Oecumenisch denkplatform voor hartstochtelijke en maatschappelijk betrokken theologie. Ook op twitter en facebook

“De herovering van de politiek” – Paul Kalma

Paul Kalma

uit: ‘Ophef’ december 2012, 17e jrg. nr.4, blz.31-36.

 

Dank voor uitnodiging om hier een bijdrage te leveren aan het doorlopende Grote Gesprek. Op basis van mijn boek ‘Makke schapen’, dat ik schreef vanuit een decennia lange betrokkenheid bij het reilen en zeilen van de Partij van de Arbeid. Ik ben nu al 37 jaar lid van die partij ben – en heb er het overgrote deel van die tijd ook beroepshalve voor gewerkt  – 30 jaar bij de Wiardi Beckman Stichting en van 2006 tot 2010 als lid van de Tweede Kamer

Een kritisch lid ook: –  waarbij ik mijn partij eerst, in de jaren ’80, een overmatig geloof in overheidssturing verweet – ook op economisch gebied en later het omgekeerde, nl het meebuigen (al dan niet tegenstribbelend) met een steeds verder oprukkend marktdenken.

Als onderwerp voor mijn verhaal koos ik een thema dat me sterk bezighoudt – en dat ook in Makke schapen. Over volgzame burgers en vluchtige politiek een belangrijke rol speelt. Het betreft de verregaande depolitisering die in landen als Nederland kan worden waargenomen – en dat in een tijd van financiële en economische crisis. Het is een merkwaardige ontwikkeling, die het voeren van een consequent, succesvol links beleid ernstig in de weg zit – maar die ook gevaren voor de democratie met zich meebrengt. En dat gaat iedereen aan, hoe ‘links’ of ‘rechts’, hoe politiek of maatschappelijk actief je ook bent.

1.

Hoe staat links er op dit moment voor? Gaat het echt zo slecht als ik zoëven al suggereerde? Op het eerste gezicht niet, zoals een  blik  op het Westelijk deel van de wereld duidelijk maakt. In de V.S. wonnen de progressieven de presidentsverkiezingen – met een grotere meerderheid dan verwacht. In Europa zijn er overwegend conservatieve regeringen aan de macht, maar die staan wel onder druk: in Zuid-Europa, waar de crisis zwaar toeslaat en het maatschappelijk protest heftige vormen aanneemt; en in mindere mate in de Noordelijke landen, waar dat protest beperkt blijft, maar gematigd-linkse partijen wel electorale successen boeken: in Frankrijk, België en Nederland – en op termijn wellicht ook in Duitsland en Engeland

Dat kon minder, zou je zeggen. Maar het is maar een klein deel van het verhaal. In Amerika voerde de Democraat Obama een voorzichtige middenkoers: Wall Street-vriendelijk; met onvoldoende aandacht voor de werkloosheid; en met de kans op verdere concessies aan de meerderheid die  de Republikeinen in het Huis van Afgevaardigden hebben – en die ze al eerder, in het kader van een sterk opgelopen staatsschuld, sterk destructief hebben ingezet.

In Europa is de situatie ook minder rooskleuring dan een paar  verkiezingsoverwinningen doen vermoeden. Dat geldt voor de Zuidelijke landen, waar links vermalen dreigt te worden tussen  hele of halve steun aan een draconisch bezuinigingsbeleid en een wanhopig, alternatiefloos verzet daartegen – terwijl in Noord-Europa de meeste sociaal-democratische partijen meebewegen met dat bezuinigingsbeleid; het in Europees verband helpen opleggen; en het ook in eigen land uitvoeren.

Nederland is er, helaas, sinds enkele weken een sprekend voorbeeld van. Met een regeerakkoord van liberalen en sociaaldemocraten dat hier en daar links gekleurd is (verdere beperking van de topinkomens in de semipublieke sector, meer rechten voor minderjarige asielzoekers, iets meer aandacht voor de positie van flexwerkers), maar dat sterk in het teken staat van onnodig zware, sociaal en economisch schadelijke bezuinigingen. En met een aantal maatregelen op het terrein van Sociale Zaken die (om met mijn oud-PvdA-collega in de Tweede Kamer Ton Heerts te spreken), ‘de sociaaldemocratie onwaardig’ zijn.

