst in zijn Einführung gebruikte begrip, werd in 1971 door Bert ter Schegget  uitgelegd in het hoofdstuk “Kritiek der god-menskunde” in Partijgangers der armen. Het is (als theologie) spreken over God, maar nader gepreciseerd: spreken over die God, die niet zonder mens wil zijn (hebben we ook hier nog een stukje Breukelman).  En het gaat over de mensen voor wie deze ‘wijsheid-achtige god-menskunde’ bedoeld is: ‘vergnügte TheologInnen’ theologen (m/v) die in die zin genoegen scheppen in de theologie en genoeg hebben aan de theologie, dat ze deze theologie niet laten domineren of beteugelen door wetenschappelijke criteria van buiten de theologie. Zo laten ze zich door de Heilige Geest de eerste pasjes leren van de dans die theologie heet. Tegelijk wil Magdalene Frettlöh ook duidelijk maken, dat ze speels en dansend om wil gaan met Barth als leraar en met zijn theologie. Het is, zo zegt ze, altijd ‘Kampf und Tanz’. Je speelt ermee, je leeft erin, maar je moet het soms ook tegenspreken. Mij lijkt dat iedere vrouw die Barth leest dit in meerdere of mindere mate zal herkennen. En omdat dit zo is, zou het ook voor mannen moeten gelden. Omdat je dit soort bundels in het korte bestek van deze rubriek nu eenmaal nooit helemaal recht kunt doen, koos ik ook nu één voordracht. Daarmee is niets ten nadele van de andere bijdragen gezegd. In het bijzonder die van Rinse Reeling Brouwer over Barths politieke opstelling ten tijde van de koude oorlog is zeker voor alle (voormalige) christenen voor het socialisme zeer de moeite waard.

 

Eginhard Meijering, Karl Barth: Geloven in de levende God. Deel I: De drie-enige God, uitgave in eigen beheer, z.p. 2016, 248 pag. € 17. ISBN 978 94 92475 87 9.

 

Nadat eerder door hem de 17e paragraaf  van de KD (Religie is ongeloof) werd vertaald en ingeleid, heeft Meijering dat nu gedaan met de paragrafen 8 tot en met 12 over de drie-eenheid van God. Dat eerdere boek werd heel mooi gebonden, met omslag en leeslint, uitgegeven, dit tweede boek werd in eigen beheer uitgegeven (wie zelf plannen heeft, kijke eens rond op de website van Pumbo.nl, die het boek voor Meijering drukte), simpeler (maar evengoed keurig) en een stuk goedkoper. Naast een vertaling van de genoemde paragrafen, waarbij de paginering van het origineel wordt aangegeven, zodat je altijd even snel kunt kijken, wat er nu precies in het Duits stond, geeft Meijering z’n eigen visie in inleiding, voetnoten en een korte slotbeschouwing, waarin hij duidelijk maakt, dat je geen Barthiaan hoeft te zijn, om het werk van Barth met grote bewondering te lezen. En dat moet natuurlijk ook wel als je de tijd neemt om een zo gecompliceerde tekst zo zorgvuldig te analyseren en te vertalen als Meijering gedaan heeft. De titel op het omslag is wat verwarrend. Het tweede hoofdstuk van de KD heet: ‘Die Offenbarung Gottes’ en daarvan is de ‘erster Abschnitt’: Der dreieinige Gott. In plaats van ‘De openbaring Gods’ heet de vertaling van Meijering: ‘Geloven in de levende God’ terwijl de ondertitel: ‘Deel I: de drie-enige God’ weer een keurige vertaling is. Het is dan ook heel erg de vraag, wat we in de (eventuele) volgende delen mogen verwachten, willekeurige andere KD-fragmenten of de volgende paragrafen (13-16) uit KD II/2. Gegeven het feit, dat ook theologiestudenten tegenwoordig niet meer noodzakelijkerwijs Duits in hun pakket hadden, is dit een welkome uitgave. Doordat Meijering in zijn vertaling bijna altijd de zinsconstructie van Barth intact laat, blijf je – ook als je zijn vertaling leest – het gevoel houden dat je Barth leest. En als je houdt van Barth lezen, is dat buitengewoon prettig.

 

Omwille van de ruimte en ook, omdat ik het een beetje gênant vind om boeken aan te bevelen, waar ik zelf in geschreven heb, noem ik nog twee recent verschenen boeken zonder die te bespreken:

Michael Basse / Gerard den Hertog ed., Dietrich Bonhoeffer und Hans Joachim Iwand – Kritische Theologen im Dienst der Kirche, Vandenhoeck & Ruprecht, Göttingen 2017, 364 pag., € 90,00 (sic), ISBN 978 3 525 56452 3.

Arnold Huijgen / Eric Peels / Cees-Jan Smits ed., Schuld en vrijheid. Opstellen aangeboden aan Prof. dr. G.C. den Hertog, Boekencentrum Zoetermeer, 2017, 352 pag. € 29,90. ISBN 978 90 239 7134 4.

 

 

 

 

 

 

 

De “Nieuwe Boeken”-rubriek uit Ophef 2016/4

In het Ophefnummer 2016/4 worden door Wilken Veen de volgende boeken besproken:

 

Rinse Reeling Brouwer, Eeuwig Leven. Agamben & de theologie, Amsterdam, Sjibbolet 2016, 74 pag. € 15,50. ISBN 978 94 9111 028 3

 

Dagblad Trouw had de indruk (ik zeg het maar in mijn eigen woorden) dat het hier ging om een gesprek tussen twee professoren, waar een gewoon mens niets van zou kunnen begrijpen. Zonder mezelf als gewoon mens aan te willen duiden, ben ik het daar toch volstrekt niet mee eens. Het boek is niet eenvoudig, omdat het een moeilijk onderwerp is en de filosofie van Agamben gecompliceerd lijkt door zijn grote belezenheid (wat natuurlijk evenzeer van zijn gesprekspartner geldt) en de argumentatie die hij uit alle mogelijke hoeken en gaten aandraagt. Maar als het erom gaat, die ingewikkelde materie zo helder mogelijk aan de orde testellen, heeft Rinse een geweldige prestatie geleverd. Bij de presentatie (op 22 november j.l.) hebben de aanwezigen nog eens kunnen ervaren, hoe hij die materie in zijn vingers en in zijn hoofd heeft en hoe gemakkelijk hij heen en weer springt door het werk van Agamben om hem vooral zichzelf uit te laten leggen. Dat in dit tweegesprek Rinse de theoloog en Agamben de filosoof is, is maar betrekkelijk. Rinse speelt die rol en laat Agamben dus die andere rol spelen, maar wie het Spinozaboek van Rinse en het Romeinenboek van Agamben heeft gelezen, weet dat die rollen enigszins verwisselbaar zijn. Rinse is al sinds jaren een groot liefhebber van Agamben, dat hebben we ook kunnen zien aan de inleiding die hij destijds hield bij de (eveneens door Sjibbolet uitgegeven) Nederlandse vertaling van Pilato e Gesú en zijn Agamben-verhaal voor het Amsterdamse leerhuis. Een boekje over Agamben van zijn hand moest er dus wel een keer van komen en ik heb begrepen, dat het de uitgeefster van Sjibbolet (een éénvrouwsbedrijf in Amsterdam) was, die hem hiertoe aangespoord heeft. Wat Rinse en Ageamben bindt is vooral de liefde voor Walter Benjamin (Agamben is de bezorger van de Italiaanse uitgave van zijn werk). Agamben is – voor zover een wetenschapper dat in deze tijd nog kan zijn – een generalist. Hij argumenteert als filosoof met gegevens die hij ontleent aan de geschiedschrijving of de literatuur en (ja, ja, de Cliteurs van deze aarde mogen met de oren klapperen) vindt het de normaalste zaak van de wereld om ook dogmatische redeneringen serieus te nemen. Natuurlijk niet serieus te nemen, in die zin dat hij de dogma’s overneemt, maar serieus te nemen als een manier van denken en spreken, die vele eeuwen bepalend is geweest voor het menselijke denken en spreken over zichzelf en zijn wereld. Dat daar een werkelijkheid aan ten grondslag ligt (die van de zending van Messias Jezus, zegt Rinse) of (zoals Agamben denkt) alleen een mogelijkheid? Met het voorbehoud ten aanzien van die werkelijkheid, dat ik toch ook bij Marquardt (zeker, van hem is Rinse ook een groot liefhebber) meen gehoord te hebben, had Rinse misschien wat dichter bij Agamben kunnen blijven. Het moet nog blijken, de waarheid is een eschatologische (en dat zou je dus ook een mogelijkheid kunnen noemen). Dat Agamben misschien ook in dit verband heeft gedacht aan het Bonhoefferse onderscheid tussen het laatste en het voorlaatste (en “we leven in het voorlaatste, zo is het toch?” schreef Bonhoeffer), spreekt daarvoor. Het is maar een heel klein kritiekpuntje, eigenlijk niet eens kritiek, maar eerder een ander accent in een werkelijk indrukwekkend knap boek. Inhoudelijk op alle aan de orde gestelde thema’s ingaan, is ondoenlijk, want ondanks (of misschien ook dankzij) de beperkte omvang is het toch een breed opgezet boek, dat bijna ongemerkt (de verschillende paragrafen lijken op zichzelf staande onderwerpen) toch toeleidt naar één centraal thema: het eeuwige leven, de bestemming van de mens, zoals dat al in de schepping aan de orde is. Een werkelijkheid of een mogelijkheid? Laat de spanning (en ook het gesprek erover) maar bestaan, daar worden we wijzer van.

 

Rikko Voorberg, De dominee leert vloeken. Over woede, onmacht en daadkracht, Amsterdam, Arbeiderspers 2016, 204 pag., € 18,99. ISBN 978 90 2950 585 7

 

In Amsterdam, waar ik als predikant van het leerhuis van de PKA actief ben, lopen naast dominees ook pioniers rond. Ze vervullen allemaal heel verschillende functies, maar wat ze gemeenschappelijk hebben is dat ze proberen op een andere, alternatieve manier present te zijn in de samenleving. Rikko Voorberg is betrokken bij Stroom West, een kunstenaarscollectief, dat ik – misschien moet ik zeggen, tot mijn schande – niet kende, maar na lezing van zijn boek, herinnerde ik me plotseling, dat een paar mensen van Stroom West – ik was eerst zo dom om ze voor een evangelicale kerkplantersclub aan te zien – aanwezig waren bij de workshop van Peter Rollins in Utrecht. En natuurlijk, de keuze om het denken over geloof (en ongeloof) en wereld vorm te geven met kunst, met muziek, met toneel, lijkt erg of het Icons-project van Rollins. “Ook buiten de kerk is kerk”, zei Dorothee Sölle ruim vijftig jaar geleden op een Kirchentag in Hamburg. Inmiddels denk ik, dat die alternatieve projecten – als ze daar geen behoefte aan hebben – wat mij betreft ook helemaal geen kerk meer hoeven te heten. Zelf ben ik te zeer verknocht aan de kerk en meer nog aan de mensen in die kerken om mijn  heil nog elders te zoeken, maar ik ben wel blij dat het gebeurt en neem me voor dit proces intensiever te gaan volgen, misschien zijn er af en toe raakvlakken. Rikko Voorberg is theoloog en hij schaamt zich er niet voor. Zijn taal is die van een nieuwe generatie (inderdaad, qua leeftijd had hij mijn zoon kunnen zijn), maar bepaalde kernbegrippen wil hij niet kwijt. Dat het in de meeste kerken niet meer over zonde gaat (klopt, dat is ook mijn ervaring), is een gemis, want we kunnen onze frustratie niet meer kwijt over alles wat er mis gaat (over ‘de menselijke neiging om alles te verkloten’). We moeten weer boos durven zijn, misschien ook vloeken (ik heb daar slechte ervaringen mee, maar dat komt, omdat ik wel nog steeds in die traditionele kerk rondloop), we moeten de opwelling om iets te doen aan geweld, aan discriminatie, aan onrecht, niet heel verstandig wegredeneren. Rikko Voorberg doet het en neemt er anderen in mee. Zoals Tinkebell (lid van het collectief) in een opwelling naar Afghanistan ging, zo gaat Rikko Voorberg met haar mee naar Lesbos en doet daar een onuitwisbare ervaring op. Ik was bij lezing (het leest als een trein) soms ontroerd, omdat ik terugdacht aan de jaren zeventig toen we nog jonge revolutionaire theologen waren en bedacht, hoe verstandig en voorzichtig we waren geworden. Nee natuurlijk niet half zo verstandig en voorzichtig als de kerkleiding in Utrecht, die werkelijk nergens meer boos over wordt en zich dus ook nooit helder uit zal spreken, zelfs niet over Wilders en zijn club, maar toch… Op de landelijke vergadering van VTM hadden we het erover, waar er nu beweging is, waar iets gebeurt op het vlak van een werkelijk maatschappelijke theologie. Of ze iets met VTM (in hun ogen zijn wij waarschijnlijk toch ‘old school’) willen, is de vraag, maar ze zijn er wel! En dat is goed, ook als het buiten de kerk om, ja zelfs als het buiten de VTM om gaat!

