Oecumenisch denkplatform voor hartstochtelijke en maatschappelijk betrokken theologie. Ook op twitter en facebook

“De Bijbel als fictie” – Geert van Istendael

“De Bijbel als fictie”

Geert van Istendael

 

Lezing gehouden op 1 december 2016 op het symposium naar aanleiding van de honderdste geboortedag van Frans Breukelman.

Geert Istendael is geen theoloog, maar een groot liefhebber van de taal en het verhaal, die de liefde van Frans voor die Bijbelse verhalen moeiteloos aanvoelde en duidelijk maakt, dat je helemaal niet gelovig hoeft te zijn, om dit fantastisch te vinden.

 

Voor u staat een volkoren, onbespoten rooms-katholiek exemplaar van de menselijke soort. Dit exemplaar mag dan wel het geloof in de una sancta ver van zich af hebben willen slingeren, de inspanning heeft nagenoeg niets opgeleverd. Eens rooms, altijd rooms, hoe zeer je ook God loochent. Het kleeft aan je lijf en leden. Het dooradert je taalgebruik. Je gebaren, je blik, je vragen, je antwoorden, er is niets aan te doen. Bijgevolg is het raadzaam daar lucide introspectie op toe te passen, anders gezegd, er bij jezelf een permanent alert observatiecentrum op na te houden.

Ik meen vernomen te hebben dat iets vergelijkbaars geldt voor calvinisten, maar daar kan ik geen zinnige uitspraken over doen. Het calvinisme is voor mij een vreemde godsdienst, buitengewoon boeiend, dat zeker wel, raadselachtig, verrassend, zwaar onderschat en geminacht door lieden die er hoegenaamd geen verstand van hebben. Maar mij vreemd.

Enkele jaren geleden heb ik me verdiept in het Reformatorisch Dagblad, vooral bladzijde 2, de religieuze berichtgeving. Het was me niet geschonken door te dringen in de slechts door middel van een krachtige microscoop waarneembare verschillen tussen gereformeerden vrijgemaakt, oud-gereformeerden, het gekrookte riet, hersteld hervormden, voortgezetten en andere exotische volksstammen die de draslanden bevolken tussen Axel en Zwartsluis. Mijn ex-roomse hersens zijn daar gewoonweg niet voor geprogrammeerd.

Dat bevreemdende voor mij kan op zijn beurt u bevreemden omdat beide – katholicisme en calvinisme – varianten zijn van het christendom en beide een beroep doen op dezelfde heilige boeken. Maar de bijbelvastheid die de calvinist ingelepeld krijgt vanaf zijn prilste jeugd, die kan een rooms-katholiek nooit meer inhalen, tenzij hij er speciaal voor doorleert. En dan nog.

 

Dat wil niet zeggen dat in mijn kinderjaren de Bijbelse verhalen afwezig waren. Integendeel.

Een paar autobiografische notities lijken me nuttig als introductie tot mijn kleine reeks opmerkingen over de Bijbel als fictie. Zij zijn meteen ook de eerste uitleg bij mijn drievoudige uitgangspunt:

  • Fictie in de hersens van lezer en toehoorder.
  • Fictie die in de Bijbelverhalen zelf zit. Die dus intrinsiek is.
  • Het grote belang van de taal, ook in verband met de vorige twee punten.

U zult merken dat van meet af aan een zekere dubbelzinnigheid binnensluipt in mijn uiteenzetting. Vermoedelijk zal u dat niet verbazen. Dat heb je nu eenmaal met die katholieken.

 

De Bijbelverhalen hadden voor een kind als ik er een was iets dubbelzinnigs. Iets tussen non-fictie en fictie in, waarbij zonder mankeren het non-fictionele belangrijker werd geacht dan het fictionele. Het was het enige dat telde.