Dit alles (en ik zeg het niet ter verontschuldiging) in de hand gewerkt door een opmerkelijk mat politiek klimaat waarin      een holle retoriek de discussie beheerst (‘zijn wij voor of tegen hervormingen, voor of tegen financiële degelijkheid, voor of tegen Europa?’) en waar van maatschappelijk mobilisatie eigenlijk geen sprake is. We hadden een langdurige, redelijk succesvolle schoonmakers-staking, maar op straat en in de bedrijven was het de afgelopen jaren opmerkelijk rustig. Het  Malieveld bleef opvallend leeg; de vakbeweging was vooral met zichzelf bezig en als er  eens even opstand uitbreekt, zoals naar aanleiding van het nieuwe regeerakkoord, dan gebeurt dat alleen ter rechterzijde met hulp van de Telegraaf.

Dat alles overziend moet ik denken aan een uitspraak van de  Amerikaanse romanschrijver  Paul Auster. Die zei onlangs in een interview over politieke situatie in de Verenigde Staten en in Europa: ‘Links is ingestort en er is dus maar weinig grootschalig protest.’ Jongeren, zei Auster, protesteren niet – niet omdat ze niet kwaad zijn, maar omdat ze bij voorbaat vleuggellam zijn gemaakt. Hij wijst  op een afgenomen welvaart, hoge werkloosheid en een toenemende noodzaak om je in de schulden te steken voor een goede opleiding. ‘Het doet me denken (ik citeer) aan Winnie, een personage in het stuk ‘Happy Days’ van Samuel Beckett. Die vrouw zit eerst tot haar romp, dan tot haar hoofd en tenslotte helemaal begraven in een berg aarde. Ik heb  een intense bewondering voor de veerkracht van mensen. Maar die (veerkracht) is niet eindeloos.’

Het beeld is wel heel dramatisch dat Auster schetst – en  Nederland is, als het om de ernst van de crisis en de armoede gaat, Amerika niet. Maar je denkt wel: – hoe is het mogelijk die afwezigheid van heftige politieke strijd – hoe valt ze te verklaren – en niet in de laatste plaats: hoe kunnen we er verandering in brengen.

Daarover gaat mijn verhaal. En ik maak daarbij dankbaar gebruik van een leuze die   de Vlaamse zusterpartij van de PvdA, de SP.A ,  enkele jaren geleden gebruikte. Die luidde: ‘Verwondering, Verontwaardiging, Verantwoordelijkheid’  Een prachtige leuze, die fraai aangeeft waar het in de politiek om draait: om het nemen van maatschappelijke en bestuurlijke verantwoordelijkheid voor je idealen en voor een andere, betere samenleving; om verontwaardiging die je aanzet tot politiek handelen; en om een minstens zo belangrijke politieke eigenschap: het vermogen om je te blijven verwonderen over wat zich – de politiek niet uitgezonderd – in de wereld afspeelt

2.

Soms valt je mond inderdaad open van verbazing. Hoe is het mogelijk? Het financieel-economische denken, het inhalige kapitalisme: ze hebben dramatisch gefaald, maar blijven het beleid beheersen. Banken worden halfzacht aangepakt; het fusie/overnamecircus komt weer op gang; de marktwerking in en rond de publieke sector wordt niet ingeperkt; en we gaan vooral weer heel veel bezuinigen – in het bijzonder op de verzorgingsstaat. De  bevolking betaalt de kosten van de crisis die banken veroorzaakten, maar houdt zich, zoals gezegd, rustig .