 

Maria de Groot, Het drievoudige pad. Leerling, pelgrim, sterveling, Leeuwarden, Elikser 2016, 228 pag., € 19,50. ISBN 978 90 8954 894 8

 

Eigenlijk ben ik, om het Amsterdams te zeggen, ‘niet zo mystiek aangelegen’, maar sinds jaar en dag maak ik direct een uitzondering voor twee mystica’s van mijn tijd, Dorothee Sölle en Maria de Groot, waarbij de eerste een maatschappelijk theologe was, die ook (veel) aandacht had voor de mystiek en de tweede een mystica is, die ook altijd oog heeft voor de maatschappij. In 2003 schreef ze Hoe ver de weg nog is, een bundeling van de mystieke gedichten uit haar eerder verschenen dichtbundels en in 1988 Messiaanse ikonen, een schitterend boek over het Evangelie van Johannes, waarin ze de ‘ik ben’-woorden van Jezus als uitgangspunt nam. Ik preek zelden over Johannes zonder dat boek uit de kast te halen. En nu, op gevorderde leeftijd, schrijft ze dit prachtige boek, waarin ze als een wijze vrouw spreekt over de belangrijkste dingen uit het leven. Ik zeg dat als een compliment, want ze komt in dit boek als een wijze vrouw over, maar ook naar aanleiding van haar gewoonte om ‘Vrouwe Wijsheid’ sprekend in te voeren en wijze woorden te laten zeggen. Ik ken natuurlijk het gebruik om de Geest aan te duiden als Vrouwe Wijsheid, maar in de uitleg van het prachtige verhaal over Prins Kalkoen, schrijft Maria de Groot: “Wie is de wijze? Het kan een vriend of een therapeut zijn. Maar het kan ook de wijze zijn in onszelf, de integere, nederige, geduldige mens die wij, kalkoenen, ook zijn”. Ik begrijp, het is Maria de Groot zelf die als Vrouwe Wijsheid spreekt, maar je zegt niet zo maar ‘ik’, want je weet, dat je die wijsheden aangedragen krijgt, uit de Geest, uit wat je geleerd hebt van je leermeesters m/v, uit de heilige boeken. Een mens is leerling, pelgrim, sterveling. Hij/zij ‘lernt’ veel, zoekt als een pelgrim haar of zijn weg en beseft uiteindelijk een sterfelijk mens te zijn. Die drie fases hebben wel een volgorde, maar ze lopen ook door elkaar, want leren doe je een leven lang, zoals je ook heel je leven als pelgrim op weg bent en steeds opnieuw tot het inzicht komt, dat je een sterveling bent, wat je nederig maakt en open voor het contact met de Eeuwige. Hoewel Maria de Groot onbekommerd haar wijsheden put uit diverse bronnen (Bijbel, Koran, Kabbala, Boeddhisme, Zenmeesters etc.) gaat ze uit van haar eigen traditie en neemt de twee meest centrale teksten uit het eerste en het tweede testament, de Tien Woorden en het Onze Vader, en die beide met elkaar gecombineerd en in elkaars licht uitgelegd, als uitgangspunt. Ondanks een gestructureerde opzet, is het een speels boek, waar allerlei genres, gedachten en gedichten ook vrolijk door elkaar heen lopen. En zomaar daartussen door een briljante exegese (pag. 138-146) van Num. 27, 1-11, het verhaal van de vijf dochters van Selofchad, die als hun vader sterft zonder zonen, van Mozes erfrecht als dochters vragen… en krijgen. Hoewel we Maria de Groot, die volgend jaar tachtig wordt, nog een prachtig lang en werkzaam leven toewensen, zou dit zomaar haar magnum opus kunnen zijn, een laatste boek, waarin een leven lang ‘lernen’ en ‘lehren’ is samengebracht. Ook als je, net als ik, niet zo mystiek bent aangelegd, raad ik dit boek toch ten zeerste aan.

 

Herman de Liagre Böhl, Miskotte, Theoloog in de branding, 1894-1976, Amsterdam, Prometheus 2016, 360 pag., € 35. ISBN 978 90 351 4480 4

 

Hij is er, de biografie van Miskotte! Na Gerrit de Kruijfs dissertatie Heiden, Jood en Christen over de theologie van Miskotte en Mans Miskottes Niet te vergeten Miskotte, met herinneringen aan zijn vader, is er nu een echte biografie, geschreven door een biograaf van naam en faam (hij schreef eerder biografieën van Herman Gorter, Floor Wibaut en Han Lammers, bij de presentatie zei hij: Miskotte past goed in dat rijtje, want die was ook socialist). En het resultaat mag er wezen! Voor de omvang van de informatie (Miskotte schreef een veertigtal boeken, ontelbare artikelen en meer dan tienduizend pagina’s dagboek) is het een betrekkelijk dun boek geworden, maar daar zit ook de kracht in. Dat het wezen gevat wordt en zo duidelijk gemaakt wordt, wie Miskotte was, wat hem bezighield en wat de kern was van wat hij gezegd en geschreven heeft. Er is in diverse besprekingen al vaak op gewezen (en terecht meestal in positieve zin) dat De Liagre Böhl geen theoloog is, maar historicus. In de meeste gevallen wordt geconstateerd, dat dit geen nadeel is, omdat het boek hierdoor het theologische jargon volledig mist en ook voor niet-theologen goed te lezen is. Dat onderschrijf ik graag, maar ik zie ook een heel klein minpuntje. Dat hij geen theoloog is, is inderdaad geen probleem, dat hij niet gelovig is waarschijnlijk ook niet, maar dat hij geen kerkganger is en daardoor niet zomaar aanvoelt, wat er zich in een kerkdienst tussen voorganger en gemeente af kan spelen, is wellicht wel van belang. Als hij in de dagboeken leest, dat Miskotte zich wel geërgerd heeft aan het gebrek aan diepgang bij zijn gemeenteleden in de Jordaan en aan het feit dat hun kinderen niet naar de catechese komen, schrijft hij “Uit wat is overgeleverd, blijkt dat hij zich in die buurt per se niet thuis voelde en dat hij er evenmin geaccepteerd werd”. Natuurlijk, als je het afzet tegen de tweede Amsterdamse periode, waar hij predikant is voor de randkerkelijke intellectuelen in Zuid, waar hij zich als een vis in het water voelde, zou je zoiets kunnen schrijven, maar het is te absoluut. Miskotte heeft ook van de Jordaan gehouden, in de dagboeken lees je ook hoe hij de plat-amsterdamse of jiddische liedjes overschrijft en probeert te begrijpen. Zijn bezoekwerk (zes tot acht bezoekjes op een morgen was geen uitzondering) leidde wel eens tot irritatie, maar meestentijds sprak mij met liefde over zijn pastoranten.

Een wezenlijk onderdeel van de biografie is, dat daarin uitvoerig wordt gesproken over het persoonlijke leven van Miskotte. De dagboeken, schrijven daar ook wel degelijk over, maar de tot nu toe door Miskottes kinderen en Ad den Besten gepubliceerde dagboeken (die daarom in het Verzameld Werk ook zijn aangeduid als “Uit de dagboeken”) laten die gedeeltes vrijwel helemaal achterwege, zoals ze ook in het voorwoord van de eerste uitgave, VW4, uitleggen. Dat het huwelijk met zijn eerste, in 1946 overleden vrouw Cor niet altijd rimpelloos was, was daarom tot nu toe niet gedocumenteerd (of dat wel had gemoeten, ik weet het niet), maar De Liagre Böhl gaat daar wel op in. Ook spreekt hij zeer uitvoerig over het grote drama uit 1946, als met uitzondering van Miskotte zelf het hele gezin met tyfus geïnfecteerd raakt door het eten van besmette vis tijdens een bruiloftsmaal in Americain. Zijn vrouw Cor en dochter Alma zullen hierbij uiteindelijk overlijden. Miskotte heeft ook in die dagen dagelijks dagboek geschreven, maar dat cahier was uit privacy-overwegingen niet aanwezig in het Leidse archief. De biograaf heeft de familie overtuigd, dit cahier toch ter inzage te geven en hij heeft daarvan grondig gebruik gemaakt. Ik heb het met tranen in de ogen gelezen en kan alleen maar zeggen, dat Herman de Liagre Böhl dit heel integer en zorgvuldig heeft gedaan en misschien ook daardoor zijn gelijk heeft bewezen. Dit kon in een biografie niet ontbreken. Wat wel ontbreekt is de in de dagboeken herhaaldelijk uitgesproken vrees van Miskotte, als hij als een waanzinnige bezig is Edda en Thora op tijd  – dat wil zeggen voor een Duitse inval – klaar te krijgen voor publicatie, dat hij door dat boek in het concentratiekamp zal komen (en hoe moet het dan met zijn vrouw en  kinderen, als zij de kostwinner verliezen). Als je heel veel bezig bent met teksten van Miskotte (Willem van der Meiden en ik werken aan de dagboeken van de jaren 1938-1940) kom je altijd dingen tegen, waarvan je denkt, dat zou ik ook opgenomen hebben, maar de biograaf maakt zijn eigen afwegingen en is uiteindelijk met een selectie gekomen, die recht doet aan de gecompliceerde persoonlijkheid van Nederlands grootste theoloog uit de twintigste eeuw. Nog één klein kritiekpuntje. Theoloog in de branding? Deze Saks had meer met de bossen dan met de zee.

 

De “Nieuwe Boeken”-rubriek uit Ophef 2016/3

In het Ophefnummer 2016/3 worden door Wilken Veen de volgende boeken besproken:

 

Robert D. Kaplan, Duister Europa. Twee koude oorlogen en een reis door Groot-Roemenië, Houten / Antwerpen 2016, 328 pag., € 29,99. ISBN 978 90 00 34541 0.

 

Dit boek is een novum in deze rubriek, want het gaat niet over theologie (nou ja, een heel klein beetje, dat komt nog aan de orde). Toen ik me had voorgenomen om deze vakantie samen met Rieta, mijn vrouw, een rondreis door Roemenië te maken, vroeg ik Ries Nieuwkoop (een specialist die al meer dan tien jaar reizen van o.a. theologen naar Roemenië leidt), om informatie. Hij adviseerde niet alleen een route, maar noemde bovenstaand boek als het meest actuele over Roemenië. Ik nam me voor het tijdig te lezen, maar toen dat niet lukte ging het in de koffer mee naar Roemenië. En dat was een geluk bij een ongeluk, want niets is zo mooi als lezen over een land, terwijl je erdoor reist en de inhoud te proeven in combinatie met wat je ervan ziet. Ik had dat eerder al gemerkt toen ik Istanbul doorkruiste aan de hand van het schitterende boek over die stad van Orhan Pamuk. En bovendien is het boek van Kaplan zelf een reisboek. Het verslag van drie reizen van de schrijver door Roemenië. Een eerste reis in 1981, de auteur was nog geen dertig en trok met een rugzak door het land, dat hij beschouwde als één van de meest trieste dat hij ooit had gezien. Het was de tijd van de opperste gekte van Ceausescu, misschien mede ontstaan door een bezoek aan Noord-Korea, waar hij de gedachte had opgedaan, dat een land ook volkomen geïsoleerd kan bestaan. Daarvoor moest het o.a. zijn staatsschulden versneld aflossen (waarvoor de Roemenen letterlijk moesten bloeden en honger moesten lijden). Wellicht heeft hij (of zijn vrouw Elena) daar ook geleerd hoe een persoonlijkheidscultus het hele maatschappelijk leven kan beïnvloeden. Collega’s van me in Roemenië vertelden hoe de enig toegestane televisiezenders dag in dag uit vrijwel alleen Ceausescu en zijn vrouw in beeld brachten. De twee reis was in 1991 vrij kort na, wat door de Roemenen tot op de dag van vandaag als ‘revolutie’ wordt beschouwd, de ondergang van het Ceausescu-regime en de terechtstelling van hem en zijn vrouw in de dagen rond kerstmis 1989. De derde reis maakte hij in 2013, vrij kort nadat Roemenië lid was geworden van de Europese Unie. In het boek worden die drie reizen niet chronologisch na elkaar beschreven, maar aan de hand van plaatsen of personen worden de ervaringen tijdens die drie reizen met elkaar vergeleken. Kaplan, die als adviseur werkt voor de Obama-regering, is betrekkelijk positief over de ontwikkeling. Ze zijn er nog lang niet, maar de toetreding tot de Europese Unie ziet hij als erg goed voor Roemenië en zijn grootste angst is, dat Viktor Orban de Hongaren in Roemenië (de grootste minderheid) aan zou kunnen zetten tot rebellie tegen de Roemeense regering en daardoor de relatieve stabiliteit in gevaar brengen. Roemenië in zijn huidige omvang en samenstelling is namelijk een vrij jong land, pas na de eerste wereldoorlog ontstaan. Tot die tijd was er Transsylvanië (bewoond door Duitsers, Hongaren en Roemenen) dat eerst deel uitmaakte van het Habsburgse Rijk en vervolgens van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, Walachije, dat vele eeuwen deel uitmaakte van het Ottomaanse Rijk (dan wel daaraan ondergeschikt was) en Moldavië, dat nu verdeeld is in de Roemeense provincie Moldavië en de onafhankelijke (zij het volledig in de Russische invloedssfeer) republiek Moldavië. Ook daar ligt potentiële conflictstof. In Boekarest heb ik op vele muren gekalkt zien staan dat (heel) Moldavië Roemeens is. En dan is er nog een derde, spannende laag in het boek van Kaplan. Kaplan is (net als ik) een boekenfanaat. Dus ook hij (het is bijna een Droste-effect) beschrijft zijn reizen met in zijn koffers een eindeloos aantal boeken over (de geschiedenis) van Roemenië, waaruit hij uitvoerig citeert. En zo tovert hij je voor ogen, waar je op dat moment zelf mee bezig bent, de combinatie van twee mogelijke manieren van reizen door een land: in de geest met een boek in je hand en in het echt (eventueel ook met een boek in de hand). Ik ben het zeker niet zomaar in alle opzichten met hem eens (daarvoor is hij te absoluut westers georiënteerd), maar je proeft in alles, dat hij heel erg goed kijkt en ook kans ziet met de juiste mensen te spreken. Van die gesprekken, o.a. met Ion Iliescu, die van 1990 tot 1996 en van 2000 tot 2004 president was van Roemenië, doet hij ook uitvoerig verslag. Eén van (ik zei al dat er toch een klein beetje theologie in zit) de opmerkelijkste vaststellingen van Kaplan is, dat hij een verband ziet tussen de Roemeense bestuurscultuur en de Roemeens Orthodoxe kerk. De orthodoxe kerk (of die nu Russisch of Roemeens is) is een autoritaire kerk, waarin de “leek” niets in te brengen heeft. Hij is er alleen maar om te genieten van de “hemelse” liturgie (dat ie mooi is, zal ik niet ontkennen) die door priesters en monniken (soms ook nonnen) wordt uitgevoerd en de, al even schitterende, ikonen (op een voor mij afschuwwekkende manier) te vereren door die te overdekken met zoenen. In Boekarest zagen we allerlei mensen (voor het overgrote deel vrouwen) in de basiliek rondlopen met briefjes. Het bleek dat ze buiten op bankjes hun gebeden opschreven, waarvoor dan bij een – respectvol buiten de kerk opgesteld – loketje werd betaald, waarna dat briefje naar de priester werd gebracht, opdat hij dat gebed voor hen uit zou spreken in de kerk. Toen mij door een bevriende predikant aan wie ik over deze ervaring vertelde, gevraagd werd, wat ik daarvan vond, zei ik, dat ik iedere priester, die niet zei, dat ze dat gebed ook zelf zouden kunnen uitspreken en dat dit gebed dan evenveel waard zou zijn, als een oplichter beschouwde. Het floepte eruit en natuurlijk maak ik daarmee duidelijk dat ik weinig begrijp van de orthodoxie, maar ik denk het wel echt. Het is deze “levenswijze” die de wereld opdeelt in ‘geestelijken’ en ‘leken’, die ook doorwerkt in de gemiddelde beleving van de politiek. Je hebt regeerders en geregeerden, leiders en volgelingen. Zelfs als er democratische verkiezingen zijn, betekent dat alleen dat een bepaalde groep het voor een bepaalde periode (absoluut) voor het zeggen heeft. Pas als de regering op zijn eigen bevolking laat schieten (zoals in het najaar van 1989) komt er (misschien) verzet op gang. Ik zou zeggen, als je niet in staat bent op korte termijn een reis door Roemenië te maken (wat ik overigens bijzonder aan zou willen bevelen), lees dan dit boek en reis in de geest door het land. Het is minder, maar toch ook erg mooi.