Enerzijds werden zij gepresenteerd als de absolute, historische waarheid. Twijfelen was ten strengste verboden, ondanks alom fladderende engelenvleugels en water dat in wijn veranderde en doden die plotsklaps opstonden. Voor kinderen is dat geen onoverkomelijk probleem. Per slot van rekening geloofde je ook in Sinterklaas en Zwarte Piet – dat laatste lijkt vandaag dan weer ten strengste verboden te zijn, ten minste in Nederland. Zo vindt iedere tijd wel zijn eigen taboes uit.

Anderzijds en tegelijkertijd hadden die verhalen iets fictioneels. Onmiskenbaar, al sprak je dat niet uit. Duidelijk gezegd: al durfde je dat niet uit te spreken. Deed je het toch, banbliksems werden je deel.

Er bestond bijvoorbeeld een Bijbelse stripreeks van Willy van der Steen, jazeker, de uitvinder van Suske en Wiske. Suske en Wiske kwamen eerst, laat daarover geen misverstand bestaan, maar Studio Van der Steen produceerde ook de reeks Judi, getekend door Karel Verschuere en die strips werden niet uit de huiskamer geweerd.

Het eerste album heette De Zondvloed. De held van het verhaal was een jongen die Judi heette. Het bijzondere was nu dat in de volgende delen van de reeks deze jongen Judi altijd een jongen bleef. Zijn leeftijd veranderde nooit, het hele Oude Testament door, een biologische afwijking die hem in staat stelde persoonlijk alle Bijbelverhalen mee te maken, van op de eerste rij als het ware. Beter, hij speelde zelf mee. Het is een handig literair procédé, het wordt vaker gebruikt.

Wij herkenden die Bijbelverhalen maar al te goed, ik zal u straks vertellen hoe dat kwam, en die verhalen bevatten de waarheid. De goddelijke waarheid. Voor onze ouders en schoolmeesters en pastoors en kapelaans en bijgevolg ook voor ons, kinderen, stond dat als een paal boven water.

Strips echter konden ook voor ons géén waar gebeurde verhalen zijn, zo dom waren we niet. Een jongen die eeuwen lang geen dag ouder wordt, dat kon niet waar zijn. En toch filterden we alles wat voor ons boven twijfel verheven was er netjes uit en de fictie goten we in een andere kom. Denk aan punt één, de hersens van de ontvanger. Het leek er sterk op dat we het literaire procédé, de verhaaltruc, helemaal doorgrondden, maar dat kan ik, terugblikkend, nauwelijks aannemen. In ieder geval, we accepteerden dit fictionele gegeven zonder er diep bij na te denken, naast, niet los van de geopenbaarde waarheid.

 

Hoe hadden wij de Bijbelverhalen leren kennen? Wij die nooit de Bijbel lazen? Niet dat de lectuur van de Bijbel echt verboden was, die tijd begon net voorbij te gaan, maar Bijbellezen werd zeker niet aangeraden. Une lecture judicieuse est à conseiller, zeiden de Franstalige Belgische jezuïeten, een oordeelkundige lezing verdient aanbeveling. Met exact dezelfde bewoordingen hadden zij het over gevaarlijke fictie, non-fictie en poëzie. Gevaarlijk voor het Roomse geloof, het enige ware, en voor de goede zeden. Balzac, Simone de Beauvoir, Cervantes, Darwin, Victor Hugo, Flaubert, Baudelaire, André Gide, Maeterlinck (onze enige Nobelprijs literatuur), Sartre, Spinoza, Gerard Walschap, Emile Zola, Voltaire, die en nog honderden anderen mocht je niet lezen. Ten strengste verboden. Al die namen stonden op de Index Librorum Prohibitorum, tot 1966, en toen was ik negentien en waren mijn kinderjaren voorgoed voorbij. Het scheelde echt niet veel of de Bijbel hoorde thuis in de rij. Je kunt je slechter gezelschap voorstellen.