De verbazing groeit nog verder als je beseft wat ruim dertig jaar overheersing van het financieel-economische denken heeft aangericht. Hier minder dan elders, maar niettemin aanzienlijke schade – onder en boven de waterlijn.  Ik noem:

* ten eerste: een ongelijke verdeling van de welvaartsgroei. De loonontwikkeling blijft in westerse landen structureel achter bij de groei van de winsten. Het zijn vooral de bedrijven en niet de werknemers die van de groei van  het  nationaal inkomen profiteren, ook in Nederland. De contractlonen zijn hier zelfs, gecorrigeerd voor de inflatie, in 25 jaar niet gestegen. Daar komt bij dat die winsten, anders dan vroeger, maar zeer ten dele voor investeringen (en dus  voor nieuwe werkgelegenheid) worden aangewend. Voorop staat verhoging van de beurskoers en van de uitkeringen aan aandeelhouders en bestuurders. Het is het kapitaal dat profiteert, niet de factor arbeid.

* ten tweede: werk- en inkomensonzekerheid. Reorganisaties zijn tegenwoordig geen uitzondering meer, maar regel. Verder zijn ondernemingen, in hun jacht op kostenbesparing, taken gaan uitbesteden en de arbeidscontracten gaan flexibiliseren. De arbeidszekerheid daalt; concurrentie en werkdruk nemen, mede als gevolg van de export van kapitaal en de import van arbeid, toe. De zwaarste prijs betalen mensen met weinig scholing en andere zg. ‘gebreken’. Ze zijn steeds meer aangewezen op precaire arbeid, met lage lonen, een zwakke rechtspositie en (onderin de markt) deprimerende werkomstandigheden. Hoezo, eerlijk delen?

* ter derde: een verschraalde verzorgingsstaat. De afgelopen kwart eeuw is er fors bezuinigd op  de publieke voorzieningen en de sociale zekerheid. Soms om goede redenen, maar meestal omdat ‘de markt het beter doet’ en ‘eigen verantwoordelijkheid eerst komt’. Gevolg: hogere kosten en minder steun voor wie daar op is aangewezen. De kwaliteit van de thuiszorg is, met de marktwerking, gedaald. Hulp bij het zoeken van werk wordt op ‘kansrijken’ gericht – dat rendeert beter. En de AOW-leeftijd wordt verhoogd, zonder de werkloosheid onder ouderen effectief te bestrijden. Wie kwetsbaar is, lijdt het meeste schade.

* en tot slot: groeiende inkomensongelijkheid – en onbelaste rijkdom. ‘Een evenwichtige inkomensverdeling’ was indertijd een breed gedeelde beleidsdoelstelling. Maar daar komt weinig meer van terecht. Terwijl de uitkeringen hooguit de inflatie hebben bijgehouden en modale werknemers hun koopkracht vooral zien stijgen door langer te werken, zijn de hoogste inkomens fors gestegen. De fiscale druk op die groep is intussen verlaagd. Een belasting op vermogenswinst ontbreekt in veel landen (ook hier). En internationale bedrijven onttrekken zich massaal aan belastingheffing. De sterkste schouders dragen allang niet meer de zwaarste lasten.

3.

Waarom blijft het dan zo rustig? En hoe zijn we in die situatie beland. Een drietal ontwikkelingen zijn volgens mij in het bijzonder van belang

 I Markt versus democratie

De afgelopen dertig jaar hebben grote veranderingen te zien gegeven in de internationale economische verhoudingen. Er zijn nieuwe grootmachten in de wereldeconomie ontstaan. Grensoverschrijdende schaalvergroting, aangedreven door nieuwe vervoers- en communicatietechnieken, beperkte vanaf de jaren zestig de greep die nationale overheden na de oorlog op de economie hadden weten te krijgen. Ze verminderde ook de invloed van de vakbeweging, die bovendien, vanwege het afbrokkelen van trad industriële sectoren, haar organisatiegraad zag teruglopen.

