Oecumenisch denkplatform voor hartstochtelijke en maatschappelijk betrokken theologie. Ook op twitter en facebook

“De barmhartige Samaritaan” – Jannie Nijwening

Een overweging door Jannie Nijwening.

Uit: Ophef 2015, 18e jrg., nr.1, blz. 35-38.

 

Op 8 februari 2015 werd er in de Doopsgezinde kerk van Den Haag een zogenaamde ‘vriendendienst’ gehouden.

 

Aan regelmatige kerkgangers was gevraagd om op deze zondag iemand mee te nemen die niet zo vaak of nooit in een kerk kwam. Het was bijna Valentijnsdag en daarom stond de dienst in het thema van liefde en vriendschap. In het gewone leven heeft liefde en vriendschap iets exclusiefs; er wordt wel gesproken over die ene, de ‘ware liefde’, en als er wordt gezegd dat iemand een allemansvriend is, wordt dat over het algemeen niet als een compliment bedoeld en opgevat. Ik wilde niet op deze, maar op de bijbelse manier spreken over liefde, op een inclusieve manier. Over God, die spreekt over de mens die naast ons is en mens is als wij. God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf, daar komt het eenvoudigweg op neer in het bijbelse verhaal.

 

Overweging bij de lezing uit Lukas 10: 25- 37

 

De aankondiging voor deze dienst beloofde dat het een vrolijke dienst zou worden. Vriendschap is ook een heel mooi en warm thema, maar ik vind het belangrijk om de wereld waarin we leven recht te doen. Dan is het niet alleen maar vrolijk en warm. Soms gaan vriendschappen stuk.

Je kunt langzaam uit elkaar groeien en elkaar kwijt raken. Dat is jammer maar zo gaat het soms in het leven. Een vriend of vriendin kan je ook verraden; daar ben je niet zomaar even mee klaar. Het kost tijd, soms een leven, om weer te leren vertrouwen.

En dan hebben we het nog niet over de grote wereld waarin we leven en waar steeds weer nieuwe vriendschappen worden gesloten als zich  een nieuwe vijand aandient. Dreigementen, wapengekletter, je kunt er wanhopig van worden.

Wat daar ver weg gebeurt, heeft steevast gevolgen voor hoe wij in dit land met elkaar omgaan. Of liever niet met elkaar omgaan…

Vriendschap: als we het daarover hebben gaat het ook over het tegenovergestelde: mensen die niet onze vrienden zijn. Die vreemden zijn, of vijanden… En mensen die ons onverschillig laten, dat is misschien wel het ergste.

 

De vraag hoe  mensen met elkaar kunnen omgaan op een manier die goed is en goed doet, is een kernthema in de bijbel.

Als we de vraag naar God stellen, krijgen we van de bijbel steevast het antwoord:

blijf niet staren naar de hemel maar leef met beide benen op de grond, daar hoor je thuis, doe wat je hand vindt om te doen.

Deze aarde is Gods geschenk aan ons, we moeten goed voor haar zorgen en het met elkaar zien te rooien.

Dat dit ons vaak niet zo goed afgaat, weet de bijbel ook. Hij (Zij) houdt ons een spiegel voor: strijd, oorlog, wij-zij denken: het is niet wat God wil maar wat wij doen, het is zo oud als de mensheid.

 

Ook Jezus ontkwam niet aan het wij-zij denken: hij groeide op in een bepaalde tijd, op een bepaalde plaats, kreeg een geloofsovertuiging mee van zijn ouders. Als Joods jongetje was hij thuis in de synagoge. Maar, als we de verhalen mogen geloven, was hij van jongs af aan in gesprek over wat nu werkelijk belangrijk is in het leven. Als je dóórdenkt, dóórvraagt, waar kom je dan uit?

 

Wat is leven, dat niet flut is, maar dat indruk maakt, blijvende indruk? Met andere woorden: “wat is eeuwig leven”? Het is de belangrijkste vraag die een mens kan stellen en die vraag wordt aan Jezus voorgelegd.

“Hoe krijgt mijn leven eeuwigheidswaarde?”

Het is niet de eerste de beste die het vraagt, het is een Schriftgeleerde, iemand die er zijn beroep van heeft gemaakt de heilige teksten te bestuderen. Jezus antwoordt eerst met een tegenvraag:

“Wat staat er in onze heilige schrift? Hoe lees je wat daar staat?”

Dat weet de vragensteller, hij is immers een geleerde die de Thora bestudeert.

“Dan weet je ook het antwoord,” zegt Jezus en het is eigenlijk zo simpel.

Liefde. Liefde maakt dat je leeft. Liefde geeft je kwaliteit van leven.

Maar de geleerde is nog niet klaar.

Wie is die naaste, die ik moet liefhebben?

De vraag doet me denken aan het organiseren van een feest. Je hebt iets te vieren en vraagt jezelf af: wie zal ik uitnodigen? Als ik oom Piet vraag, kan ik het niet maken om tante Truus niet te vragen en die zou ik er nu juist liever niet bij hebben… En het moet ook weer niet een te grote groep worden…

Het heeft iets zuinigjes: wie is mijn naaste? Hoeveel mensen moet ik liefhebben, waar en wanneer mag ik een grens trekken? Wie mag ik met een goed geweten buitensluiten?