Het spreekt dus vanzelf dat wij de Bijbel nooit lazen. Maar in de lagere school stond op het programma wél een apart vak, dat géén deel uitmaakte van de lessen godsdienst, en dat heette Gewijde Geschiedenis. De handboeken Gewijde Geschiedenis bevatten een selectie van de Bijbelverhalen, deels Oud Testament, maar grotendeels toch Nieuw Testament, vooral de evangelies.

Een vreselijk vak. O wat heb ik het gehaat. De Bijbelverhalen waren door een of andere pilarenbijter gesopt in wijwater en daardoor klef geworden. Alle denkbare literaire hulpstukken werden aangesleept om ze toch vooral saai te maken, slap, kleurloos, geurloos, smaakloos. Slechte fictie, maar dat mocht je vooral niet zeggen. Terugblikkend kan ik alleen maar zeggen dat de Nieuwe Bijbelvertaling dan toch nog beter is dan onze Gewijde Geschiedenis en ik vind de Nieuwe Bijbelvertaling, ten minste, wat ik ervan gelezen heb, buitengewoon slecht.

 

Nu komen we bij de tweede afdeling.

De fictionele waarde die de Bijbelverhalen bevatten. Op zich. Intrinsiek.

Hoe ergerlijk slecht, hoe hopeloos slecht de Bijbelverhalen ook werden verteld, de vrome auteurs slaagden er niet in ze kapot te krijgen. Ik moet aannemen dat dat de laatste van hun bedoelingen was, hoewel alles erop wees dat ze betaald werden door een of ander zwaar antiklerikaal en goddeloos genootschap om de roomse kindertjes een duurzame afkeer in te peperen van alles wat met geloof te maken had. Maar ik geloof niet in complottheorieën. Weg daarmee dus.

Nee, die dekselse verhalen bleven overeind, gemaltraiteerd, geschonden, zwijmelend, maar neerstorten, dat deden ze niet. Gedeeltelijk kwam dat omdat we erin moesten geloven en als ik hier nu zei, geloven tegen heug en meug, dan zou ik liegen. Dat geloof was er wel degelijk en er werden geen vragen bij gesteld. Het was onze normaliteit, elke dag. Maar er was toch meer aan de hand. De Bijbelverhalen bleven overeind omdat zelfs de sulligste kalfskop er nooit in zou slagen ze naar de duivel te helpen. Zij zijn intrinsiek onverwoestbaar. Mijn punt twee.

Was ik gelovig, ik zou hierin de vinger van God zelve zien. Misschien moet ik, hoe ongelovig ook, die er wel in zien. De zondvloed, Jozef en zijn snode broers, David en Goliath, de verloren zoon, de vijf broden en de vijf vissen, noem ze maar op, krachtig beeld, krachtige plot, spanning, verlossende momenten, raadsels. Wat kan een mens meer verlangen?

De dieren die naar de ark trekken, die eindeloze rij vergeet je toch nooit. Hoeveel keer zou ze afgebeeld zijn? Getekend door kinderen van de lagere school die thuis een hond of een poes hebben waar ze aan verknocht zijn. Of Jozef die in de put moet rotten, maar er heelhuids, ja, zelfs zegevierend uitkomt en daarna weer sores krijgt met Potifar en ook daar glansrijk uitkomt. De kleine jongen die de reus velt met één welgemikte steenworp. De vader die zijn ontaarde zoon omarmt – wie had dáármee gerekend? En dan die zalige overvloed van brood en vis, die ons voorhoudt in een wereld waar honderden miljoenen elke dag aan den lijve voelen wat honger lijden écht betekent: er is genoeg voor iedereen. En, u weet het beter dan ik, zo kunnen we verhalen blijven opdissen, het ene al aangrijpender dan het andere, tot vanavond, ver na de borrel.