In die omstandigheden hadden we het sowieso moeilijk gekregen om het maatschappelijk contract, gedragen door een compromis tussen kapitaal en arbeid, te verlengen. Maar er is, met de opmars van het neoliberale denken, iets heel anders gebeurd. We hebben macht verschoven en overgedragen aan financiële markten en aan het nationale en internationale bedrijfsleven; we hebben vanaf de jaren tachtig de deur opengezet – en zijn zo in een chantabele positie beland. ‘Het vrijemarkt- fundamentalisme’, schreef socioloog Abram de Swaan  in 2010,   ‘werkt in feite niet als ideeënleer maar als afpersingspraktijk, door nationale regeringen tegen elkaar uit te spelen en steeds het land op te zoeken dat hen de minste regelingen oplegt en de meeste ruimte gunt om naar believen te opereren’.

En zo is het ook gegaan – bijvoorbeeld op het gebied van de financiële wetgeving. Landen beconcurreerden elkaar, zonder zich om de risico’s te bekommeren, met zo sectorvriendelijk mogelijke regels en een zo soepel mogelijk toezicht. (NVB) Ook op andere, nabijgelegen beleidsterreinen manifesteerde zich een dergelijke race to the bottom. De modernisering van het ondernemingsrecht stond, Nederland niet uitgezonderd, sterk in het teken van een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Op fiscaal gebied was het al niet anders. En bij de flexibilisering van de arbeidsmarkt werden landen die zich op dat terrein terughoudend opstelden, al gauw als verliezers  aangemerkt.

Deze wedloop om het bedrijfsleven ter wille te zijn had op bovennationaal niveau afgeremd kunnen worden, bijvoorbeeld door afspraken in Europees verband. Maar ook de Europese Unie zette sterk in op liberalisering en privatisering en heeft het marstempo in die richting extra opgevoerd. Inperking van de concurrentiestrijd, bijvoorbeeld op het gebied van de winstbelasting, gold niet als haar taak – met een sterke daling van de nationale tarieven als gevolg.  Wat een buffer tegen globalisering en liberalisering had kunnen zijn, werd aldus een doorgeefluik. Het ‘Europa’ dat volgens het verdrag van Rome gericht zou zijn op  ‘verbeterde arbeidsomstandigheden en een hogere levensstandaard voor werknemers’, werd een Europa van markt en munt. Geen wonder dat dat Europa aan populariteit heeft verloren.

Dat is een eerste reden waarom het neoliberalisme de afgelopen jaren, ondanks zichtbaar en dramatisch falen, zo weinig aan invloed verloor: het weglekken van zeggenschap naar de internationale markten. Een tweede reden is van meer culturele aard. Ze kan worden omschreven als

 II De individualisering van maatschappelijke problemen

Het maatschappelijk klimaat is de afgelopen kwart eeuw harder en onaangenamer geworden. Dat heeft vele achtergronden en oorzaken, maar een belangrijke verklaring vormt het liberaal-meritocratisch wereldbeeld dat samenlevingen als de onze tegenwoordig van hoog tot laag beheerst – en dat veel verder reikt dan de neoliberale verheerlijking van markt en egoïsme.  Wie slaagt, zo luidt de kern van dat wereldbeeld, heeft dat aan zichzelf te danken. Klasse, kaste of ras vormen hier geen belemmering om hogerop te komen. En wie het, omgekeerd, niet redt, heeft dat meestal aan zichzelf te wijten.

Met zo’n zienswijze  worden maatschappelijke problemen en sociale ongelijkheid verregaand geïndividualiseerd. Het zijn niet langer de structuren die veranderd moeten worden om onrecht en achterstand te verminderen. Nee, het zijn de betrokkenen zelf die in de revisie moeten en daartoe met financiële prikkels moeten worden aangespoord. ‘Empowerment’, zo luidt de opbouwende kant van dat verhaal. Daar is op zichzelf niets mis mee. Overheidsvoorzieningen veronderstellen (en bevorderen) te vaak de afhankelijkheid van mensen. Voor een meer activerende benadering is veel te zeggen. Maar hier wordt maatschappijhervorming tot werken-aan-jezelf gereduceerd – en ook de negatieve kant zwaar aangezet. Wie faalt is de loser die wij gelukkig zelf niet zijn. Eigen schuld, dikke bult. .