 

Peter Rollins, The Divine Magician, The Disappearance of Religion and the Discovery of Faith, London 2015, VIII en 190 pag., € 13,99. ISBN 978 1 444 70379 5.

 

Ik hoorde voor het eerst van Peter Rollins door Jurgen van den Herik tijdens een studieweek in Roemenië. Hij vermaakte ons tussen de sessies door en in de kroeg met verhalen over en grappen van Peter Rollins. Toen Jurgen een boekje over hem in de theologenserie van VTM voorstelde, waren we eerst wat huiverig, niemand kende immers de auteur, zo meenden wij. Zou hij niet liever eerste een artikel over hem willen schrijven voor Ophef? Sindsdien is het allemaal erg snel gegaan, inmiddels is een eerste boek van Rollins in het Nederlands vertaald en wordt aan een volgende gewerkt. Jurgen schreef over de presentatie van De Orthodoxe Ketter (Ophef 2016/2) en is bezig met het inmiddels toegezegde boekje over hem voor de theologenreeks. Zelf was ik aanwezig bij de presentatie en buitengewoon aangenaam verrast door wat ik daar hoorde. Toen de laatste hand werd gelegd aan de vorige Ophef, mailde Jurgen mij, dat Rollins mogelijk op 20 augustus naar Nederland zou komen en of dat gepubliceerd kon worden. Helaas ging Ophef ter perse voordat we daar zekerheid over hadden. Maar het ging door en zo ontmoette ik Peter Rollins op die zaterdag tijdens een studiedag in Utrecht. Ik zal iets vertellen over die bijeenkomst en over het boek, dat ten grondslag lag aan zijn performance. Rollins, geboren in Belfast, nu wonend in Californië, heeft aan den lijve ondervonden, hoe desastreus religie kan zijn, hoe het zijn leefwereld in Noord-Ierland bijna vernietigde. Daarom startte hij daar de groep ‘Ikon’, een geloofsgemeenschap, die zich niet bond aan de protestantse of katholieke kerk, maar waar in een ongedwongen sfeer werd gepraat, gezongen en gemusiceerd over geloof en ongeloof, want, zoals hij eerder als motto meegaf aan een vroeger boek: “to believe is human, to doubt divine”. Hij is in alle opzichten een “ander soort” theoloog, hij praat liever in de kroeg dan in de kerk en is zowel theoloog als filosoof en een groot kenner van de theorieën van Jacques Lacan, en verspreidt zijn theologie liever via het internet (peterrollins.net) dan via de theologische faculteiten. Na die kennismaking besloot ik onmiddellijk zijn hele theologische oeuvre aan te schaffen. Dat is overigens niet zo’n probleem: het betreft vijf boeken, waarvoor je bij elkaar nog geen zeventig euro betaalt (ik betaal soms het dubbele voor één enkel Duits wetenschappelijk theologisch boek) en het laatste (dat ik hier bespreek) heb ik inmiddels gelezen en ook “meegemaakt”, want Rollins maakt van de inhoud van zo’n boek een soort performance, die hij voordraagt, moeiteloos vijf, zes uur pratend met korte onderbrekingen en met een passie, die doet denken aan de dagen van Frans Breukelman. Als je de inhoud van dat boek heel kort door de bocht wilt samenvatten, dan zegt Rollins, dat de traditionele religie een soort van goocheltruc is, waarbij je iets wordt voorgespiegeld, dat je uiteindelijk niet krijgt, al wordt je de indruk gegeven dat dit wel het geval is. De truc kent drie fases: The pledge, the turn and the prestige. Dat wat je uiteindelijk krijgt lijkt als twee druppels water op wat je beloofd was, maar is het niet. Het twee eurostuk, dat Rollins aan het begin van de bijeenkomst heeft laten verdwijnen, lijkt natuurlijk sprekend op het twee eurostuk, dat hij tien minuten later tussen de bladzijden van de bijbel tevoorschijn tovert, maar dat zat daar al die tijd al! “The Prestige” is ook de titel van een wereldberoemde film van Christopher Nolan uit 2006, die gaat over de rivaliteit van twee goochelaars, die de grootste truc aller tijden willen verwezenlijken: doodgaan en weer tevoorschijn komen. De ‘turn’ zit hem in het feit dat de goochelaar een tweelingbroer heeft, die sprekend op hem lijkt, maar jarenlang vermomd en onherkenbaar door het leven gaat om op het moment suprême….

Rollins is een leerling van Bonhoeffer, ik durf wel te zeggen, zijn meest radicale leerling. Zelf ben ik al een kleine veertig jaar een volgeling van Bonhoeffer en sinds een groot aantal jaren is het mijn gewoonte om te spreken over “het project Bonhoeffer” en ik bedoel daarmee het serieus nemen van de door Bonhoeffer bepleite niet-religieuze interpretatie van Bijbelse en theologische begrippen. Terwijl Bonhoeffer werd gekaapt door evangelicale en confessionele christenen, die van hem een held en martelaar voor het traditionele christendom maakten, vond ik maar hoogst zelden mensen die in dit spoor door wilden denken. En nu is daar Peter Rollins, twintig jaar jonger dan ik en met oneindig veel meer energie! Toen hij mij in de pauze tussen neus en lippen door zei: “Of course I ‘m a marxist, but that doesn’t matter”, was ik helemaal verkocht. Kritiek heb ik overigens ook wel, maar ik vrees dat ook dat met ons verschil in leeftijd te maken heeft. De door hem gebezigde term “pyrotheology” (oftewel: “de fik erin”) bevalt me niet. Misschien dat ik dat vroeger ook gezegd kon hebben (ik herinner me wel dat ik in de zeventiger jaren tegen Ter Schegget heb geroepen, of wilde roepen, “Bert, de zweep erover”), maar ik houd te veel van al die serieuze theologen, die even goed het beste met de wereld voor hebben, ook als ze zich niet met het project Bonhoeffer bezighouden. Maar als we als Vereniging voor Theologie en Maatschappij nadenken over hoe het verder moet en hoe we tot een nieuw soort progressieve theologie moeten komen, die ook een jongere generatie aan kan spreken, dan moeten we zeker niet aan het werk van Rollins voorbijgaan. Ik noem daarom ook maar even alle andere van hem verkrijgbare boeken: How (not) to speak about god (2006), The Orthodox Heretic (2009), Insurrection (2011), The Idolatry of God, breaking the Addiction to Certainty and Satisfaction (2013). Zekerheid is (blijkens de laatste ondertitel) niet wat een mens van het geloof te verwachten heeft, daarom – zo bepleit Bonhoeffer in zijn Ethiek – zal hij zelf verantwoordelijkheid moeten nemen voor zijn leven, zonder zich als een soort van excuus op God te beroepen. Het geloof is er niet om de mens te zeggen dat er nu wel veel mis gaat, maar dat dit later (hier beneden of daarboven) beter zal gaan, maar om ons te leren leven met die condition humaine. Het kruis is niet een teken van de overwinning (in hoc signo….), maar het teken van een nederlaag en alleen zo…, maar dan heb ik al weer bijna te veel gezegd volgens Rollins.

 

E.D.J. de Jongh, Een vrije vogel met een helder lied, Biografie van Wim Kist, een linkse patriciër, 1915-2005, Skandalon Vught 2016, 224 pag., € 29,95. ISBN 978 94 92183 30 9.

 

Hij kan het maar niet laten, achtentachtig jaren jong voltooide hij zijn vierde grote biografie en pas op, hij heeft nog plannen voor een volgende! Dick de Jongh. Na zijn pensionering als docent aan de Universiteit van Twente, legde De Jongh zich toe op het schrijven van biografieën. Een hobby werd een passie, hij kan er eigenlijk niet mee stoppen (“Wat moet ik dan doen, niets?”) en het is een imposante reeks, de biografie over Jan Buskes (1998), over Hannes de Graaf (2004) en Bert ter Schegget (2010) is nu, opnieuw na zes jaar, gevolgd door een boek over Wim Kist. Ik moet wel zeggen, maar dat is zeker geen bezwaar, de laatste is wat dunner dan de drie voorgaande, en gaat dit keer niet over een theoloog, maar over een jurist, die in kerkelijke kring juist bekend is geworden door zijn inzet voor het vormingswerk. Een ‘bevlogen’ mens, zoals de titel al duidelijk maakt, die uiteindelijk toch ‘een beetje theoloog’ wordt (u begrijpt dit is een gigantisch understatement) als hij in 1971 promoveert op een theologisch proefschrift: Antwoord aan de machten, de ‘bijbel van het kerkelijk vormingswerk’ geschreven een jaar na Ter Scheggets proefschrift over de Stad van de Toekomst en even revolutionair: gericht op verandering, het vormingswerk als instrument om instituties te veranderen. En – nooit vertoond, noch daarvoor, noch daarna – een samenvatting, hoe dat gaat, zo’n cursus op een vormingscentrum, in haiku’s! Ik weet van Dick de Jongh, dat hij al heel lang bezig was met de gedachte om over Win Kist een biografie te schrijven en ik ben erg blij dat het gelukt is. Een hele grote volle zaal in De Rode Hoed maakte duidelijk hoezeer Wim Kist bewonderd werd en hoe blij men was met dit huzarenstuk van Dick de Jongh. De werkwijze bij het schrijven van zijn biografieën is haast steeds dezelfde. Hij begint met een eindeloze hoeveelheid gesprekken te organiseren met zo mogelijk alle nog levende mensen, die betrokken zijn geweest bij zijn onderwerp. En dan geleidelijk aan ontstaat er een structuur een plan, dat hij gaandeweg invult. De ‘interviews’ zijn niet meer terug te vinden, ze zijn zo mogelijk gecontroleerd aan de hand van archieven en geschreven materiaal en vervolgens opgenomen in een doorgaand verhaal. Er is één rode draad die door alle vier de biografieën loopt en die rode draad heet liefde. De Jongh houdt van zijn onderwerpen. Miskotte schrijft ergens – ik dacht in de inleiding van Het wezen der joodsche religie – over een ‘Liebeskonstruktion’, je moet minstens een beetje van je onderwerp houden om er goed over te kunnen schrijven. Die liefde geeft inspiratie. Het kan ook anders (je kunt ook ergens over schrijven om het te bestrijden, over het fascisme bijvoorbeeld, maar misschien gebeurt dat ook uit liefde zij het niet voor het onderwerp), maar mijn ervaring is, dat je het meest geniet van het lezen als je de liefde van de schrijver voor zijn onderwerp of voor de door hem beschreven personen kunt voelen. Hij laat je dan als het ware door zijn ogen kijken. Dick de Jongh bewonderde Kist bovenmatig en wij zijn daar blij om, want zo is er een enthousiast portret geschilderd, van deze rechter en vormingswerker, die je bijna melancholiek doen terugdenken naar een tijd (waarin je absoluut geloofde in de mogelijkheid van verandering, van revolutie), die nu helemaal voorbij lijkt te zijn. En ja, ik geloof dat ik dat Herman Meijer ooit hoorde zeggen, we zouden nog eens na moeten denken over de vraag, of we in de jaren zeventig wel de goede vijand hebben uitgekozen toen we ons als Christenen voor het socialisme ten doel stelden de actie “Nieuwe Levensstijl” te bestrijden.

 

 

De “Nieuwe Boeken”-rubriek uit Ophef 2016/2

In het Ophefnummer 2016/2 worden door Wilken Veen de volgende boeken besproken:

 

Laurens ten Kate, De vreemde vrijheid, Sjibbolet Amsterdam 2016, 70 pag. € 11,50 ISBN 978 94 9111 029 0.