De Bijbelverhalen, voor zover ik ze ken, bleven overeind dankzij hun onvergelijkelijke fictionele kwaliteit. Zij hebben het geloof niet nodig. Zij kunnen moeiteloos op zich worden verteld en overgeleverd, zij kunnen mensen in de hele wereld, tot luisteren dwingen. Adem ingehouden, rode oren, tot hartkloppingen toe. Ik ben ervan overtuigd dat de fictionele waarde van die verhalen zo fenomenaal is, dat ze ook buiten hun context niets van hun aantrekkingskracht verliezen. Intrinsiek dus.

Enkele jaren geleden kreeg mijn dochter – zij kan tekenen als weinig anderen, er is geen vadertrots nodig om dat vast te stellen –  de vraag om het kerstverhaal te illustreren. Zij vervaardigde een reeks prachtige tekeningen en men vroeg mij om de tekst te leveren. Ik heb dan maar Lucas 2:1-20 herlezen en Matteüs 2:1-18, want de wijzen uit het oosten moesten er ook bij. Ik raadpleegde vier versies: de Statenvertaling, de Naardense bijbel, de Franse vertaling van Chouraqui en de Duitse Luthervertaling. De laatste is zoals u weet de oudste en je kunt er, neem ik aan, heel wat op aanmerken, zowel theologisch als exegetisch en historisch. Maar ik ben noch een theoloog, noch een exegeet, noch een historicus. Ik probeer mijn kost bij elkaar te scharrelen als schrijver.

Nu verwijs ik al gedeeltelijk naar mijn derde punt, het belang van taal. Wat mij in Luthers vertaling trof, als een vuistslag in het gezicht, was de weergaloze kracht van zijn taal. Dankzij dat forse, boerse – Luther had, zoals bekend, dem Volk aufs Maul geschaut, dankzij dat bedrieglijk eenvoudige, enigszins archaïsche Duits, begon het kerstverhaal te glanzen zoals ik het nog nooit had zien glanzen en ik kende het onderhand toch al meer dan een halve eeuw. Op zich is het kerstverhaal al ijzersterk – de koning van ons allen die in een tochtige stal tussen stro en mest wordt geboren, de vredesbelofte vanuit de wolken, de drie wijzen, wij noemen hen koningen, die diep komen buigen voor een blote zuigeling. Luthers Duits verheft het verhaal tot op het duizelingwekkende niveau van de allerhoogste poëzie, de allerhoogste fictie ook. Homerus, Ovidius, Dante, Shakespeare, Tolstoj, om er slechts enkele te noemen.

Maar zelfs zonder Luther, slechts in mijn nederige Nederlands, werkt het verhaal probleemloos. Als verhaal. Op zich. Intrinsiek. Je trekt de mechaniek op gang, de verhaalmotor begint te snorren en hop, het is vertrokken.

Ik heb het kerstverhaal voorgelezen voor een gezelschap van goddeloze kindertjes, een jaar of zeven, acht waren ze, en dankzij hun verlichte ouders werden ze niet belast met duistere, centenaarszware gewichten als traditie, overlevering, godsdienst, geschiedenis, poëzie. Ze luisterden ademloos. Rode oren, ik vermeldde die al, diepe zucht aan het eind incluis. Voor hen was dit verhaal er een uit de categorie van Sneeuwwitje, Hans en Grietje, Klein Duimpje en ga zo maar door, want die kregen ze blijkbaar toch nog wél. Ook dat zijn steengoede verhalen. Ook zij staan op zich. Zij maken geen enkele aanspraak op goddelijke waarheid. Wel, op die manier kun je ook de Bijbelverhalen lezen.

Misschien kan ik mijn punt verduidelijken met een heel ander voorbeeld, dat met de Bijbel niets te maken heeft.