Het weglekken van democratische zeggenschap; de individualisering van maatschappelijke problemen – daarnaast is er nog een derde reden voor het ontbreken van actief maatschappelijk verzet en een adequaat antwoord op de crisis. Ik omschrijf die in mijn boek als

 III  De verbestuurlijking van de politiek

En het is misschien wel de belangrijkste reden, omdat ze de twee andere (markt versus democratie, de opmars van het eigen-schuld-denken) mede mogelijk heeft gemaakt.

De afstand tussen burgers en de organisaties die hen vertegenwoordigen, is de afgelopen twintig, dertig jaar sterk gegroeid. De vakbonden verloren aan externe invloed, maar maakten ook intern een proces van verzakelijking en professionalisering door, dat gewone leden op afstand zette. Bij partijen, ook de sociaaldemocratische, gebeurde iets soortgelijks.  Uitgerekend in de tijd dat de verzuiling (en daarmee de band met ‘eigen’ kiezers) afbrokkelde, ontwikkelden ze zich tot beleidsorganisaties, met weinig aandacht voor feedback van de achterban en voor maatschappelijke actie. Het gevoel van sociale en politieke machteloosheid dat vooral veel lager geschoolden en lager betaalden ervaren, vindt hier zijn oorsprong.

Daarbij is meer aan de hand dan de veelbesproken ‘kloof’ tussen burgers en bestuur. De gevestigde politiek heeft in termen van belangenarticulatie, beleidsoriëntatie en inhoudelijk-politieke strijd, ook sterk aan relevantie ingeboet. Ze liet verantwoordelijkheden vervagen en raakte bevoegdheden kwijt. Ze verloor niet alleen het contact met de burgers, maar verwaarloosde, met haar fixatie op economische modernisering, ook de onderlinge inhoudelijk-politieke strijd. Ze reduceerde principiële verschillen tot beleidsmarges – en schiep zo ruimte voor de populistische tegenstelling tussen hoog en laag, tussen ‘hun daar boven’ en het gewone volk. Ze vergat de vraagstukken van arbeid, inkomen en economische orde tot inzet van politiek conflict te maken  – en maakte zo de weg vrij voor polarisatie rond andere thema’s, zoals integratie en cult. identiteit.

Daarmee is niet ontkend dat er in een aantal opzichten adequaat bestuurd werd. Dat gold voor de jaren negentig, toen het lukte om het financieringstekort sterk terug te dringen zonder de werkloosheid te laten oplopen. En het gold ook voor het ‘managen’ van de eerste, heftige periode van de kredietcrisis. Maar de verregaande verzakelijking van de politiek is een gevaarlijke ontwikkeling. De depolitisering van het sociaaleconomisch beleid heeft de politieke apathie doen toenemen. En dat past weer naadloos in de agenda van degenen die een actieve, zelfbewuste overheid nog verder willen terugdringen. Het zijn dit soort ontwikkelingen die helpen verklaren waarom het zoveel moeite kost om van het vrije marktdenken af te komen. Waarom er in crisistijd van financiële en economische hervormingsdrang op dat terrein nauwelijks sprake is.

Wat dreigt is een trivialisering van de democratie. Gaat de politiek, mede  onder druk van maatschappelijke organisaties en van burgerinitiatieven, haar zeggenschap en handelingsvrijheid op markten en zakenlobbies terugveroveren? Of legt ze zich bij de gegroeide verhoudingen neer en gaat ze haar legitimiteitsverlies verder compenseren met brood, spelen en het voeden van genoemd ressentiment? En niet in de laatste plaats: hoe gaan de kiezers reageren op de verregaande ontwaarding van hun stembiljet die daar het gevolg van is? Bij een verder oplopende probleemdruk kunnen autoritaire oplossingen en autoritaire leiders aan aantrekkingskracht gaan winnen.

4.

Mijn verhaal tot dusverre was, realiseer ik me, aan de sombere kant – en ik weet niet of het somberste gedeelte al achter de rug is. De samenwerking tussen linkse partijen die me voor het terugdringen van het huidig apolitieke klimaat een essentiële (zij het geen voldoende) voorwaarde lijkt, liep nationaal en internationaal al niet geweldig. En dat zal er in Nederland de komende tijd ook niet beter op worden.