 

Ja, wat kun je antwoorden op zo’n vraag?

Jezus vertelt een verhaal, bij wijze van antwoord. Een verhaal is open, nodigt uit tot reflectie, tot het doen van nieuwe ontdekkingen.

Met wie identificeer ik me?

Er was eens…. en Jezus vertelt. Een verhaal dat heel bekend is geworden, het verhaal van de barmhartige Samaritaan. Samaritanen en Joden gingen niet met elkaar om. De Joden hadden Jeruzalem als heilige stad, de Samaritanen hadden hun eigen heilige berg, de Gerizim. De Joden keken neer op de Samaritanen omdat in hun ogen hun religie niet deugde. What’s new?

Als we dit weten dan kunnen we ons misschien voorstellen hoe schokkend en aanstootgevend dit verhaal moet zijn geweest. Vrome Joden laten een man creperen en zo’n foute man, niet eentje van ons, steekt de helpende hand uit en nog veel meer.

(Ik weet niet of mijn contract zou worden verlengd als ik hier elke zondag een soortgelijke preek zou houden over doopsgezinden die aan de overkant van de straat voorbijgaan terwijl een …. vult u maar in, iemand die u niet zo hoog heeft zitten, de reddende engel zou zijn…)

Ik snap het wel, dat Jezus bij sommige mensen nogal wat irritatie opriep.

 

Het verhaal is verteld en dan de vraag aan het slot. Even eenvoudig als meesterlijk. De vraag is niet: wie is mijn naaste (en wie is mijn naaste niet!) maar: van wie ben ik de naaste?

Een simpele omkering, maar hier draait het om in de hele bijbel.

Van wie ben ik daadwerkelijk de naaste?

Heb ik de wereld keurig ingedeeld in wij en zij, of nog veel meer hokjes?

Dan is het goed dat ik hier ben.

Jezus groeide natuurlijk ook op bij een groep die zijn thuis was: zijn familie, zijn dorp, zijn geloofsgenoten. Maar hij kon het niet laten om steeds weer uit te breken, uit alle hokjes, grensverleggend, grensdoorbrekend op te treden, alles aan zijn sandalen lappend.

Het verhaal van de barmhartige Samaritaan brengt me bij een oude indiaanse vrouw. Ze was wijs en gelukkig en stond in hoog aanzien. “Hoe bent u zo geworden?” vroeg men haar. Ze antwoordde: “In mijn hart wonen twee wolven: een wolf van liefde en een wolf van haat. Het hangt er allemaal vanaf welke wolf ik iedere dag te eten geef.”

 

Wat voor deze vrouw geldt, geldt voor ons allemaal. De wolf van haat horen we grommen in verre oorlogen en ook in onszelf, wanneer we meedoen aan kwaadspreken, uitsluiten. De wolf van haat beschouwt slechts het eigen land, of de geloofsgenoten, of alleen de eigen vrienden en familie als ‘wij’. Een ‘wij’ dat wordt omringd door dreigende massa’s ‘zij’.

Elke tijd heeft zijn eigen ‘zij’s’. Hoe de wereld eruit ziet wanneer we met z’n allen de wolf van haat voeden, dat kunnen we dagelijks zien.

Maar dit is de helft van het verhaal. Het goede nieuws is dat er nog een wolf is.

Ook de wolf van liefde woont in onze wereld en in onszelf: wij mensen zijn in staat tot mededogen, empathie, vriendelijkheid, tot grensverleggend en grensdoorbrekend gedrag.

Als we de wolf van liefde voeden leven we in een onmetelijke ruimte waarin alle mensen opgenomen worden in de kring van ‘wij’.

Dan is er geen ‘zij’ meer.

You may say I’m a dreamer. Maar ik ben niet de eerste en niet de enige.

Velen zijn ons voorgegaan en velen lopen met ons op.

Welke wolf willen we te eten geven?

Liefde geven, vriend en naaste zijn van wie ons levenspad kruist: we kunnen er voor kiezen en zo de wereld, te beginnen bij onze eigen stad, zoveel mooier en vrolijker maken. Het is alles behalve soft: het is subversief, te gek. Laten we eens gek doen.

We hebben niets te verliezen, een wereld te winnen.

Amen.

 

Als slotlied zongen we: “Dan zal ik zwaaien naar vreemden, ze zullen mij groeten. Wie was mijn vijand? Ik zal hem/haar in vrede ontmoeten…”

 

Uitzending en zegenbede

Een rabbi vroeg eens aan zijn leerlingen:

“Hoe je weet wanneer de nacht ten einde is, en de dag begint?”

De één zei: “Dat is wanneer je een hond van een schaap kunt onderscheiden.”

“Nee”, zei de rabbi.

“Is het dan wanneer je van verre een dadelboom van een vijgenboom kunt onderscheiden?” vroeg een ander. “Nee”, zei de rabbi, “het is als je in het gezicht van de mens die je tegenkomt kunt kijken en daarin het gezicht van je broer of je zus ziet. Totdat het zover is, is de nacht nog bij ons.”

Gaat we met God, zodat we steeds meer mensen van de dag worden:

 

Moge Gods liefde ons omgeven,

haar trouw ons dragen en

zijn vrede ons hart vervullen,

bij al ons streven God en de mensen van dienst te zijn.

Amen.