U kent allemaal het verhaal van Odysseus en zijn metgezellen, die klem zitten in het hol van de cycloop Polyphemus. Pure literatuur, pure fictie. Eveneens ijzersterk: gevangenschap, duisternis, list, verlossing en wraak. Oud Grieks. Welnu, dat verhaal wordt ook verteld in Lapland, onmiskenbaar hetzelfde verhaal, uiteraard niet exact, tot in elk detail, maar toch meer dan alleen in grote trekken. Veel meer. Vermoedelijk werd het door een of andere zwervende predikant of pelsjager aan de Sami verteld, maar dat weten we eigenlijk niet. In ieder geval, de context, sneeuw, ijs, rendieren, poolcirkel heeft in de verste verte niets te maken met de zonovergoten vakantiebestemming Griekenland en zo mogelijk nog veel minder met het antieke Griekenland. Toch werd het mondeling overgeleverd door de Sami, op zijn minst al een paar honderd jaar, dat weten we dan weer wel. Het is fictie van de bovenste plank en die fictie is op zich in staat om overeind te blijven, wat je er ook mee uitspookt. We kennen allemaal de navertellingen zonder kraak of smaak, met daarnaast prentjes die het midden houden tussen onnozel en foeilelijk. En toch gaan de verhalen hun eigen gang. Iets vergelijkbaars kun je zeggen over de Bijbelverhalen.

De dreiging met hel en verdoemenis kan door merg en been gaan, maar ook de taal op zich, mijn derde uitgangspunt, kan je de stuipen op het lijf jagen. In het Nederlands blijft, vind ik, de Statenvertaling ongeëvenaard, hoewel de Luthervertaling er nog ver bovenuit gaat. De Nieuwe Bijbelvertaling maakt de kapitale fout hedendaags te willen zijn, terwijl iedereen die voorlezingen uit de Bijbel beluistert, gelovig of ongelovig, goed weet dat wat je te horen krijgt eeuwen oud is. Het resultaat is slapte, welzijnswerkersnederlands, geklooi met jij en u, demystificatie en demythificatie van een tekst die net zijn kracht haalt uit de verbinding tussen helderheid, raadsel en troost. In het ergste geval slaat verveling toe. Ja, zelfs dat kan, dat is niet in tegenspraak met alles wat ik daarnet stelde, niet alle passages uit de Bijbel zijn even spannend.

 

Ik veroorloof me nu een kleine parenthesis.

Ik wil het hier hebben over de functie van de Bijbelse fictie vandaag en morgen.

Voor gelovigen ligt dat niet zo ingewikkeld. Zij kunnen, mits ze zich even inspannen, makkelijk het fictionele scheiden van de geloofsinhoud. Willem Barnard heeft me ooit toevertrouwd dat het de Here behaagd had zich tot zijn schepselen te richten in woorden. Verhalen. Boeken. Dat biedt een heel eigen kijk op de goddelijke openbaring. Ineens wordt de grens tussen grote waarheid en grote fictie wat zwemmerig. De grens snijdt niet meer in tweeën: hier de opperste waarheid, daar alles wat je niet zo letterlijk hoeft op te vatten. Je hebt veeleer een grensgebied waar je door trekt, dwaalt, als ik dat woord hier mag gebruiken. Je moet zelf maar proberen te achterhalen waar misschien de waarheid zou kunnen beginnen. Je kunt daarvoor goede raad krijgen van gemeenteleden en voorgangers. Van onbekende voorbijgangers desnoods. Maar dat wil zeggen dat je zekerheden moet laten varen.

Ik vrees echter dat rechtgelovigen daar niets mee te maken willen hebben. Ik ben daar eigenlijk heel zeker van. Je hebt er die zo diep overtuigd zijn van de goddelijke openbaring dat ze weigeren ook de kleinste splinter fictie in de Bijbel te ontwaren. Ze willen niet anders. Misschien kunnen ze ook niet anders. In die andere grote godsdienst met dat andere boek is zulke overtuiging angstaanjagend krachtig en gewelddadig aanwezig.

Maar ook ongelovigen willen wel eens de Bijbel lezen. Voor hen geldt wat ik daarnet zei. Bekijk het als een fictionele begeleiding van een leven zonder geloof. Want ook als pure fictie, los van kerk en geloof, blijven grote stukken van de Bijbel fascinerende lectuur.