 

Dit mooie klein boekje is een fors uitgewerkte versie van de inaugurele rede die de auteur op 11 mei dit jaar hield in het Senaatsgebouw van de Rijksuniversiteit Utrecht ter gelegenheid van zijn benoeming tot bijzonder hoogleraar vrijzinnige religiositeit en humanisme aan de Universiteit voor Humanistiek te Utrecht. Ten Kate studeerde in Utrecht theologie en filosofie en promoveerde in 1994 op een volgens de kenners erg mooi, maar (voor mij althans) ook erg moeilijk proefschrift over de Franse filosoof Georges Bataille. Ik was dan ook buitengewoon aangenaam verrast, toen Laurens een schitterende rede hield die naar mijn inschatting door een ieder met een afgeronde middelbare schoolopleiding tenminste enigermate begrepen kon worden. Hoewel er een hele reeks meer of minder bekende filosofen langskwamen (Camus, Nietzsche, Bataille, Arendt, Nancy, Sloterdijk, Taylor) werden hun standpunten helder verwoord en de actualiteit ervan aangetoond. Dat ook Herman Finkers een plaats kreeg in dit gezelschap, spreekt voor het speelse karakter van de auteur, die het spel-element als een wezenlijk onderdeel van de filosofie beschouwt. Hij wil het hebben over nieuwe betekenissen van vrijzinnigheid en humanisme en probeert aan te tonen (ik ga nu even heel kort door de bocht), dat in de moderne filosofie de zin en de betekenis van het menszijn niet wordt gezocht (in de zin van zoeken naar iets dat er al voorgegeven zou zijn), maar steeds opnieuw door de mens wordt gecreëerd. Om dat duidelijk te maken geeft hij een analyse van de moderne samenleving, waarbij de dialectiek van woord- en beeldcultuur (imaginaries) een belangrijke rol speelt. Om eigen betekenis te kunnen realiseren heeft de mens vrijheid nodig, vrijheid van ideologieën. Ten Kate spreekt in dit verband over de “vrijzinnige conditie”, “vrijzinnigheid is niet in de eerste plaats een keuze voor een bepaalde levensbeschouwing, maar een situatie waaraan iedereen tot op zekere hoogte deel heeft en waartoe men zich moet verhouden: de situatie dat de zin van het leven, van de wereld en de geschiedenis niet meer voorgegeven is, noch van buiten de menselijke wereld ons wordt aangereikt – door God, door de soevereine vorst, door de politieke leider, door de Partij. Integendeel, zin moeten we zelf zoeken, en zelf vormgeven. Daarmee wordt zin een voortdurende vraag in plaats van een antwoord.” U hoort, de auteur kan het veel mooier en nauwkeuriger verwoorden dan ik. Een klein boekje, maar dat maakt het mogelijk het grondig of meermaals te lezen.

 

Jochen Klepper, Het licht breekt door de wolken. Liederen. Vertaald door Titia Lindeboom met melodieën Van Frederikus G. aan het Rot. Royal Jongbloed Heerenveen 2016, 96 pag. € 12,95 ISBN 978 90 6353 718 0.

 

Vorig jaar zorgde Titia Lindeboom voor een vertaling van een selectie uit het wereldberoemde dagboek van Jochen Klepper ‘Unter den Schatten deiner Flügel” (ook uitgegeven bij Jongbloed in Heerenveen) en nu heeft zij de bundel Kyrie uit 1938 met liederen van Klepper vertaald. De Duitse bundel heb ik niet in de kast (hoewel die wel verkrijgbaar is, omdat hij nog in 1998 opnieuw werd uitgegeven), maar een groot aantal van de liederen vond ik in het Evangelisches Gesangbuch, zodat ik een indruk kon krijgen van de wijze van vertalen. In het colofon wordt gesproken van een ‘hertaling’ en dat lijkt me terecht. Omdat bij alle liederen het rijmschema van het oorspronkelijke lied gehandhaafd werd, kon vanzelfsprekend niet letterlijk vertaald worden. Of bij de hertaling altijd ook echt de strekking van het oorspronkelijke gehandhaafd bleef, daarvan ben ik niet helemaal zeker. De morgenhymne van Ambrosius “Jam lucis orto sidere” werd door Klepper vertaald en de tekst van Klepper weer door Titia Lindeboom. De eerste twee regels bijvoorbeeld zijn prachtig getroffen: “Schon bricht des Tages Glanz hervor / Voll Demut fleht zu Gott empor” wordt hertaald als: “De dag breekt aan in stralend licht / Houd nu je hart op God gericht”, maar in datzelfde lied lezen we aan het slot van het derde couplet: “Des Fleisches Hoffart beugt und brecht! / Und Trank und Speise brauche recht” en dat wordt hertaald als: “Houd voor Hem ook je lichaam rein / door matiging van brood en wijn”. Nu kan het natuurlijk zijn dat ik niet zo veel met ‘matiging’ op heb, maar mij lijkt dat het ‘rechte gebruik van spijs en drank’ niet per se zo begrepen hoeft te worden. Zo beviel me de ene vertaling wat meer dan de andere, maar mogen we hoe dan ook blij zijn met dit initiatief, dat Jochen Klepper opnieuw onder de aandacht brengt. Bovendien werden er bij die liederen waar geen melodie op was (en zelfs op een aantal waarvan de Duitse tekst al wel een melodie had) een nieuwe melodie gecomponeerd door Frederikus aan het Rot. Ik ben geen musicus, maar ze lijken mij goed zingbaar. Titia Lindeboom heeft ervoor gekozen om alle liederen uit de bundel te hertalen, ook die al vertaald waren voor het Liedboek van 1973 en het Liedboek van 2013. Dat vind ik een beetje jammer, omdat – en daar hoeft ze zich echt niet voor te schamen – haar vertalingen het poëtisch niet halen bij die van Jan Willem Schulte Nordholt (130/445), Ad den Besten (155 en – ’t is godgeklaagd – niet opgenomen in het nieuwe liedboek) en Sytze de Vries (947).

 

Rick Benjamins, Jan Offringa, Wouter Slob (red.), Liberaal Christendom, Skandalon Vught 2016, 240 pag. € 21,95 ISBN 978 94 92183 21 7.

 

Na verschillende kleinere publicaties laten leden van ‘Op goed gerucht’ zich nu samen met leden van de Vereniging voor Vrijzinnige Protestanten (voor de gelegenheid de groep ‘Relivant’) kennen met een stevig gebonden boek, waarin ze hun positie uiteenzetten. De titel (het overkomt me vaker) bevalt me niet. Ik snap de uitleg die ze eraan geven, maar die uitleg heb je nog niet gelezen als je het boek in de winkel ziet liggen of in een webwinkel wilt bestellen. Soms moet je een woord schrappen uit je vocabulaire. De Christenen voor het Socialisme, waar ik zelf toe behoorde, hebben al jaren geleden vast moeten stellen, dat de term ‘socialisme’ (en ook ‘communisme’) feitelijk onbruikbaar was geworden door het misdadige misbruik dat ervan gemaakt was. Mij lijkt dat echte liberalen (ik bedoel dus inderdaad ondogmatische vrije denkers, zoals ook de schrijvers van dit boek zichzelf verstaan) ook moeten beseffen dat het ‘liberalisme’ hen ontstolen is door een groep radicale vrijemarkt-kapitalisten (in de regel als ‘neoliberalen’ aangeduid), die niet de vrije geest, maar uitsluitend de vrije handel voorstaan. Dat gezegd hebbend, wil ik er wel onmiddellijk achteraan zeggen, dat ik het boek met veel plezier gelezen heb. Het centrale thema van het boek wordt uiteengezet door Rick Benjamins in verreweg de uitvoerigste bijdrage “Waar wij ons bevinden”. Het antwoord op die vraag wordt overigens niet erg gepreciseerd (lijkt me ook verstandig, want een vrije denker laat zich niet vastleggen op een locatie), maar wordt veel meer duidelijk gemaakt door te laten zien waar we vandaan kwamen. In dertig pagina’s wordt een schets gegeven van de theologische en filosofische ontwikkelingen in de laatste twee eeuwen en hoe men zich daarin meer en meer aan de orthodoxie heeft ontworsteld. Het artikel eindigt met een literatuurlijst (onder het motto ‘verder lezen’) beginnend bij de B van Barth en eindigend bij de T van Tillich, die ik begrijp als een soort canon (goddank stelde ik vast dat ze bijna allemaal in mijn kast stonden, want anders hoorde ik er vast niet meer bij). Dat ik niet begrijp hoe je over een liberaal christendom kunt spreken zonder in deze samenhang Bonhoeffer te noemen, zal de lezer van dit blad niet verbazen. Omdat ik in dit korte bestek niet alle bijdragen de revue kan laten passeren kies ik voor het mooie opstel van Alke Liebich (jazeker, ook omdat ze de laatste zes jaar in Amersfoort mijn dominee was). Mooi, omdat ze haar bijdrage schrijft in dezelfde plezierige stijl, waarin ze gewoon is haar preken uit te spreken. “De bijbel als gesprekspartner” heet het hoofdstuk en zo gaat ze met de bijbel om, ze brengt die in gesprek met de moderne wereld, ziet waar het botst, maar ook waar ondanks alle ongelijktijdigheid directe paralellen getrokken kunnen worden. Dat gesprek, zo laat Alke zien, begint al in de bijbel, de strekking van alle bijbelgedeeltes is niet dezelfde, maar ook binnen één en hetzelfde verhaal wordt de betekenis soms bediscussieerd. Alke is vrijzinnig predikant in Amersfoort, maar maakt heel goed duidelijk, dat de tijd (en misschien was dat ook toen al wel een vooroordeel) dat vrijzinnigen het over de godsbeleving in de mooie natuur hadden en de bijbel vrijwel gesloten bleef, helemaal voorbij is. Ik had mijzelf nooit als vrijzinnig gelabeld, maar toen ik in Amersfoort voor de Johanneskerk koos, ontdekte ik al snel, dat de bijbel – en het geloof überhaupt – daar veel serieuzer werd genomen, dan in de doorsnee PKN-gemeente, waar het vooral ‘gezellig’ moet zijn en elk conflict gemeden wordt. Liberaal of niet (liever niet, zou ik denken), lezen dus!

 

Alle G. Hoekema en Pieter Post (red.), Frits Kuiper (1898-1974) Doopsgezind theoloog. Voordrachten en getuigenissen over Kuiper en een selectie uit zijn brieven, Verloren Hilversum, 2016, 354 pag. € 29 ISBN 978 90 8704 580 7

 

Op 6 maart 2014 werd op de VU een symposium gehouden over Frits Kuiper aan de vooravond van zijn veertigste sterfdag. Uw redacteur was erbij en al binnen een maand konden de volgens ons belangrijkste bijdragen van dat congres (van Pieter Post, Rinse Reeling Brouwer en Dick Boer) in het eerste Ophefnummer van 2014 gelezen worden. Nu zijn alle toespraken van dat symposium in dit boek uitgegeven en gelukkig maar, want door onze beperkte keuze kon bijvoorbeeld het prachtige verhaal van Ruth Hoogewoud over de zionistische beweging in Nederland niet opgenomen worden. En daarnaast – ik vermoed voor de liefhebbers het interessantste deel van het boek – werden meer dan tweehonderd pagina’s, tweederde van het boek, gevuld met niet eerdere gepubliceerde brieven van Frits Kuiper. Dat is genieten, omdat Frits Kuiper in zijn brieven buitengewoon openhartig is (er waarschijnlijk niet van uitgaande dat deze brieven ooit nog gepubliceerd zouden worden) en ongegeneerd zijn afschuw uitspreekt over andere theologen. Van Iersel die maar “in en uit kletst”. Van Niftriks verdediging van het Getuigenis (1972) die hij ‘liberale zwendel’ noemt. Maar er zitten ook brieven bij, waarvan ik oprecht denk, dat ze wel van enig historisch belang zijn: de brief aan Van Randwijk bijvoorbeeld van november ’45 en de brief aan Prinses Wilhelmina uit 1951. Daarnaast is er de correspondentie met Karl Barth. Waar veel ‘Barthianen’ terugschrokken voor Barths opvatting ten aanzien van de kinderdoop, wordt Barth Kuiper er begrijpelijkerwijs alleen maar liever op. Kortom: het is goed dat alle toespraken van het Kuiper-symposium zijn gepubliceerd, maar het is nog veel beter dat al deze brieven zijn gepubliceerd. Wat een passie, wat een strijdbaarheid en wat vind ik het jammer deze man niet persoonlijk gekend ter hebben.

 

Bas Leenman, Als God stukloopt. De maatschappij als erfgenaam van de kerk, Skandalon Vught, 364 pag, € 29,95 ISBN 978 94 9218 325 5.

