Oecumenisch denkplatform voor hartstochtelijke en maatschappelijk betrokken theologie. Ook op twitter en facebook

De “Nieuwe Boeken”-rubriek uit Ophef 2014/3

 

In het Ophefnummer 2014/3 worden door Wilken Veen de volgende boeken gesproken:

 

Chrales Marsh, Strange Glory. A life of Dietrich Bonhoeffer, Alfred A. Knopf New York 2014, 516 pag., € 20,95. ISBN 978 0 307 26981 2.

 

Sinds de voltooiing van de Dietrich Bonhoeffer Werke met de uitgave van een bijna duizend pagina’s tellende Registerband in 1999 hebben we de beschikking over nagenoeg alles wat Bonhoeffer ooit heeft geschreven in boeken (de eerste acht delen) en preken, brieven, aantekeningen, dagboekfragmenten, collegedictaten, lezingen, catechisatielessen etc. (de tweede acht delen). In combinatie met de in 1968 voor het eerst uitgegeven biografie van zijn vriend (en de uitgever van zijn geschriften) Eberhard Bethge, waarvan de negende en tot nu toe laatste druk (intussen gegroeid tot 1150 pag.’s) in 2005 verscheen, weten we vrijwel alles over Bonhoeffer. Of toch niet? Waarschijnlijk juist vanwege het nu beschikbare materiaal zijn er in de laatste vijftien jaar diverse grotere en kleinere biografieën verschenen en een complete boekenkast vol over zijn theologie. Ik zal maar gelijk zeggen, dat voor mij de biografie van Bethge nog steeds maatgevend is, met afstand het beste boek dat over Bonhoeffer geschreven. Bijna perfect in de verhouding tussen de noodzakelijke betrokkenheid bij het onderwerp en de even noodzakelijke afstand om tot een min of meer objectieve beschouwing te kunnen komen. Natuurlijk zaten er fouten in. Beroemd is het door een (naar later bleek niet eens) aanwezige nazi-arts geschreven verhaal over de laatste minuten van Bonhoeffer (u weet wel, over zijn neerknielen en innige gebed voor het beklimmen van de trap naar de galg) dat volledig uit zijn duim was gezogen. Vanaf de plek waar de arts zich bevond kon hij de executie niet eens waarnemen, er was niet eens een galg, de gevangenen werden simpelweg opgehangen aan een haak in de muur, zo werd veel later duidelijk. Iedere historicus is afhankelijk van het materiaal dat hij vindt of aangeleverd krijgt en Bethge kon niet vermoeden, dat hij zich door deze nazi-arts die er zelf wat beter op wilde staan liet belazeren. Omdat er behoefte was aan een kortere biografie begon Ferdinand Schlingensiepen daar in 1969 al aan, maar door omstandigheden vond hij pas in het begin van deze eeuw de tijd om het boek af te ronden en natuurlijk maakte hij toen ook gebruik van de nieuwe bronnen en liet bijvoorbeeld de leugens over Bonhoeffers dood achterwege. Zijn biografie uit 2005 is inderdaad goed voor wie wat minder tijd heeft. In 2010 verscheen Bonhoeffer, Pastor, Martyr, Prophet, Spy van Eric Metaxas, een boek waarvan ik de lezing serieus moet afraden. Hier wordt een evangelicale held Bonhoeffer ten tonele gevoerd, die op deze manier nooit geleefd en gedacht heeft. Over Widerstand und Ergebung, de brieven die natuurlijk volstrekt strijdig zijn met zijn interpretatie, schrijft hij, dat het onafgeronde gedachten zijn, die geleid hebben tot een interpretatie die volstrekt haaks staan op zijn eerdere werk. Wie zich baseren op deze opvattingen over religieloos christendom en niet-religieloze interpretatie, zijn volgens Metaxas, “theologen die zich willen profileren, door zich op deze hun toegeworpen gedachtes te storten en hieruit een vervalsing in elkaar te knutselen, waaraan velen nog serieus geloven ook”. Tenslotte verscheen dit jaar het boek van Charles Marsh. Ik weet niet goed of ik het een biografie moet noemen. Het lijkt geschreven als een historische roman door de auteur die eerder op een soortgelijke manier God’s long Summer schreef, waarin hij het jaar 1964 beschrijft en het oproer van zwarten tegen de rassensegregatie in Missisippi. De gegevens zijn authentiek (zoals ik al schreef, we weten immers alles over Bonhoeffer), maar hij gebruikt die vooral om de hoofdpersonen van een karakter te voorzien en er zo een soort roman van te maken. Het is goed geschreven en daardoor prettig te lezen (voor wie liever geen Engels leest, de vertaling met als titel “Licht in het duister, het leven van Dietrich Bonhoeffer” verschijnt volgend jaar). Het wordt aangekondigd als een ‘pageturner’ en dat gebeurt niet vaak bij theologische boeken of boeken over theologen. Dat vooraanstaande kranten als de Wall Street Journal zo’n boek uitvoerig bespreken (even googelen en je vindt de recensie) is ook ongebruikelijk. De reden daarvoor zit in één enkel feit (ik denk dat Eric Metaxas ervan over zijn nek gaat) de in het boek van Marsh aanwezige suggestie, dat Bonhoeffer ‘gay’ was.