Het   regeerakkoord dat VVD en PvdA onlangs sloten, staat in het teken van onnodig zware en sociaal schadelijke bezuinigingen; gebaseerd op een technocratische uitruil van hervormingen, zonder ook maar het begin van een gezamenlijk gedragen visie.  SP en GroenLinks zullen –  dat is ook hun politieke plicht – krachtig oppositie voeren en daarbij tegenover de PvdA komen te staan. Treurig maar onvermijdelijk. En de schuld moet mijn partij bij zichzelf zoeken – inclusief de onwil om de SP bij de kabinetsformatie te betrekken.

Links is in Nederland gewoon niet sterk genoeg om zich  blijvende verdeeldheid te kunnen veroorloven. Zonder de sociaaldemocraten komt in die verdeeldheid geen verandering. Maar zelf heeft de PvdA die samenwerking ook hard nodig. Omdat de kapitalisme-kritiek en het maatschappelijk activisme van de SP  ons herinneren aan waar we vroeger óók goed in waren. En  omdat GroenLinks, SP en PvdA ecologisch en rechtsstatelijk wakker houden – en hen  helpen om de verdediging van wie kwetsbaar is niet te vereenzelvigen met de verdediging van bestaande structuren. Linkse samenwerking draagt er bovendien toe bij  om progressieve maatschappelijke organisaties (zonder specifieke partijpolitieke kleur) te mobiliseren – wier steun voor maatschappelijke hervorming onontbeerlijk is.

De komende tijd zullen er vooral op sociaal gebied acties tegen het kabinetsbeleid gevoerd worden. De  vakbeweging en andere maatschappelijke organisaties zullen de druk opvoeren, zoals er ook spontane uitingen van boosheid en verzet zullen zijn. Gemeenten keren zich tegen de aangekondigde strafbaarstelling van illegaal verblijf in Nederland. Ik wil maar zeggen: dat er een regeerakkoord is getekend, wil nog niet zeggen dat het ook uitgevoerd wordt. En waarom Diederik Samsom niet krachtig aangesproken op zijn beslissing om de PvdA vanuit de Tweede Kamer te leiden? Dat veronderstelt ruimte voor dualisme, waarvan de PvdA gebruik zal moeten maken. Zoals ook het sociaal akkoord dat het kabinet met werkgevers en vakbeweging wil sluiten, mogelijkheden biedt  om het beleid fors bij te stellen. Ook dat pleit voor enige terughoudend bij het uitvechten van de strijd tussen de twee partijen.

5.

Tot zover de politieke actualiteit. Belangrijk is dat de onvermijdelijke botsingen tussen linkse partijen niet het zicht blokkeren op samenwerking op lange termijn – en op de gezamenlijke zwakten die nu al zo zichtbaar zijn.

Neem  de  zeer eenzijdige hervormingsijver die zich van de beleidselite in ons land  meester heeft gemaakt. Eerder dit jaar publiceerde CPB-directeur Coen Teulings een artikel in een Engelse krant. Het werd door ‘Trouw’ als volgt samengevat: ‘Kabinet moet niet extra bezuinigen, maar de economie hervormen’. Prima, denk je dan: eindelijk de economie hervormen. Eindelijk verandering brengen in een economisch stelsel waarin snelle, hoge winsten zijn gaan overheersen. Waarin de handel in geld centraal staat – ten koste van de samenleving en van de economie zelf.

Maar zo bedoelde Teulings het natuurlijk helemaal niet.  Hij had het over de bekende reeks waarover al tijden gesproken wordt: hervorming van de woningmarkt, van de arbeidsmarkt en van de sociale zekerheid. Niet over bescherming van ondernemingen tegen onproductieve overnames; niet over het aan banden leggen van hedge funds; niet over het van de beurs halen of houden van grote banken. Waarom blijft de economie zelf buiten beschouwing? En inmiddels is, sinds het zg. Lente-akkoord van VVD, CDA, D66, GroenLinks en ChristenUnie,, dit soort hervormingsijver nog verder opgerukt. Je bent hervormingsgezind of juist niet; je bent progressief of behoudend. De vraag wat er precies hervormd moet worden, hoe en  vooral: waarom, wordt helemaal niet meer gesteld. Het gaat gewoon om het bekende, ons door economen ingeprente rijtje: arbeidsmarkt, woningmarkt, sociale zekerheid.