 

Opnieuw een prachtig uitgegeven boek van Skandalon, mooi gebonden met stofomslag en leeslint. Ik kocht dit boek hoewel ik toen ik het kocht nog nooit van Bas Leenman gehoord had. Ik kocht het omdat op het omslag stond, dat hierin de jarenlange correspondentie tussen Bas Leenman en K.H. Miskotte werd afgedrukt en van Miskotte wil ik zo mogelijk alles weten, omdat het mij helpt bij het begrijpen van zijn dagboeken, waar ik voor de Miskotte-stichting aan mag werken. Een andere ‘trigger’ was, dat Rinse er een voorwoord voor had geschreven. Dan moet het wel belangrijk zijn, dacht ik. En ik moet zeggen: ik ben na lezing niet teleurgesteld. De briefwisseling met Miskotte beslaat maar dertig pagina’s, maar is ontroerend mooi. Zelf bestuurde ik ooit de (ten dele verloren gegane) briefwisseling tussen Barth en Rosenstock-Huessy en stelde vast dat ieder onbegrip en ieder misverstand tot een verdere verwijdering leidde en uiteindelijk tot een explosie, waarbij de vriendschap wederzijds werd opgezegd. Ook Miskotte (die in veel opzichten de positie van Barth vertegenwoordigt) en Leenman (een overtuigd volgeling van Rosenstock-Huessy) hebben grote verschillen van mening, maar ieder misverstand of onbegrip leidt hier tot een herlezing en herneming van de anders opvatting om er ondanks het verschil van mening dat niet wordt weggepoetst toch het positieve en het liefdevolle uit te halen en zo lijkt het bijna alsof de vriendschap juist door die tegenstellingen nog lijkt te groeien. Dat heeft er zeker mee te maken, dat Miskotte een ander – veel minder polemisch – mens was als Barth, maar ook dat Leenman – die mij bij lezing van het boek steeds sympathieker werd – veel minder eigenwijs en zelfverzekerd was dan Rosenstock-Huessy, die er toch wel heel erg van overtuigd was, dat hij het licht had gezien terwijl alle anderen nog in duisternis wandelden. Toen ik mijn artikel over Barth en Rosenstock schreef stond ik nog simpelweg aan de kant van Barth. Na het lezen van veel meer Rosenstock en het gesprek daarover met vrienden in het leerhuis, begrijp ik Rosenstock een stuk beter (zijn taaltheorie vind ik reuze spannend zijn opvattingen over de geschiedenis kunnen mij nog steeds niet overtuigen). Want, de briefwisseling met Miskotte mag in het oog springen – en moet wellicht ook de verkoop bevorderen – de teksten van Leenman gaan toch vooral over Rosenstock. Na de eerste wereldoorlog wordt Rosenstock redacteur van de bedrijfskrant van Daimlers automobielfabrieken. Theologische en filosofische opvattingen die bleven hangen in de sfeer van kerk en academie werden nooit echt in de praktijk gebracht, ze moesten verwereldlijkt worden, ingebracht in het gebeuren van alle dag, in het leven van de arbeid. Die opvatting heeft Leenman geïnspireerd en hij heeft geprobeerd daaruit te leven. Als God stukloopt, dan gaat hij niet verloren, maar dan seculariseert hij in de maatschappij. Of Dietrich Bonhoeffer het werk van Rosenstock kende, weet ik niet (hij citeert uitsluitend in Sanctorum Communio drie keer uit de Soziologie van Rosenstock) maar die gedachte, dat er verkondigd zou moeten worden in het centrum van de arbeidswereld verwoordt hij ook in Widerstand und Ergebung.

Niet alle teksten en fragmenten waren kennelijk duidelijk thuis te brengen. Zo staat er bijvoorbeeld een tekst in, waarvan in een voetnoot wordt gezegd: “waarschijnlijk geschreven rond 1984”, maar tussen al dat rijpe en groene valt veel moois te lezen, bijvoorbeeld in de stukken die hij over Amerika schrijft. Wat goed dat er fondsen gevonden konden worden dat ook zo’n boek, dat nooit een grote verkoop zal beleven, toch op de markt gebracht kon worden.

 

De “Nieuwe Boeken”-rubriek uit Ophef 2016/1

In het Ophefnummer 2016/1 worden door Wilken Veen de volgende boeken besproken:

 

Giorgio Agamben, Avontuur (vertaald door Willy Hemelrijk) Sjibbolet Amsterdam 2016, 64 pag. € 12,95. ISBN 9789491110276.

 

Vorige maand verscheen na Naaktheden en Pilatus en Jezus (ook vertaald door Willy Hemelrijk en ook besproken in deze rubriek) voor de derde keer een tekst van de Italiaanse filosoof Agamben in het Nederlands. Omdat ik sowieso aangewezen ben op vertalingen (ik lees geen Italiaans en kies meestal voor het Duits) ben ik daar blij mee. Willy Hemelrijk vertaalt bovendien op een wijze die ik buitengewoon waardeer. Waar de tekst van Agamben Italiaans is, schrijft ze Nederlands, waar Agamben een ander in zijn of haar eigen taal citeert, laat ze dat staan, maar zet de vertaling tussen haken erachter, zelfs als het poëtische teksten zijn. Omdat het linguïstische zo’n grote rol speelt in het werk van Agamben, komt het allemaal heel precies. Avontuur is een dubbel begrip: het is het avontuur, dat je meemaakt, maar het is ook het verhaal over dat avontuur (in een boektitel als “de avonturen van…” wordt het woord in beide betekenissen gebruikt). Als ik even helemaal onfilosofisch in mijn eigen woorden zeg, waar het boekje over gaat: een mens komt in zijn leven allerlei dingen tegen, die hij niet kan organiseren of ontwijken, daarom kan hij nauwelijks anders dan zijn leven als een avontuur zien. Het avontuur (Tychè) wordt afgeleid van het Griekse werkwoord τυγχανω, dat ‘gebeuren’ betekent. Het is een gebeurtenis, maar niet in de zin van ‘iets dat gebeurt’, maar in de zin van ‘iets dat iemand gebeurt, hem overkomt’. Hoewel hij nergens wordt genoemd en zijn naam niet in de bibliografie voorkomt, deed het mij denken aan de manier, waarop Alain Badiou het begrip ‘évenement’ gebruikt. Badiou zegt, dat iets pas een ‘èvenement’ wordt, wanneer het gebeurd is en samenvalt met het verhaal over dat gebeuren. Agamben neemt zijn uitgangspunt bij de Romeinse filosoof Ambrosius Theodosius Macrobius (rond 400 na Chr.), die in zijn Saturnalia spreekt over godheden, die een rol spelen bij de geboorte van de mens: Daimon (de demon), Tyche (het lot), Eros (de liefde) en Anankè (de noodzaak). Later wordt hier Elpis (de hoop) aan toegevoegd. Ook waar we niet meer aan (deze) godheden geloven, blijft dat waar ze voor staan een rol spelen in ons leven als avontuur. De verhouding tussen deze factoren beschrijft Agamben als volgt: (pag. 57) “Ieder mens wordt gegrepen door het avontuur, en dus krijgt ieder mens te maken met Daimon, Eros, Anankè en Elpis. Dat zijn de gezichten – of de maskers – die het avontuur – Tyche – hem telkens voorhoudt.” D.w.z. het avontuur (dat wat een mens nu eenmaal overkomt) is soms een demon, dat wat ons verleidt, niet een werkelijkheid, maar een mogelijkheid, waardoor we ons laten meeslepen en waar we ons aan vasthouden, zelfs tegen beter weten in. Bij de liefde, zo citeert Agamben, “vinden we dezelfde twee kanten die ook het avontuur bepalen: de liefde verenigt in zichzelf de kracht van de verovering en de overgave die niet met geweld kan worden afgedwongen, het resultaat dat verkregen wordt dankzij de eigen capaciteiten, maar ook dankzij de onderwerping aan het lot, dat ons iets onvoorspelbaars schenkt dat wij niet in de hand hebben” (pag. 35/36). Ik zou het nooit bedacht hebben als ik verliefd was, maar ik denk wel dat het klopt! Anankè en Tychè (lot en avontuur) vallen niet samen. Al lijkt ook het avontuur met toeval en dus met lot te maken te hebben, het lot in de zin van Anankè betekent dat we ons er niet aan kunnen onttrekken. Het avontuur overkomt me, maar er is ook iets dat me er onherroepelijk naartoe trekt. “Wie het avontuur van de gebeurtenis aangaat, wordt verliefd, jazeker, trilt en raakt geëmotioneerd – maar ook als hij zich uiteindelijk weer in de hand krijgt, kan hij niet anders dan zich in die gebeurtenis verliezen, onbekommerd en zonder voorbehoud. (pag. 49).

Tenslotte een laatste citaat, de laatste alinea van het boekje. Over de hoop, door een dichter ooit ‘het kleine zusje hoop’ genoemd: “De liefde hoopt, omdat zij zich een voorstelling maakt en zij stelt zich iets voor omdat zij hoopt. Wat hoopt zij? In vervulling te gaan? Niet echt, want het is juist de hoop en de fantasie eigen om zich aan iets onvervulbaars te binden. Niet omdat zij dat object niet graag zou willen bezitten, maar omdat hun verlangen door dat voorstellen en die hoop al voortdurend in vervulling is gegaan. Dat wij, in de woorden van de apostel, ‘in hoop zijn gered’(Rom. 8,24), is daarom tegelijk wel en niet waar. Als het object van de hoop onvervulbaar is, dan hebben wij alleen op redding gehoopt omdat wij niet meer te redden zijn – want we zijn al gered. Net zoals de hoop uitstijgt boven haar vervulling, zo gaat zij ook de redding voorbij – met liefde.”

Zo wil ik filosofie lezen, alsof het poëzie is, waarvan ik de woorden lees en herlees en er toch wijzer van wordt. Wat mij troost is dat Agamben nergens zegt dat wij door het (blinde) lot worden bepaald (zou dat het resultaat van zijn studie van de Romeinenbrief zijn?), maar toch niet ontkent, dat ons allerlei dingen overkomen, die wij niet kunnen voorzien (en die we ook niet af kunnen doen met vrome prietpraat dat het allemaal wel een bedoeling zal hebben gehad).

 

Thomas Kremers, George K. Haselhoff, Bertold Klappert ed., Heinz Kremers – Vom Judentum lernen, Neukirchen-Vluyn 2015, 208 pag. € 30,00. ISBN 987 3 7887 2938 7.

 

Het eerste opstel van dit boek, de biografische schets van Heinz Kremers door zijn zoon Thomas Kremers, hebben jullie in samenvatting al kunnen lezen in dit blad, maar ik behandel het boek toch hier ook nog, omdat er zoveel meer moois in staat. In de eerste plaats moet ik dan noemen de negen artikelen van Heinz Kremers zelf en ik begin met het spannendste: “Was hat der Talmud uns Christen zu sagen?” Omdat ik sinds kort zelf deelneem aan een cursus Talmoed lezen, weet ik hoe vreemd dit geschrift in eerste instantie is en hoe zeer je een joodse leraar nodig hebt om je binnen te leiden in deze literatuur. Maar de christelijke traditie vond deze boeken niet vreemd of moeilijk, maar duivels en verwerpelijk. Toen ik in dit artikel van Heinz Kremers las over de manier hoe de pausen Innocentius IV en Benedictus XIII over de Talmoed schreven en dat het boek al in de zesde eeuw door de christelijke keizer Justinianus verboden was, moest ik denken aan de manier, waarop te onzent door Geert Wilders wordt gesproken over de Koran. Omdat je erop gokt, dat er toch niemand is die het boek daadwerkelijk leest of gelezen heeft, kun je er onweersproken de meest verschrikkelijke dingen over zeggen. Sterker nog, wie toevallig er wel in heeft gelezen en dus weet dat het anders is, houdt in de regel zijn mond om niet beschuldigd te kunnen worden van pro-joodse of (in het andere geval) terroristische sympathieën. Talmoedjood is eeuwenlang een scheldwoord geweest. Ik kan hier niet het hele artikel samenvatten en daarom volsta ik hier met Kremers kernachtige aanduiding van wat de Talmoed eigenlijk is: (ik citeer op pag. 74 en vertaal) “Het is niet het document van een verstarde wetsreligie, zoals wij het nog altijd leren. Het wil veeleer het Joodse volk uitdagen, steeds opnieuw te vragen: Wat is Gods wil vandaag de dag? De Talmoed wil de Joodse Bijbel er juist voor bewaren tot een dode, niet meer actuele wet te worden, tot een alleen nog historisch interessant museumstuk.” Overigens schrijft Haselhoff, één van de andere uitgevers van dit boek, in het eerste deel van dit boek een zinvolle inleiding op dit artikel: “Heinz Kremers Talmudvortrag im Kontext”. Tijdens de Barth-Tagung over de verhouding van de kerk tot Israël (§ 34 van de Kirchliche Dogmatik, waarover hieronder meer) werd gesuggereerd, dat een dialoog tussen christenen en joden er gemakkelijk toe zou kunnen leiden, dat christenen om de joden niet voor het hoofd te stoten de messiasvraag buiten beschouwing zouden laten. Heinz Kremers bewijst het tegendeel: het is het belangrijkste thema van zijn bijdragen over o.a. “Jezus als Messias”, “Gij zijt de Messias, een preek over Marcus 8,27-34” en “De bijdrage van het Nieuwe Testament aan een christologie in dialoog tussen joden en christenen”. Het boek eindigt met vijf artikelen over de vraag hoe we het werk van (de in 1988 gestorven) Heinz Kremers voort kunnen zetten. Ik noem daarvan (vooruit, uit chauvinistische overwegingen) alleen de bijdrage van Simon Schoon, die ook niet om het hete hangijzer heengaat: “Messianisme, christologie en politiek in jodendom en christendom”. Hij eert zijn leermeester Heinz Kremers als degene die hem bij de hand heeft genomen en de ogen geopend voor de mogelijkheid van een niet-antijoodse christologie als het ‘Gebot der Stunde’ na de Shoah. Als het gesprek over de verhouding van Kerk en Israël, wat ik van harte hoop, weer op gang komt zonder de onnodige polarisatie tussen vrienden van Israël en voorvechters van de Palestijnse zaak (voor mijn gevoel zou je beide kunnen zijn), dan is dit een boek dat zeker in dat gesprek betrokken moet worden.

 

Karl Barth, De verkiezing van de gemeente. Paragraaf 34 uit de Kirchliche Dogmatik, vertaald en bezorgd door Wessel H. ten Boom, Boekencentrum Zoetermeer 2016, 200 pag., € 29,50, ISBN 978 90 239 7064 4.

