Oecumenisch denkplatform voor hartstochtelijke en maatschappelijk betrokken theologie. Ook op twitter en facebook

De “Nieuwe Boeken”-rubriek uit Ophef 2014/1

 

In het Ophefnummer 2014/1 worden door Wilken Veen de volgende boeken besproken:

 

Bas van den Berg, Speelruimte voor dialoog en verbeelding. Narratio Gorinchem 2014, 454 pag., € 29,95. ISBN 978 90 5263 899 7.

 

Op 11 februari j.l. promoveerde Bas van den Berg (geb. 1953) op dit proefschrift, waarin verslag wordt gedaan van een onderzoek op twee basisscholen (in Amsterdam Zuid-Oost en in Amersfoort-Noord), waar leerlingen van groep 6 werden geconfronteerd met bijbel verhalen, in het bijzonder met het Jozef- en het Estherverhaal. Verslag betekent in dit geval meer dan de rapportage van het empirisch onderzoek op de beide scholen, maar beschrijft het hele proces vanaf het bedenken, voorbereiden en opzetten van het onderzoek tot en met de conclusies die uit het onderzoek getrokken zouden kunnen worden. Hoewel er een grote hoeveelheid literatuur wordt bestudeerd en besproken, wordt die gebruikt als hulpmateriaal ter voorbereiding van het onderzoek en voor de analyse van de in het onderzoek verkregen gegevens. Op zich is dat al iets opmerkelijks. Ik kan mij niet herinneren ooit een theologisch proefschrift gelezen te hebben, dat gebaseerd is op empirisch onderzoek. Bas van den Berg is als lector Dynamische Identiteitsontwikkeling verbonden aan de Marnix Academie, een PABO, in Utrecht. Daar worden leraren opgeleid, die – zeker wanneer ze les gaan geven op een school met een christelijke signatuur – (ook) verantwoordelijk zullen zijn voor de geestelijke vorming van hun leerlingen. Hoe doe je dat? Moeten die kinderen van huis uit christelijk of althans religieus zijn opgevoed? Kan dat nog wel in deze geseculariseerde tijd? De geconstateerde verlegenheid hierover vormt de aanl;eiding tot dit onderzoek en deze promotie. Bas kiest voor verhalen. Begrijpelijk vanuit zijn achtergrond als leerling van Rabbi Yehuda Aschkenazy en als docent spel en drama van de stichting De Zevende Hemel. Nu is het niet ongebruikelijk dat op christelijke scholen Bijbelverhalen worden verteld of voorgelezen door de leraar (m/v), maar daaruit kun je niet aflezen of dat vertellen of voorlezen ook invloed heeft op de geestelijke ontwikkeling van de leerlingen./ Daarom wil hij de kinderen (9 à 10 jaar oud) een mogelijkheid aanbieden om met die verhalen aan de slag te gaan, erover na te denken, ze uit te spelen, ze uit te tekenen en erover door te praten. Daarvoor moet – met behulp van uitvoerig literatuuronderzoek – concepten worden ontwikkeld voor een tot dan toe niet bestaande praktijk voor levensbeschouwelijk onderzoek. Het is niet doenlijk in dit bestek de gang van het onderzoek en de evaluatie ervan uitvoerig te bespreken, daarom volsta ik met het geven van de (uiterst bemoedigende) slotconclusie:

Als leerlingen van groep 6 de tijd en de ruimte krijgen om samen op veelvuldig creatieve wijze religieuze verhalen te verkennen, te onderzoeken en in vrijheid te interpreteren, kunnen zij aan dergelijke bronnen ook betekenis verlenen en er zin aan ontdekken voor hun leven.

Het onderzoek wordt buitengewoon dicht bij de lezer gebracht. Het verslag bevat niet alleen de bevindingen van de onderzoeker, maar ook de afgedrukte tekeningen van de kinderen en verbatims van de gesprekken en spelsituaties die naar aanleiding van de verhalen zijn ontstaan. Zelfs het theoretische gedeelte (de eerste vier hoofdstukken) is redelijk goed te lezen, ik vermoed zelfs voor een niet-theoloog. Kortom, Bas van den Berg, bewijst zichzelf ook in het schrijven van dit proefschrift als de goede leraar en verteller die hij is. En hè hè (of goddank, wegstrepen wat niet gewenst is) een proefschrift in het Nederlands met een samenvatting in het Engels en niet andersom, zoals (helaas) gebruikelijk is geworden.