De media (de landelijke dagbladen in het bijzonder) laten zich daarbij ook niet onbetuigd. Ze stonden te juichten bij het Lente-Akkoord dat in twee dagen onderhandelen 12 miljard aan bezuinigingen opleverde. ‘Een uniek en moedig akkoord’, ‘een duidelijke stellingname tegen het populisme van links en rechts’. Goed dat politici ‘hun verantwoordelijkheid durfden nemen’ en de kiezers ‘niet naar de mond praten’. En de verkiezingen van september brachten in die gezamenlijke boodschap geen verandering.  Een ingewikkelde uitslag (grote winst voor een verder naar rechts trekkende VVD én voor een PvdA die juist weer naar links overhelde) werd  door de pers moeiteloos in het bestaande, simplistische stramien geperst. ‘De kiezer is de polarisatie meer dan zat.’ (Trouw)  ‘Geen gewaagde experimenten over de flanken, maar orde op zaken’ (de Volkskrant). ‘Bestuurskracht nodig.’ (NRC-H). )

Links zou – anders dan de PvdA helaas bij de formatie heeft gedaan – met volle kracht tegen dit soort hervormings-neurose moeten keren. Maar we zouden ons ook moeten afvragen waarom links zo weinig invloed heeft –  en waarom het zo gemakkelijk in de hoek van de anti-hervormers geplaatst kan worden. Misschien ook  omdat linkse parijen zelf geen grote hervormingsplannen meer hebben. Wel allerlei nuttige beleidsmaatregelen (al dan niet bullitpoint-gewijs genoteerd in de verkiezingsmanifesten), maar geen uitgewerkt, beredeneerd pleidooi voor structurele verandering van onze samenleving – waaraan je onze idealen van veraf kan aflezen. Om me hier tot de twee grote linkse partijen te beperken: de PvdA wordt geassocieerd met ‘meebuigen’ en hooguit hier en daar iets verbeteren; de SP met alleen maar ‘nee’ zeggen.  Ten onrechte in beide gevallen, maar het ligt wel aan henzelf. Een brede, overtuigende hervormingsagenda ontbreekt.

Werken aan zo’n hervormingsprogramma in de komende jaren is dringend noodzakelijk. Onmisbaar onderdeel daarvan is het ‘maatschappelijk contract’:  mensen informeren over de verregaande oneerlijkheid van ons economisch stelsel – en aangeven hoe het anders kan. Ik noem: – de terugkeer van het gelijkheidsideaal > eerlijk delen van de rijkdom; – beperk de handel in geld en in bedrijven > coöperatief kapitalisme.

6.

Verdediging en uitwerking van zo’n nieuw maatschappelijk contract is essentieel om het politieke initiatief terug te krijgen dat links in de naoorlogse periode, met de opbouw van een sociale markteconomie, in veel opzichten heeft gehad . Maar het is  niet genoeg. PvdA en SP moeten van hun spiegelbeeldige zwakheden af: van het beeld dat ze met zich meedragen van meebuigen met bestaande trends (de PvdA) en van nee-zeggen en alleen maar willen houden wat je hebt (de SP). Links zal het politieke midden alleen veroveren met duidelijke positieve opvattingen over (ik geef  twee voorbeelden):

–         allereerst de hervorming van de verzorgingsstaat  Dat marktwerking in de verzorgingsstaat in veel opzichten de verkeerde oplossing is gebleken, wil niet zeggen dat er geen problemen waren. Nieuwe initiatieven in, bijvoorbeeld, de gezondheidszorg laten zien dat er betere manieren zijn om de afhankelijkheid van burgers (van instanties, van professionals) te verminderen. Zoals in de gezinszorg ontspoorde gezinnen, met hulp van zg. Eigen Kracht-conferenties, de kans krijgen om hun leven – met hulp van familieleden, buren en vrienden – weer op de rails te krijgen;