 

‘Een klassieke en omstreden tekst’ noemt de uitgever het in zijn aankondiging en dat is bijna een understatement. Tijdens de Barth-Tagung, die van 29 februari tot 2 maart in De Glind werd gehouden, stond deze paragraaf centraal en met de bespreking van deze tekst werd ook gelijk duidelijk, dat het niet zonder risico’s is, om een geïsoleerde paragraaf uit de KD, al dan niet vertaald uit te geven. Als het gaat over de uitverkiezing van de gemeente (een onderdeel van de predestinatieleer, het zevende hoofdstuk van de KD, Gottes Gnadenwahl) en daarbinnen over de ene gemeente uit Kerk en Israël, waarbij Israël de spiegel van Gods gericht en de kerk de spiegel van Gods barmhartigheid is, dan kan maar al te gemakkelijk (hoezeer ook door Karl Barth zelf ontkend) de indruk blijven hangen, dar de christenen de uitverkorenen en de joden de verworpenen zijn en dat er in die zin toch sprake is van een dubbele predestinatie. Dat dit geen juiste interpretatie is, wordt eigenlijk alleen echt duidelijk als daarvoor § 33 is gelezen, die gaat over de uitverkiezing van Jezus Christus. Hij heeft in zijn kruisdood het gericht en de verwerping gedragen en is in zijn opstanding de uitverkoren en gerechtvaardigde mens. Toch is dit geen kritiek op het boek, want juist doordat Wessel ten Boom niet alleen de paragraaf (mijns inziens voortreffelijk) vertaald heeft, maar ook voorzien van voetnoten, annotaties en een nawoord, waarin ook de context van de paragraaf uitvoerig aan de orde wordt gesteld, wordt dit probleem uitstekend ondervangen. Barth vertalen is geen gemakkelijke opgave, met een zekere bewondering zeg ik: moeilijker nog dan Bonhoeffer. Barth schrijft, zoals iedere wat oudere theoloog die in zijn opleiding nog Duitse boeken moest lezen weet, gecompliceerde zinnen, met eindeloos veel nevenschikkende en onderschikkende bijzinnen en bepalingen, van soms wel een halve pagina lang. Knip je dat voor een leesbaar Nederlands op in korte zinnen, dan heb je wel een gemakkelijk leesbare tekst, maar het is geen Barth meer, je bent de samenhang die nu juist door die lange zinnen wordt aangebracht kwijtgeraakt. Ten Boom heeft een heel zorgvuldige afweging gemaakt, waar hij de lengte van de zinnen op de koop toe moest nemen en waar hij die op een verantwoorde wijze zonder de redenering te verstoren op kon knippen. Een andere reden waarom ik zo enthousiast ben over dit boek is, dat Wessel ten Boom enerzijds schrijft en vertaalt met een onverholen sympathie voor Barth en anderzijds toch duidelijk maakt, dat bepaalde dingen anders gezegd moeten worden en laat horen hoe anderen als (vooral) Marquardt en Klappert dat ook hebben gedaan. Op de laatste pagina van zijn boek (zijn tekst, niet die van Barth) schrijft hij: “Lezing van § 34 mag een vervreemdende ervaring zijn. Zij confronteert ons met de vraag of wij als kerk weten waarom het in het evangelie gaat: Gods keuze van genade dat wij niet anders bestaan dan door het ongeloof van Israël, en dat daarin de toekomst van Israël bewaard is. Dit betekent niet dat wij 75 jaar na dato deze tekst eenvoudig kunnen reproduceren. Maar door de schaduwkanten van deze tekst heen komen wij uit bij de eigenlijke vragen van het christelijk geloof.” Zeg nou zelf, hier is de leerling toch werkelijk niet minder dialectisch dan de meester zelf. Hulde voor het opnieuw (want helaas, helaas niet iedereen is het Duits nog machtig) toegankelijk maken van deze belangrijke tekst. Het gesprek (en de strijd) hierover kan immers pas beginnen, wanneer de tekst zelf grondig bestudeerd is.

 

Roelf Haan, Vergeten vragen. Humanisme in economisch-theologische perspectief, vertaald uit het Engels door Greetje Witte-Rang, Skandalon Vught 2016, 248 pag. € 22,95. ISBN 978 94 92183 19 4.

 

De vertaalster uitvoerig loven, zoals ik dat bij het vorige boek heb gedaan, kan ik niet, omdat ik het Engelse origineel niet gelezen heb en in die zin de kwaliteit van de vertaling niet kan beoordelen. Ik kan hooguit zeggen, dat het een goed leesbaar Nederlands boek is geworden. Anderzijds hoef ik de vertaalster ook niet uitvoerig te loven, want indrukwekkender dan de schrijver Roelf Haan dat in zijn voorwoord heeft gedaan, is nauwelijks mogelijk. Greetje heeft niet alleen de tekst van het Engelstalige (in 2012 in Zuid-Afrika uitgegeven) boek vertaald, maar ook op diverse plekken bijgedragen aan een inhoudelijke verbetering van het boek, zodat het heeft geresulteerd in (ik citeer Roelf Haan) ‘een volledig gemeenschappelijk product’. De onnozelaar die ik ben vraagt zich dan alleen af, waarom beide namen, die van Roelf Haan en die van Greetje Witte-Rang, dan niet op het omslag staan. Oorspronkelijk was het een, vanwege een verzoek in het Calvijnjaar 2009, studie over ‘Calvijn en de economie’, die duidelijk wilde maken, dat het beeld van Calvijn als de eigenlijke grondlegger van het kapitalisme (een opvatting die meer over de Calvinisten dan over Calvijn zegt) niet klopt. Daar zijn voor de Nederlandse uitgave nog twee hoofdstukken aan toegevoegd, over economische doelstellingen (hoofdstuk 2) en over de veranderingen, die zich in de laatste honderd jaar hebben voltrokken aan de hand van Jacques Ellul (hoofdstuk 8). Als ik me goed herinner heeft Rinse Reeling Brouwer in onze Calvijnspecial (Calvijn, wie is er niet groot mee geworden) van 2009 ook al eens gesproken over de manier, waarop Calvijn bijvoorbeeld over het principe van de rente sprak, maar dat zit niet in de literatuuropgave. Het boek is één grote, en mijns inziens zeer noodzakelijke, kritiek op het feit, dat de economie in onze samenleving als een soort natuurverschijnsel, of misschien zelfs als een godheid, wordt gezien, waar je geen vragen meer bij stelt. De economie vraagt nu eenmaal…, de economie laat niet toe dat…., ons economisch belang…. etc, etc. Ik moet dan altijd denken (dat komt natuurlijk omdat ik bezig ben te verhuizen), dat ik bijna alle dagen hoor, dat het goed is voor de economie wanneer de huizenprijzen ‘weer aantrekken’, waarbij de suggestie is, dat wat goed is voor de economie, goed is voor ons allemaal, terwijl ieder mens op zijn klompen aan zou kunnen voelen (maar het door de media toch niet doet), dat je beter af bent met lagere prijzen. Je krijgt minder voor je huis, maar je betaalt ook minder voor het volgende en alle erbij behorende percentuele bedragen pakken lager uit. En voor starters op de huizenmarkt, die nu vooral in steden als Amsterdam en Utrecht vrijwel kansloos zijn, zou het een zegen zijn. Er kunnen wel degelijk vragen aan onze economie worden gesteld, concludeert Roelf Haan en dat is door de eeuwen heen ook altijd gedaan, maar dat horen we niet meer of willen we niet meer horen. We moeten, zo schrijft hij, weer zoeken naar het verloren verband tussen economische theorie en mensen van vlees en bloed. Dat zouden we bijvoorbeeld kunnen leren bij Calvijn. Deze aandacht voor concrete mensen noemt Haan het ‘consequente humanisme’ van Calvijn. Twee aspecten die wezenlijk zijn voor Calvijns denken over economie zijn niet onopgemerkt gebleven: dat hij behalve theologie ook rechten had gestudeerd en zich bezighield met de maatschappelijke situatie in Genève en dat hij zijn economische opvattingen mede afleidde uit de wijze, waarop hij de bijbel verstond. Wat ik niet bij Haan vond, maar volgens mij wel relevant is, is dat Calvijn als één van de laatste grote theologen en anders dan bijvoorbeeld Luther ook de wetten van het Oude Testament van belang achtte voor de vormgeving van de samenleving. Veel van wat Calvijn over de economie heeft gezegd is nog steeds actueel, maar de samenleving is natuurlijk een totaal andere dan die van de zestiende eeuw. Die verandering zit vooral in de vertechnisering van de samenleving. De vrijwel eindeloze technische mogelijkheden dicteren de economie. Wat uitgevonden is, kan niet meer ‘onuitgevonden’ gemaakt worden en moet dus in de economische opvattingen verdisconteerd worden. Om de consequenties daarvan duidelijk te maken verwijst het boek naar de Franse socioloog en theoloog Jacques Ellul (1912-1994). In 1954 schreef hij La techniche ou l’enjeu du siecle (The technological society, 1964) De wereld wordt niet gestuurd door het kapitaal, schrijft hij, of door politiek, maar door iets anders: door techniek. Niet techniek in de zin van apparaten en machines, maar in de zin van een maatschappelijk ordeningssysteem dat zichzelf aandrijft, voortdurend op zoek naar het éne meest efficiënte middel, op ieder gebied. Dus inclusief politieke, economische en sociale technieken. Zonder dat hij zich conservatief verzet tegen iedere vorm van vooruitgang zet hij vraagtekens bij deze nieuwe door de techniek gestuurde economie, die dingen produceert, omdat hij ze nu eenmaal produceren kan en daar vervolgens afzetmarkten voor zoekt (nieuwe – vaak overbodige – behoeftes creëert). De alleroudste christelijke belijdenis dat Christus Heer (kurios) is, betekende toen: ‘en niet de keizer’. Die zou nu moeten luiden: ‘en niet de economie’. De bijbel, zo zegt Ellul in zijn laatste boek Anarchie et Christianisme (1988) is de bron van de anarchie, als protest tegen overheersing niet als protest tegen een maatschappelijke orde. Je zou er als VTM zomaar een studiedag over kunnen beleggen!

Karel Eijkman, Jaarringen, De Harmonie Amsterdam 2016, ong. 170 pag., € 19,90, ISBN 978 9076 17478 5.

Karel Eykman werd tachtig, we vierden het in de bovenzaal van de Openbare Bibliotheek Amsterdam (de prachtige nieuwe locatie aan de Oosterdokskade) en ter gelegenheid daarvan werd de dichtbundel Jaarringen gepresenteerd. Karel Eykman droeg een heel aantal gedichten voor en een aantal gedichten (niet per se uit deze bundel) werd op muziek gezet en uitgevoerd door de band van Jeroen Zijlstra. Het prachtige ‘Zonder liefde ben je nergens’ (Karels weergave van 1 Korinthiërs 13, die ook het nieuwe liedboek heeft gehaald) was de grandioze uitswinger. Het boek is niet voorzien van paginanummers, maar op elke linkerpagina staat de afbeelding van een doorsnede van een boom, waarin je de jaarringen kunt zien en daarin het jaartal, oplopend van 1936 tot 2016. Op de rechterpagina dan een gedicht bij elk van die jaren. Niet gedichten, die hij in die jaren heeft geschreven (zou wat moeilijk zijn vanaf zijn geboortejaar), maar gedichten die hij terugdenkend aan die jaren heeft geschreven. Hoe zei ik het ook alweer naar aanleiding van Agamben: een gebeuren is pas een gebeurtenis als het voorbij is en erover verteld of geschreven wordt. Karel dicht over wat hem overkomen is, wat hij daarbij gevoeld heeft en hoe hij het zich naderhand herinnerd heeft. Hij doet dat in een heldere directe taal, want je voelt iets niet in hoog verheven poëtische taal. Eén gedicht schrijf ik over, niet omdat het persé het mooiste gedicht is, maar omdat ook ‘de andere Karel’ (Karel & Karel hebben samen een heel aantal boekjes geschreven) dit jaar, in januari, tachtig werd. Ook dat hebben we gevierd, in het Bijbels Museum, maar hij kon (ik weet niet goed of ik helaas of godverdomme moet schrijven) niet meer voordragen uit eigen werk. Voor hem schreef Karel Eykman bij 1991 dit gedicht:

‘“God schonk ons de overwinning”

dat staat helemaal niet in die psalm.

“Fout vertaald” roept hij verontwaardigd.

Hij haalt er het originele Hebreeuws bij

en leest het voor in oude joodse cadans.

“God gaf ons bevrijding” staat er

dat is heel wat anders.’

 

Zoals zo vaak zit ik bij Karel op de kamer

om in de schemering te praten over een tekst.

De kerk ben ik reeds lang uitgerangeerd

en voor God heb ik geen woord meer over.

Maar de bijbel liet ik mij niet afpakken.

Dat heb ik aan hem te danken.

 

Om onder de grondtekst door te graven

en boven zien te krijgen wat ertoe doet.

Zodat woorden naast mij staan, niet boven mij zweven

en daar terechtkomen waar je er wat aan hebt.

Daarin zal hij mij altijd opjutten:

blijven zoeken naar taal die bevrijdt

van alle flauwekul.

 

G.C. den Hertog, De kracht blijkt pas in zwakheid. Dietrich Bonhoeffers reactie op het ontmythologiseringsprogramma van Rudolf Bultmann, Apeldoornse studies nr. 66. In eigen beheer uitgegeven door de Theologische Universiteit Apeldoorn in 2016, 62 pag. € 9,95. ISBN 978 9075 84743 7. En G.C. den Hertog, Bonhoeffer voor leken, Getuige van een kostbaar evangelie, De Vuurbaak Barneveld 2016, 88 pag. € 12,95 ISBN 978 9055 60507 1.