 

Janneke Stegeman, Decolonizing Jeremiah. Identity, narratives and power in religious tradition, 280 pag. Uitgave in eigen beheer 2014.

 

De laatste zinnen van de vorige bespreking lijken wel een bruggetje naar dit proefschrift, maar zo is dat niet bedoeld. Hoewel in eigen beheer uitgegeven en dus kennelijk niet voor een internationale markt bedoeld, begrijp ik heel goed, dat dit proefschrift in het Engels is geschreven, omdat het onderzoek Engels sprekend is gedaan en velen die hebben bijgedragen aan de totstandkoming van deze dissertatie het boek niet eens zouden kunnen lezen, wanneer het in het Nederlands was geschreven. Janneke Stegeman, die ik ken omdat ze een inleiding heeft gehouden voor één van mijn leerhuizen, over de verhouding van Joden, Christenen en Moslims, heeft haar onderzoek grotendeels in Israël gedaan en over dit onderzoek uitvoerig gesproken met Israëli’s en (christelijke) Palestijnen. De maatschappelijke situatie waarin het boek is geschreven heeft een niet onaanzienlijke invloed op het onderzoek. De onderzoekster zelf neemt overduidelijk (als fervent aanhanger van Sabeel) positie in, maar dat is niet bezwaarlijk, omdat ze daar heel open over is en haar eigen betrokkenheid (in een hoofdstuk met de titel: “Motivation and my own position”) tot onderdeel van het onderzoek maakt.

Het hart van het boek is een uitleg van Jeremia 32, het verhaal over Jeremia, die een akker koopt op het moment dat de Babyloniërs (door Jeremia aangeduid als “de Chaldeeërs”) op het punt staan Jeruzalem in te nemen. Dit verhaal reageert volgens Janneke Stegeman op de tegenstellingen tussen de verschillende groepen: de gedeporteerden, de achtergeblevenen, degenen die naar Egypte gevlucht zijn. Dominant is de lezing van de terugkerende ballingen. En daarmee identificeren zich latere Zionisten. En zo leest en herleest ze de tekst in de context van het conflict tussen Israël en de Palestijnen. Ze leest die met betrokkenen, zowel Joden als Palestijnen, sterker nog, ze stelt – naar ze zelf beschrijft niet zonder moeite – leesgroepen samen die bestaan uit zowel Israelische Joden als Palestijnse christenen. Er worden vier groepen gevormd: een groep Joodse vrouwen uit Jeruzalem en een groep Palestijnse vrouwen uit Jeruzalem, een groep Joodse studenten en een groep Palestijnse studenten. Ze lezen eerst allemaal in eigen kring de tekst en spreken erover onder leiding van Janneke Stegeman en daarna worden de beide vrouwengroepen en de beide studentengroepen met elkaar in contact gebracht. De Joodse vrouwen beschouwen de tekst alsof die over hen gaat en vinden dat ook min of meer vanzelfsprekend. De studenten van Joodse komaf zijn in de regel veel kritischer, maar spreken evengoed van “wij”. De Palestijnse lezers beschouwen de tekst primair als “vijandig”, als tekst van anderen. Zij proberen minder zich de tekst toe te eigenen, maar verzetten zich tegen een “politieke lezing”. Wat opvalt, en bij nader inzien is dat eigenlijk een gelukkige greep van de schrijfster, is dat zij niet op zoek is naar de “juiste uitleg” , maar probeert dit proces van toeëigening in beeld te brengen en te beschrijven. Zij wil – en daarmee neemt ze natuurlijk toch een positie in – de tekst van Jeremia dekoloniseren (in de Nederlandse samenvatting gebruikt ze daarvoor de m.i. veel slechtere term ‘ontzetten’).

Een spannend boek, dat veel vragen oproept en gelukkig niet probeert alle vragen te beantwoorden. Zelf probeerde ik het boek bij de schrijfster te bestellen (ik vroeg geen recensie-exemplaar aan, maar wilde het gewoon kopen), maar dat leverde geen boek op, dus kan ik niet goed vertellen hoe u het eventueel zou moeten verwerven noch wat daarvan de prijs is.

 

Pieter Post, Naar messiaans communisme. Frits Kuiper (1898-1974) dopers theoloog. Narratio Gorinchem 2014. 69 pag. € 8,00. ISBN 978 90 5263 236 0.