–         tweede voorbeeld: Europa. We moeten op zoek gaan naar een heldere omschrijving van een links Europese ideaal. Daarbij speelt het evenwicht tussen integratie en soevereiniteit een belangrijke rol.  Verscheidenheid is een wezenskenmerk van Europa. Dat veronderstelt een evenwicht in de EU tussen integratie en soevereiniteit. De verdere disciplinering van het beleid van de betrokken lidstaten, zoals naar aanleiding van de eurocrisis, staat daar haaks op. Zonder meer keuzevrijheid en democratische legitimiteit verliest de Unie verder aan cohesie en steun van de bevolking en aan invloed in de wereld.

Linkse partijen, luidt mijn conclusie, hebben een in onderling overleg, debat, onderlinge strijd uit te werken programma nodig dat een meerderheid van de bevolking kan aanspreken. Daarbij hoort ook een morele grondslag; een verbinding met het streven naar een zorgvuldige omgang met mensen en de natuur; met het belang van onderlinge solidariteit; en met het besef van de kwetsbaarheid van economische vooruitgang.

We zullen duidelijker moeten maken hoe we de samenleving democratischer willen maken. Hoe we de burger als vrijwilliger, als drager van eigen en medeverantwoordelijkheid, maar ook als contestant, als opstandige, tot haar recht willen laten komen. En we zullen een (democratisch georiënteerde) markteconomie moeten verdedigen, maar de markt-maatschappij die ook hier opgang maakt, krachtig moeten bestrijden. Zonder een inspirerende cultuurpolitiek, die de waarde van het niet-bruikbare benadrukt,  verliest links aan glans en kleur.

Links politiek veronderstelt het levend houden van een soort ‘welvaartsbewustzijn’, dat wil zeggen: het besef dat de meesten van ons in dit gedeelte van de wereld welvarend tot zeer welvarend zijn, ook al doet de jacht op het alsmaar meer anders vermoeden. Ook in een tijd van ingrijpende, veelal onrechtvaardig uitpakkende bezuinigingen mag  daar wel aan herinnerd worden.

7.

Ik hoop hiermee enige stof te hebben aangedragen voor het gesprek van vanochtend. Tot slot nog een verwijzing naar wat de Amerikaanse politieke commentator David Brooks al weer jaren geleden over links in Amerika schreef. ‘Liberals’, schreef Brooks, houden zich  tegenwoordig niet meer bezig met ‘big debates about public philosophy’. Dat breekt hen op. ‘Nobody joins a movement because of admiration for its entitlement reform plan. People join up because they think that movement’s views about human nature and society are true.’

Het artikel van Brooks waaraan ik dit citaat ontleen stond indertijd in de New Times. Ik haal het hier aan omdat het nog zo relevant is, maar ook vanwege het pleidooi dat hij er aan koppelt voor intens politiek debat – ook binnen linkse partijen en met progressieve maatschappelijke organisaties. Brooks vergelijkt het gebrek aan discussie onder de Democraten met de felle ideologische strijd die Amerikaanse conservatieven voerden en voeren. Die strijd, luidt zijn stelling, heeft hen niet verzwakt maar versterkt. Er ontwikkelden zich, bij wijze van spreken, zoveel varianten van het conservatisme dat er voor steeds meer  mensen wel iets van hun gading bij zat.

Die conclusie zou ook links in Europa zich aan moeten trekken – en de sociaaldemocratie niet in de laatste plaats. Naarmate ze ideologisch meer in het defensief raakte, is ze zich alleen maar voorzichtiger gaan opstellen. De remedie ligt voor de hand: minder ‘controlerend leiderschap’ , en meer stenen in de vijver. Verwelkom tegendraadse, kritische bijdragen in plaats van ze te ontmoedigen. ‘In disunity there is strength.’ Tegenspraak brengt ons verder.