 

Tot slot twee kleine boekjes van Gerard den Hertog, allebei over Bonhoeffer. Het zal de Bonhoefferwatchers niet ontgaan zijn, dat er de laatste jaren een Bonhoefferrevival heeft plaats gevonden, die met name ontstaan is doordat – anders dan in de vorige eeuw – Bonhoeffer massaal gelezen word in de meer orthodoxe en ook evangelicale kringen. Wie mij kent, weet, dat ik daar niet zo maar gelukkig mee ben. Soms wordt Bonhoeffer vrolijk omgelogen tot een evangelicale held die hij nooit geweest is. Absoluut dieptepunt: de verschrikkelijke biografie van Eric Metaxas, die in weet ik hoeveel talen vertaald is en overal zijn duizenden verslaat. Dat geldt niet voor Gerard den Hertog. Hij bestudeert Bonhoeffer grondig, de hele Bonhoeffer, ook die van de niet-religieuze interpretatie en laat zich niet zelden ook door hem gezeggen. Dat was ook de reden, dat ik met zoveel plezier samen met hem de Ethiek van Bonhoeffer vertaalde. Het eerste boekje is een uitwerking van het openingscollege voor het collegejaar 2015-2016 van de Apeldoornse universiteit. Het onderwerp is geestig en kenmerkend voor de openheid van de auteur. Den Hertog is gepromoveerd op de Duitse theoloog Hans Joachim Iwand (1899-1960), die in de jaren dertig net als Bonhoeffer directeur was van een opleidingsinstituut van de Bekennende Kirche. Iwand en Bonhoeffer dachten totaal verschillend over de ontmythologiseringsthese van Bultmann. Iwand (net als Barth) moest er niets van hebben en Bonhoeffer vond, al stelde hij er ook kritische vragen bij, dat er zeker over nagedacht moest worden. De Bekennende Kirche overwoog zelfs Bultmann eruit te zetten, waarvan Bonhoeffer gezegd zou hebben, dat hij zich dan ook uit liet sluiten, niet omdat hij het perse met Bultmann eens was, maar omdat hij mensen die vonden dat er niet gesproken mocht worden over thema’s zoals die door Bultmann aan de orde werden gesteld, nog veel erger vond. Ook Den Hertog heeft niet veel op met Bultmann, maar hij neemt de benadering van Bonhoeffer, ook waar die positief is, wel serieus. Slechts een paar weken later verscheen er nog een boekje over Bonhoeffer. Ik denk dan, waar vindt die man de tijd naast een vol collegeprogramma en het rectoraat van de TUA. Maar ja, als ik me herinner, hoeveel mailtjes ik van de auteur gekregen heb, die vermeldden dat ze ergens tussen zes en zeven uur in de ochtend waren geschreven, dan begrijp ik er iets van. Bonhoeffer voor leken is zoals de titel al suggereert (ik vind hem gruwelijk, maar bedenk dat er gelukkig niet staat ‘Bonhoeffer voor dummies’) een boekje voor mensen, die zich willen oriënteren en nog niets van Bonhoeffer hebben gelezen. Zelf schreef ik voor Narratio ruim vijftien jaar geleden een soortgelijk boekje. We hebben beiden bedacht dat bij Bonhoeffer biografie en theologie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en in elkaars licht begrepen moeten worden. Waar bij mij de nadruk op de theologie (en vooral op de drie belangrijkste boeken Nachfolge, Ethik en Widerstand und Ergebung) lag, is dat bij Gerard den Hertog omgekeerd, iets meer aandacht voor de biografie (sterk overigens, ook in zijn eerlijke en dus kritische beschrijving van de geschiedenis van de Bekennende Kirche) en in het kader daarvan verwijzingen naar de verschillende geschriften. Het is een mooi boekje, al had iets meer aandacht voor de ‘wereldse’ kant van Bonhoeffer ook wel gemogen. Als ik heel eerlijk ben, moet ik toegeven: voor echte buitenstaanders is Gerards boekje nog wat gemakkelijker te lezen dan dat van mij.


Te laat om in deze Ophef te bespreken ontving de redactie een belangwekkend boek uitgegeven door o.a. Bureau de Helling, het wetenschappelijk bureau van Groen Links: Green Values, Religion & Secularism. We brengen het graag onder uw aandacht en citeren alvast de tekst op de cover:

 

De laatste decennia is de verhouding tussen religie en de moderne samenleving veranderd. Als gevolg hiervan zijn er heftige debatten over onderwerpen als ritueel slachten, homoseksuele leraren op scholen, het dragen van de hoofddoek in openbare instellingen en het verband tussen Islam en terrorisme.

In deze publicatie denken politici van groene partijen na over de manier waarop hun eigen seculiere en religieuze waarden hun politieke opstelling beïnvloeden; de rol van religie in het publieke debat; conflicten tussen fundamentele rechten als de vrijheid van godsdienst en het principe van sexuele en gendergelijkheid; de rol van de Islam in Europa en de vraag of godsdienst een bron van inspiratie of een obstakel voor groene politiek is.

Hoewel groene partijen vaak een ongemakkelijke verhouding tot religie hebben kan het debat over waarden – religieus en seculier – niet uit de weg worden gegaan in een Europa dat tegelijkertijd door meerdere crises belaagd wordt. De publicatie wil een uitnodiging zijn om te werken aan een meer samenhangend debat onder de groene partijen over de veranderende rol van godsdienst in de samenleving.

Conversations wih European politicians and activists. Nuala Ahern and Erica Meijers (ed)

 

De “Nieuwe Boeken”-rubriek uit Ophef 2015/4

In het Ophefnummer 2015/4 worden door Wilken Veen de volgende boeken besproken:

 

Maarten den Dulk, Geloof, gebod, gebed, Skandalon 2015, 30 pag. €9,95. ISBN 9789492 183125.

 

Om te beginnen sinds kort één van de kleinste boekjes in mijn boekenkast. In welgeteld dertig pagina’s, als je in- en uitleiding eraf haalt blijven er twintig over, probeert Maarten den Dulk antwoord te geven op drie centrale filosofische vragen: “wat kan ik weten / wat moet ik doen / wat mag ik hopen?”. Dat is razend knap en er is geen woord Frans bij. Waarmee de auteur maar weer eens laat zien, dat je geen “alledaagse taal” hoeft te spreken, om voor iedereen verstaanbaar te zijn. Hij bespreekt in dit ultrakorte bestek, de drie belangrijkste teksten van het christendom: de Apostolische geloofsbelijdenis, de Tien Woorden en het Onze Vader. Van de Tien Woorden maakt hij ook nog een mooie eigen vertaling. De toon is die van een soort apologie (in de goede zin van het woord): de schrijver wil laten zien, dat het ook voor een modern mens niet vreemd is, om zich hiermee bezig te houden, sterker nog: dat je het zelfs kunt lezen als een korte samenvatting, hoe je bewust en sociaal met elkaar om kunt gaan in een moderne democratische rechtsstaat. Kortom een mooi (voor de omvang wat prijzig) boekje om te lezen en weg te geven! Wat me wel van het hart moet: ik vind de vertaling (natuurlijk de schrijver zegt gelijk, dat er ook diverse andere mogelijkheden zijn, maar hij kiest toch bewust voor deze) van de Godsnaam met “Liefste” helemaal niets. ‘Eeuwige’, ‘Ene’ of zelfs ‘Heer’, wat mij betreft allemaal beter. Ik ben een beetje allergisch voor iedere poging, waarbij de verhouding met de Eeuwige in het erotische of romantische vlak wordt getrokken. Ik geef toe, dat ik eeuwen van traditie en zelfs een deel van de bijbel tegen me heb, maar ik erger me er aan: God is mijn liefste niet en mijn liefste is geen god voor me (al komt ze – ik geef het toe – wel in de buurt).

Tenslotte een wat ernstiger punt van kritiek. Maarten moet weten dat er in 1949 door Kleijs Kroon een boek is geschreven met dezelfde titel en hetzelfde thema. Ook in dat boek worden Geloofsbelijdenis, Tien Woorden en Onze Vader besproken. Als je ze naast elkaar legt, zou je zelfs de indruk kunnen krijgen dat Maarten een ‘update’ van het boek van Kroon heeft willen schrijven voor mensen van deze tijd en met een omvang, die misschien zelfs de computergeneratie tot lezen zou kunnen verleiden. Ook Kroon hangt zijn betoog op aan drie centrale vragen. Bij hem luiden die: “Wie is God voor ons / Wat heeft God met ons voor / Wat doet God ons dus verwachten?” Waarom dit mooie kleine boekje niet geschreven ter eer en nagedachtenis van Kleijs Kroon? Zijn naam wordt zelfs niet genoemd. Jammer!

 

Lieven de Cauter, Metamoderniteit voor beginners. Filosofische memo’s voor het nieuwe millennium, Vantilt Nijmegen 2015, 256 pag. € 19,95. ISBN 978 9460 042102.

 

Door ons mederedactielid Tiers Bakker werd ik al eens eerder opmerkzaam gemaakt op het werk van de Brusselse filosoof Lieven de Cauter (geb. 1959), hoogleraar cultuurfilosofie aan de KU Leuven. Dus schafte ik het bovengenoemde boek aan en zelden heb ik meer plezier gehad aan een boek over filosofie, dan sinds ik hierin begonnen ben. De aanduiding ‘voor beginners’ schrikte me nog net niet af (hoewel: als er ‘voor dummy’s’ had gestaan, had ik het waarschijnlijk laten liggen) en laat u zich er als lezer niet door misleiden. ‘Voor beginners’ betekent in dit geval: voor mensen die niet een graad in de filosofie hebben. Dat geldt althans voor het grootste deel van de teksten, die min of meer op zichzelf staande artikelen, lezingen of blogs zijn. Maar er zitten ook teksten bij die veel toegankelijker zijn: “Het post 9/11 tijdperk uitgelegd aan kinderen” en “Globalisering voor beginners”, wat voor middelbare scholieren is geschreven. Waarom dat plezier. In de eerste plaats omdat De Cauter geestig schrijft en daarbij de polemiek niet schuwt, maar ook omdat hij de dingen vaak kort en raak (soms bijna aforistisch) kan zeggen. Ik genoot bijvoorbeeld van zijn scherpe observatie in een fragment over ‘nieuw analfabetisme’:

Het christendom is een goed voorbeeld: men kan de iconografie van tweeduizend jaar Europese kunst niet begrijpen zonder een min of meer grondige kennis van de christelijke cultuur met haar geschriften en praktijken. Maar die kennis gaat verloren door laïcisering (wat laïcisering is, kan ik uitleggen aan de hand van een quiz-vraag, die afgelopen week op televisie was. Er werd het beroemde schilderij van Rembrandt getoond, waarop Hendrickje Stoffels model stond voor Batseba met de brief van de koning. De vraag luidde: wie was de koning met wie Batseba trouwde. Van de drie – academisch gevormde – kandidaten wist niet één het antwoord, w.v.). Ook dat is een nieuw analfabetisme. Omgekeerd is er een verletterlijking: alle fundamentalisten nemen de heilige schriften (en vooral sommige passages) naar de letter. Maar dat waren symbolische verhalen en oude voorschriften. Fundamentalisten negeren daarmee de geschiedenis en de complexiteit van hun eigen religie. Dat is ook een gestalte van het nieuwe analfabetisme.

Wat is ‘metamodernisme’? Ik probeer het (en hoor wel van Tiers of ik het begrepen heb): De term ‘postmodernisme’ suggereert dat de moderniteit met haar snelle veranderingen achter ons ligt, maar wat na de moderniteit komt is juist een intensivering van de moderniteit, een hypermoderniteit of metamoderniteit, waarin de technische vernieuwingen elkaar zo snel opvolgen, dat de mens ze niet meer bij kan houden en zelf een anachronisme wordt. En daar komt dan (al voor de derde keer – tel maar na – in deze Ophef) de verwijzing naar Walter Benjamin en zijn tekst over de niet te stoppen vooruitgang. Ik zou zeggen, of u nu dummy, beginneling of gevorderde bent in de filosofie, lezen dat boek!

 

Fik Meijer, Jezus & de vijfde evangelist, Atheneum Amsterdam 2015, 296 pag. € 19,99. ISBN 978 9025 300371.

 

Van Fik Meijer had ik eerder De oudheid is nog niet voorbij en Twee steden gelezen. Vooral dat laatste, in 2013 verschenen boek over de omslag van Rome naar Constantinopel als zwaartepunt van het Romeinse Rijk, dat ik mee had genomen op een korte vakantie naar Istanbul, had grote indruk gemaakt. Dus als iemand die met een grote kennis van de oudheid en een vaardige pen een boek over Jezus schrijft, ben ik geïnteresseerd. Ik moet eerlijk zeggen, dat ik een beetje teleurgesteld ben. Ook dit boek is goed en vlot geschreven en vooral het eerste deel, waarin hij de wereld van Flavius Josephus (want hij is die vijfde evangelist) beschrijft, is voor historisch geïnteresseerden zeker de moeite waard, maar het tweede deel, over “Jezus in de wereld van Flavius Josephus” is veel minder interessant. Dat de vertelde wonderen van Jezus natuurwetenschappelijk niet kunnen, maar dat daarover door zijn tijdgenoten geen vragen werden gesteld, vind ik bijna een platitude. De vragen bleven m.i. niet ongesteld, omdat al die mensen vroeger graag en gemakkelijk in wonderen geloofden, maar omdat ze begrepen dat die verhalen symbolisch verstaan moesten worden. Waarom zouden we denken, dat mensen het vroeger de normaalste zaak van de wereld vonden, dat iemand als Jona door een vis werd opgeslokt en drie dagen later weer leven werd uitgespuugd? Dat is “het teken van Jona” en niet “het verhaal van Jona” en dat begrepen zijn tijdgenoten ook wel en daarnaar werd in de oudheid ook op die manier verwezen. Waarom zulke opmerkingen van een gerenommeerd historicus mij ergeren, is dat hij kennelijk denkt, dat gelovige mensen dat allemaal als historische waarheid aan zouden nemen. De term ‘vijfde evangelist’ is ook in die zin misleidend, dat Flavius Josephus wel de enige – voor zover wij weten of ontdekt hebben – buitenbijbelse bron uit de eerste eeuw is die Jezus vermeldt, maar dat hij daar ook maar een paar zinnen aan wijdt. En dan moet daarbij nog bedacht worden, dat de Antiquitates Judaicae, (de vermelding van Jezus staat in het achttiende boek en wordt door Fik Meijer op één van de eerste pagina’s in Nederlandse vertaling afgedrukt) in het jaar 94 werden uitgegeven. Omdat de samenvatting in die paar zinnen van het leven van Jezus daar erg op lijkt, is het niet uitgesloten, dat Flavius Josephus het evangelie van Marcus of delen daarvan heeft gekend. Nadat dus de politieke en maatschappelijke context aan de hand van de verhalen (dat Flavius Josephus ooggetuige was van alle door hem beschreven gebeurtenissen beschouwen wij als hoogst onwaarschijnlijk) uitvoerig is beschreven, verwacht je in het tweede deel een verhaal waarin het leven van Jezus binnen die context wordt geschilderd, maar dat gebeurt helemaal niet. In dat tweede deel wordt in grote lijnen het nieuwe testament naverteld met ‘kritische’ opmerkingen over alles wat waarschijnlijk niet historisch is. Soms wordt ‘historische’ informatie aangevuld met gegevens van Flavius Josephus, waarbij ook Fik Meijer vaststelt, dat zijn verhalen (hij heeft het bijvoorbeeld over Pesachvieringen in Jeruzalem, waaraan een kleine 3 miljoen joden zouden hebben deelgenomen, die bij elkaar een kwart miljoen dieren geofferd zouden hebben) nauwelijks betrouwbaarder zijn dan die van de evangelisten. Om enig inzicht te krijgen in de historische omstandigheden, waarin Jezus is opgetreden, is het boek wel nuttig, maar dat daardoor, zoals op de achterflap gezegd wordt, ‘de historische Jezus tot leven komt’, is kletskoek. Het is de Jezus van de evangelieverhalen en niet de ‘historische Jezus’ die in dit boek door de wereld van Flavius Josephus wandelt.