Ik heb het tot nu toe hoofdzakelijk gehad over Bijbelverhalen. Dit gezelschap weet uiteraard dat de Bijbel ook grote poëzie bevat en filosofie.

Ik wil het hier toch ook even hebben over de poëzie, want daar zie ik een levensgroot probleem. Neem het bekendste voorbeeld, de psalmen. Met uitzondering van een paar specialisten, leest men de psalmen in één of andere vertaling. Soms is zelfs berijming voorhanden. Het volgend heb ik alweer van Willem Barnard. Die zei: het is toch hoogst riskant die poëzie te vertalen uit een totaal anders gestructureerde taal dan de onze. Bovendien wil je dat de vertaling gezongen kan worden op melodieën die vaak stammen uit de zestiende eeuw. En dan wil je ook nog eens dat het allemaal rijmt.

Vertel het mij. Ik heb geprobeerd van Prévert en Brel zingbare vertalingen te maken. Van Brecht. Vanuit Hebreeuws standpunt zijn Nederlands en Duits dialecten van elkaar en is Frans een nauw verwante, want Indo-Europese taal. Dank je de koekoek. Het is zweten en zwoegen en het resultaat laat je vaak achter met een bittere smaak in de mond.

Gelukkig werden wij in onze taal gezegend met een schare begenadigde vertalers en berijmers. Barnard uiteraard, Martinus Nijhoff, Schulte Nordholt, Jan Wit, er zijn er nog meer, u kent de namen. En ja, zij zijn er meer dan eens in geslaagd vertalingen te schenken die mij althans haast laten vergeten dat het vertalingen zijn. Ik geef één voorbeeld, willekeurig gekozen, strofe drie uit Psalm 104:

 

Uw bronnen zenden beken in het dal,

zij storten neer als steile waterval,

verbreden zich tot rustige rivieren.

Van alle kant verzamelen zich de dieren.

Zij komen langzaam nader uit het bos,

woudezels stappen op het zachte mos

het water tegemoet om er te drinken.

Vogels doen overal hun lied weerklinken.            

 

Het kan me niet schelen of deze vertaling getrouw is, werkelijk, het kan me geen barst schelen. Nog minder kan het me schelen of dit theologisch en tekstkritisch allemaal in orde is. Ik lees een sprookjesachtig mooi gedicht. Bovendien lijken woorden en melodie voor elkaar geschapen te zijn, wat niet klopt, niet kán kloppen, de tekst werd overgenomen uit het Liedboek voor de Kerken, editie 1973 en de wat sombere muziek ontstond in 1542/43 in het toen eveneens tamelijk sombere Genève. Toch lees en hoor ik grote pracht. Een ander zou het nu hebben over goddelijke inspiratie. Wel, inspiratie heeft altijd iets onverklaarbaars, dus goddelijks, maar wellicht zullen binnen afzienbare tijd neurologen de plaats innemen van theologen om dergelijke raadsels te ontrafelen.

 

Nu nog een paar notities over het belang van de taal voor de Bijbel als fictie.

Ik vertel u een banaliteit als ik zeg dat zowel taal als verhaal van de Bijbel ons hele bestaan doordesemt. De vertalers uit de zeventiende eeuw introduceerden hebraïsmen in het Nederlands die we niet meer kunnen missen, u weet het beter dan ik. Uit de zuidelijke dialecten van onze taal, uit het gebied dat door de Spanjaard werd bezet, kwamen eveneens woorden en wendingen in het algemene Nederlands terecht. Let wel, ik zei: dialecten, meervoud, en ik zei niet: Vlaams. Naar het schijnt bestaat er een studie die deze invloed sterk relativeert tot ontkent, maar de steller heeft het voortdurend over Vlaams, wat bewijst dat zij geen enkel inzicht heeft in de diepe taalverschillen die toen bestonden en nu nog steeds bestaan in het Nederlandstalige deel van de Spaanse Nederlanden c.q. België. Dat haalt haar stelling finaal onderuit.