 

Over dit boekje kan ik heel kort zijn, omdat u elders in dit nummer de toespraak vindt, die de auteur hield bij de presentatie van zijn boekje op een symposium ter gelegenheid van de veertigste sterfdag van Frits Kuiper. Daarin geeft hij in kort bestek de inhoud van dit boekje aan. De mate waarin Frits Kuiper betrokken was bij de totstandkoming van de beweging Christenen voor het Socialisme (ook uitvoerig en uit de eerste hand beschreven door Rinse Reeling Brouwer) was mij nooit zo duidelijk. C.v.S. was één van de twee verenigingen die in 1994 fuseerden tot de Vereniging voor Theologie en Maatschappij. Zou de beweging nog hebben bestaan, dan zouden we dit jaar ook de veertigste verjaardag daarvan hebben gevierd. Het lezen van Pieters boekje is dan ook een enigszins melancholieke bezigheid. De manier, waarop Kuiper spreekt over het communisme, dat durft vandaag niemand meer, maar was ook in de tijd dat hij zijn uitspraken deed buitengewoon moedig. Wie durft Barth, Lenin en Rosenzweig nog in één adem te noemen? Frits Kuiper, een markante en niet onomstreden man (ook vanwege zijn opvattingen over het zionisme), die ons levendig en toegankelijk geschilderd wordt in dit boekje.

 

Katrin Himmler / Michael Wildt, Himmler privat. Briefe eines Massenmörders, Piper-Verlag München 2014, 400 pag., € 24,99. ISBN 978 3 492 05632 8.

 

Ik weet eigenlijk niet goed, of ik jullie de lezing van dit boek aan moet bevelen, maar ik bespreek het als een soort voorbereiding op het volgende nummer van Ophef dat gewijd zal zijn aan het Kwaad (met een hoofdletter). Eén van de thema’s daarbij is vanzelfsprekend de stelling van Hanna Arendt over “de banaliteit van het kwaad”. Zij dacht in de eerste plaats aan Adolf Eichmann, en bij deze kantoorklerk en “Schreibtischmörder” krijgen we een indruk wat ze bedoelde. Heinrich Himmler is bijna het tegendeel: een opvallende figuur, een gruwelijke ijdeltuit, die waar mogelijk haantje de voorste is. Altijd op pad als “Führer” van de SS. Op al die reizen (vaak samen met Adolf Hitler, door hem aangeduid als de “Chef”) schrijft hij talloze brieven aan zijn vrouw Marga. Katrin Himmler, een van de samenstelsters van dit boek, is een achternicht van Himmler, maar legt genadeloos het karakter van haar oudoom bloot. De brieven zijn van het type “hoe kan zo’n aardige man zulke verschrikkelijke dingen doen” en bij een andere opzet, zouden de liefdesbrieven van Heinrich aan zijn vrouw bijna als verontschuldiging begrepen kunnen worden, maar de samenstellers voegen aan de brieven in een ander lettertype verslagen toe van de gebeurtenissen in dezelfde tijd. De man die ondertekent met “Pappi”, zijn vrouw “Mami” noemt en over zijn dochtertje spreekt als “Püppi”, beschrijft de Wannseeconferentie als “een drukke dag” en schrijft een allerliefste brief aan zijn vrouw op de dag, dat zijn maitresse bevalt van een zoon. SS’ers van onbesproken Arische afkomst werden door Himmler aangespoord zoveel mogelijk raszuivere kinderen te verwekken en zelf gaf hij het ‘goede’ voorbeeld. De discrepantie tussen die weerzinwekkende werkelijkheid en de bijna overdreven lievigheid van de brieven valt alleen even weg, als het over Joden gaat, door Heinrich en door Marga aangeduid als “Judenpack”. Himmler onttrekt zich aan ophanging door kort na zijn arrestatie een gifcapsule in te nemen. Zijn vrouw, blijkens haar brieven die ook opgenomen zijn, een absoluut overtuigde nationaalsocialiste, wordt al in 1946 vrijgelaten en vindt werk in – hoe kun je het bedenken – de Bodelschwingse Anstalten in Bielefeld-Bethel. Tot haar dood – in 1967 – toe zal ze als godsdienst invullen: ‘gottgläubig’ het duitsgelovige alternatief voor ‘evangelisch’ of ‘katholisch’, waartoe vooral SS’ers zich bekenden.