 

Erik Borgman, Waar blijft de kerk. Gedachten over opbouw in tijden van afbraak, Adveniat Baarn 2015, 158 pag. € 19,50. ISBN 978 9492 093127.

 

Ik had gehoopt dat Erik mee zou schrijven aan dit nummer, dat over ‘de kerk van de toekomst’ had moeten gaan, maar hij heeft niet gereageerd en kennelijk gemeend, dat hij zijn bijdrage met dit boek ook al wel geleverd had. En in zekere zin is dat ook het geval. Ik moest denken aan de kritiek, die Barth in de jaren dertig leverde op de mensen, die de ‘eeuw van de kerk’ voor ogen meenden te hebben en met alle mogelijke aan de reclame ontleende middelen probeerden, die kerk weer presentabel te maken. Hen roept Barth “zur Sache”. De kerk moet niet meer en niet minder doen dan haar is opgedragen, het evangelie uitleggen en verkondigen aan alle volk! Borgman heeft de katholieke kerk op het oog, maar formuleert in grote lijnen deze zelfde kritiek. De kerk komt er geen streep verder mee, wanneer ze zich blindstaart op de krimp, ze moet (die term is overigens van mij en niet van Erik Borgman) ‘back to basics’. In die zin – al is het boekvijf maal zo dik – lijkt het wel wat op het hierboven beschreven boek van Maarten den Dulk. En als je dat vaststelt, zie je ook het kenmerkende verschil (nog steeds naast vele overeenkomsten) tussen katholieken en protestanten. Back to basics, terug naar de kern, betekent voor Den Dulk terug naar de kernteksten en die opnieuw en hedendaags uitleggen. Terug naar de kern betekent voor Borgman terug naar de (betekenis van de) centrale rituelen, de eucharistie als het centrum, die hij zo serieus neemt, dat hij zelfs het stille-omgang-verhaal over de hostie die niet verbrandt prachtig en inspirerend vindt. Ik kan overigens – ik vermoed in de geest van Borgman – de verbinding tussen die twee, het ‘woord’ van de protestanten en het ‘sacrament’ van de katholieken, wel vinden, die ligt in de liefde van God, die aan beide ten grondslag ligt. Ik herken het werk van Schillebeeckx, ik herken, en dat doet me altijd goed, ook een vleugje Bonhoeffer, die in zijn Ethik de liefde van God als uitgangspunt voor zowel Zijn woord-daad als voor ons spreken en handelen ziet. Het valt mij op, dat Borgman door de jaren heen katholieker is geworden, maar ik begrijp moeiteloos, dat het charisma van de nieuwe paus (mijn vrouw vroeg me recent naar aanleiding van een optreden van hem op televisie half-serieus, of wij niet ook katholiek moesten worden) dat minstens mede veroorzaakt. Tegelijkertijd ben ik het ten diepste met Borgman eens: als we in de kerk blijven, zullen we minstens een beetje van haar moeten houden, want anders wordt het helemaal niets.

 

 

Edward Schillebeeckx, Verhalen van een levende. Theologische preken van Edward Schillebeeckx, bezorgd door Hadewych Snijdewind, Valkhof Pers Nijmegen 2015, 442 pag., € 42,50. ISBN 978 9056 253851.

 

Van Erik Borgman naar zijn leermeester Edward Schillebeeckx is een kleine stap. Daar zal hij ook zijn liefde voor de kerk hebben opgedaan. Zes jaar na zijn dood heeft zijn laatste assistente deze prekenbundel, die hij zelf nog had samengesteld, door haar ingeleid en gepresenteerd, nu het licht doen zien. Het is in meerdere opzichten een gewichtig boek. Het is een lijvig boek geworden, maar ook de preken, die hij hield voor zijn medebewoners in het Mariaconvent in Berg en Dal, waar hij de laatste dertien jaar van zijn leven heeft doorgebracht, zijn gewichtig. De aanduiding ‘theologische preken’ is zeer terecht. Wie deze preken hoort of leest zonder enige theologische voorkennis zal regelmatig met de oren klapperen. De preken zijn niet chronologisch, maar op onderwerp gerangschikt. In het eerste (grootste) gedeelte aan de hand van het kerkelijk jaar, in een tweede deel worden de belangrijkste aspecten uit de theologie van Schillebeeckx nagelopen (sacramentsleer en ethiek). Het wordt afgesloten met een aantal late teksten van Schillebeeckx (waaronder een prachtige over de poëzie van Gezelle) en een bespreking van zijn theologie door Rosino Gibellini. Op een laatste pagina worden door zijn assistente zijn laatste woorden opgetekend. Zonder iets af te willen doen van dit mooie boek, denk ik: dat had niet gehoeven. Er is een indrukwekkende nagedachtenis op papier gezet, waaruit nog eens duidelijk wordt, dat Schillebeeckx echt de belangrijkste Nederlandse katholieke theoloog van de twintigste eeuw was, maar er hoeft wat mij betreft niet geprobeerd te worden zijn heiligheid aan te tonen. In mijn lessen kerkgeschiedenis voor de theologische vorming van gemeenteleden worden in het laatste jaar de belangrijkste theologen uit de 20e eeuw behandeld. Ik geef toe er was ook wat voor Rahner of Küng te zeggen geweest, maar ik behandel als enige katholiek Edward Schillebeeckx en het valt me op, hoe gemakkelijk het me valt om begrip voor hem te wekken bij protestantse cursisten. Wat de protestant natuurlijk onmiddellijk opvalt is dat in alle preken gepreekt wordt naar aanleiding van een tekst uit het tweede testament. Ik neem aan, dat Schillebeeckx het Romeins Lectionarium volgde, dat een pericopenrooster biedt met uitsluitend nieuwtestamentische teksten, maar een beetje jammer is het wel. De ‘theologische preek’ bestaat steeds uit twee delen, een inleiding en een homilie, waarbij mij niet duidelijk is – ik kon dat ook niet vinden in de inleidende woorden van de bezorgster – of hij de homilie heeft gehouden en de inleiding later voor de bundel geschreven, of dat in de bijeenkomsten zowel de inleidingen als de homilieën zijn voorgedragen. In deze inleidingen wordt vaak gewezen op de maatschappelijke relevantie van de uitleg en ook in de preken zelf zijn de maatschappij en de politiek zelden afwezig. Ik sluit af met voor mij één van de mooiste fragmenten uit de bundel. Het staat in een preek die met Pasen 2000 (Schillebeeckx is dan vijfentachtig, maar nog steeds even scherp en zorgvuldig) werd gehouden:

Wat in Argentinië uiteindelijk het geweld overwon, waren de machteloosheid en het hevige lijden om de vermoorde, vermiste geliefden. Zelf houd ik niet zo van een ‘bloedtheologie’, maar de kreet van die moeders – ‘Waar zijn de verdwenen lijken van onze geliefden?’- maakte me milder ten aanzien van de tragische symboliek van de (weliswaar elliptische) uitdrukking ‘dat we verlost zijn door het bloed van Jezus’. Het bloed dat door geweld van mensen wordt vergoten, wordt door de ontroostbare overlevenden inderdaad leven-gevend: verlossend bloed. Het waren de machteloze kreten van de 2500 dwaze moeders op de Plaza de Mayo, die bleven protesteren wegens hun vermiste, verdwenen geliefden, die tenslotte – na jaren volhouden – de Argentijnse dictatuur deden vallen. Zo ging het met ‘het bloed van het kruis’ (Kol. 1,20): in het vergieten van bloed en het verdwenen lijk, uiterst beeld van geweld en dood, wordt het vergoten bloed het symbool van verzoening en vrede.

Ik weet niet eens of aangetoond kan worden, dat het de dwaze moeders waren die het regime lieten vallen, maar dat is wel wat ik wil geloven en in dat licht wil ik ook het kruis van Christus begrijpen.

 

Hans Achterhuis & Maarten van Buuren, Erfenis zonder testament. Filosofische overwegingen bij de tien geboden, Lemniscaat Rotterdam 2015, 254 pag. € 19,95. ISBN 978 9047 707585.

 

Dat de tien woorden (zie het betoog van Maarten den Dulk in het bovengenoemde boekje) ook als je nergens meer in gelooft de grondslag vormen voor een humane samenleving is duidelijk, maar hoe begrijp je ze dan? In hun inleiding schrijven de auteurs (en dat nam mij zeker voor hen in): Wij zijn er beiden van overtuigd dat de traditionele benadering van de tien geboden hedendaagse mensen weinig of niets te bieden heeft. Maar een moderniserende uitleg die pretendeert zoiets als de eeuwige betekenis van de geboden te achterhalen, zien we toch ook niet zitten. We willen zo goed mogelijk recht doen aan de historische context waarin ze ooit werden geformuleerd. Ook al is er dan geen overgeleverd testament, we willen de erfenis niet verkwanselen. De tien woorden worden belicht vanuit filosofisch gezichtspunt.

Zo wordt (de eerste helft van het) eerste gebod (Ik ben de Heer, uw God) besproken tegen de achtergrond van het deus sive natura (god oftewel de natuur) van Spinoza. Dat hoofdstuk is van Martin van Buuren. Er is namelijk een behoorlijk verschil tussen de bijdragen van de beide auteurs. Van Buuren (hoogleraar Franse taal en letterkunde) vermijdt de theologie zoveel mogelijk, terwijl Achterhuis (die ooit nog theologie heeft gestudeerd) daarvoor minder koudwatervrees heeft. De theologische uitspraken die laatstgenoemde wel doet, zijn bovendien niet zelden raak. Wat te zeggen van de volgende zinnen: Het monotheïsme is een late verworvenheid in de geschiedenis van de mensheid. Paradoxalerwijze maakt het joodse geloof in een enige, absolute, transcendente en onzichtbare God de weg op aarde vrij voor de mens. De secularisatie van de moderne wereld kan zo beschouwd worden als de uitkomst van een lang religieus proces, waarin het eerste gebod een belangrijke rol speelt. Zo’n uitspraak in al het tweede hoofdstuk maakt nieuwsgierig en stimuleert tot verder lezen. En er valt veel moois te lezen. In het hoofdstuk over “Gij zult niet doden” gaat Van Buuren in op Georges Bataille (die ik alleen maar ken, omdat mijn studievriend Laurens ten Kate op hem gepromoveerd is), die zegt dat zowel het verlangen van de mens om zich te beschermen tegen aanvallen op zijn lichamelijke integriteit als het verlangen om zich te buiten te gaan aan agressie, moord en doodslag, wezenlijk zijn voor de mens. Zo komt dat op het oog vanzelfsprekende gebod opeens in een dialectische spanning te staan. Dat Hans Achterhuis een meer dan gemiddeld exegeet is, blijkt ook uit zijn opmerkingen naar aanleiding van het Gebod om vader en moeder te eren. Hij refereert aan de serie over de Tien Geboden in Trouw, waarin talloze mensen verteld hebben, dat ze zich daar niet aan kunnen houden, omdat hun ouders hun leven vergald hebben. Hij schrijft dan: “Maar om “houden van” gaat het niet in het vijfde gebod. Wie aan zijn ouders gewicht geeft (‘kabod’), zet hen juist op enige afstand.” Wat verderop stelt hij vast: “Het vijfde gebod is het enige met een voorwaardelijk karakter. Wanneer het wordt nageleefd, opent het een toekomstperspectief.” Zo worden er diverse verrassende accenten gezet, die ook theologen, die ‘gewoon’ de Tien Woorden uit willen leggen tot nadenken kunnen stemmen.

 

Ja en dan zou ik hier natuurlijk ook het laatst verschenen (veertiende) deel van het Verzameld Werk van Miskotte over mystiek en bevinding moeten bespreken, maar dat doe ik niet, omdat ik bang ben, dat een bespreking in dit korte bestek nauwelijks meer kan zijn dan een aankondiging (die ik bij deze doe) en het boek een serieuze en grondige bespreking verdient. Wie zich geroepen voelt tot zo’n bespreking….. we zullen die graag opnemen in de volgende Ophef.

 

 

 

Pagina's:12»

Nieuws

WORD LID

Bent u al lid van de VTM?

Dat kan heel makkelijk via: secretariaatvtm@gmail.com

 

EEN ABONNEMENT OP OPHEF?

Dat kan! Stuur een email naar  secretariaatvtm@gmail.com