Tot zover taal. Maar ook verhaal. Beeld. Figuren. Draad. Wisseling. Fictie die ons verbindt met de eeuwen voor ons. Die ons inzicht verschaft in en toegang tot onze eigen cultuur.

Dat op zich is al een goede reden om die verhalen aan steeds nieuwe generaties door te vertellen. Luc Devoldere, de hoofdredacteur van Ons Erfdeel, schrijft in zijn essays De verloren weg. Van Canterbury naar Rome (Amsterdam, Atlas, 2002) over een bezoek aan de kathedraal van Reims. Hij ziet daar toeristen die geen flauw benul hebben van wat het bezichtigde allemaal betekent. Hij vergelijkt hen met toeristen die een Egyptische tempel bezoeken. Zij kijken met aandacht en wellicht met eerbied naar de hiëroglyfen, maar ze snappen er geen bal van. Zij zijn er niet in thuis. Welnu, steeds vaker komt het me voor dat wij, Europeanen, niet meer thuis zijn in het christelijke gedeelte van onze eigen cultuur. Of culturen, als u wilt.

Vorig jaar schreef ik voor het tijdschrift Passage een klein artikel over de zeer vrome Duitse predikant-dichter Paul Gerhardt. Hij schreef de beroemde woorden O Haupt voll Blut und Wunden. Ik ging ervan uit dat zowat iedereen die woorden, maar niet de dichter kende. Nou, dat was een misrekening. Uiteraard was de dichter volslagen onbekend. Maar wat met de versregel? Een heleboel mensen jonger dan veertig keken me leeg aan. Ja, de Matthäus Passion, daar hadden ze wel eens iets van gehoord, maar het was hun nooit opgevallen dat Bach die woorden had gebruikt. En ik moest denken aan mijn dochter, die twintig jaar geleden kunstwetenschappen studeerde in Gent en die kwam vertellen dat haar medestudenten het knap moeilijk vonden om allerlei meesterwerken uit de schilderkunst te begrijpen. Van de kuise Suzanne tot de kruisafneming, ze wisten van toeten noch blazen. En ik moest denken aan het meisje, dertig jaar geleden, dat studeerde aan een katholieke kunsthogeschool in Brussel en dat me vroeg: de Bijbel, wat is dat?

Ik zuig dit niet uit mijn duim.

Ik vind het een zorgwekkende ontwikkeling en ze is al enkele decennia aan de gang. Ik vind het dan ook van levensbelang dat de kinderen, zowel in de lagere school als in latere jaren, grondig de Bijbelverhalen verteld krijgen, los van de godsdienstlessen, desnoods als pure fictie. Liefst in een krachtige vertaling, dat spreekt vanzelf.

Zeg niet dat het niet kan.

Ik heb Berberkinderen het passieverhaal uit de evangeliën zien spelen in de Johannes de Doperkerk in, jawel, in Molenbeek. Oud-Molenbeek nog wel, jihadistan. Die meisjes en jongens, een jaar of negen, tien, elf, deden dat vol overgave. En ze deden het goed. Ze zaten in een katholieke lagere school en dat hoorde er nu eenmaal bij. Niet dat de juf of de meester hen wilde bekeren, hou op, nee, maar tijdens de Goede Week hoor je je in dergelijke scholen bezig te houden met het passieverhaal. Bijvoorbeeld door het te acteren. Voor die kinderen was het even wonderlijk als de wonderlamp van Aladdin, die ze goed kennen. Of als een avontuur van Sinbad de Zeevaarder. Pure fictie dus. Een verhaal. Maar wat voor een verhaal!

 

Geert van Istendael is schrijver te Brussel (voorheen journalist) en auteur van een kleine dertig publicaties zowel proza als poëzie, waaronder de roman De zwarte steen, de dichtbundel Het geduld van de dingen en de essaybundel Mijn Duitsland.