Op 4 november waren Hans Dirk van Hoogstraten en ik beiden spreker op een Bonhoeffersymposium in Amersfoort. Hans Dirk besprak het boek van Marsh en besteedde (net als de Amerikaanse kranten) veel aandacht aan dit gegeven, waarbij hij in het midden liet of hij het er wel of niet mee eens was. Gevolg: Nadat er in het nagesprek eerst bijna een half uur nauwelijks over iets anders was gesproken, stelde de voorzitter voor andere onderwerpen aan te snijden, waartoe het publiek maar moeizaam te bewegen was. Met de vermoedens van Marsh heb ik geen moeite, al denk ik dat hij werkelijk niet begrijpt wat een ‘Männerfreundschaft’ is, maar dat hij deze veronderstelling een rol laat spelen in zijn verdere interpretatie van het leven en werk van Bonhoeffer vind ik wel aanvechtbaar. Zo hebben we uit brieven van Bonhoeffer zelf en uit het werk van Bethge altijd begrepen, dat Bonhoeffer het in de zomer van 1939 in Amerika niet uithield, omdat hij besefte bij zijn medestanders in Duitsland te moeten zijn, wanneer een oorlog uit zou breken en meende dat hij, wanneer hij hun  lot niet deelde in deze moeilijke tijd, het recht zou verspelen, om naderhand bij te mogen dragen aan een nieuw Duitsland. Nu wordt ons plotseling gesuggereerd dat hij gek werd van verlangen naar zijn geliefde en daarom zo snel terug is gekeerd. Nadrukkelijk schrijft Marsh, dat er volgens hem geen sprake is geweest van een ‘consumed’ homosexuele relatie, maar schrijft hij, de manier waarop ze alles delen (tot bankrekeningen toe), samen op vakantie gaan, bij het houtvuur zitten, samen musiceren en al hun meest intieme gedachten delen is ‘as lovers, not as friends’. Bethge heeft veel geschreven over deze vriendschap en ook dat ze samen over die vriendschap (zelfs als een theologische notie) hebben gesproken, maar maakt nergens ook maar een enkele toespeling dat het meer dan vriendschap (rare uitdrukking eigenlijk, alsof het iets van meer of minder zou zijn) zou zijn. Om dat nu te suggereren, nadat ook Bethge (in het jaar 2000) is gestorven, had voor mij niet gehoeven. Tegelijk zij duidelijk, Bonhoeffer was natuurlijk een even grote theoloog, wanneer Marsh gelijk heeft. En ja, Bonhoeffer heeft van Eberhard Bethge gehouden (lees het prachtige gedicht over “Der Freund” in Widerstand und Ergebung, dat hij schrijft voor de vijfendertigste verjaardag van zijn vriend) en Bethge heeft ook van Dietrich Bonhoeffer gehouden (hij heeft zijn eigen theologische aspiraties nagenoeg opgegeven om zich zijn verdere leven te wijden aan het werk van zijn gestorven vriend) . Wat zou een mens ongelukkig zijn, wanneer hij naast die ene geliefde (of soms ook zonder die ene geliefde) geen vrienden en vriendinnen had van wie hij werkelijk hield.

Zoals eerder gezegd, het is een goede, als een roman geschreven biografie, waarbij hij zich baseert op bekende gegevens, maar – zoals dat nu eenmaal gaat bij deze manier van schrijven – ook wel eens conclusies trekt uit gegevens die niet noodzakelijk juist zijn. Zo heeft hij de meeste boeken van Bethge over Bonhoeffer gelezen, maar het kleine door Bethge uitgegeven boekje met Bonhoeffers Schweizer Korrespondenz 1941-42 heeft hij gemist (ontbreekt ook in de literatuuropgave). Elders heeft hij gelezen, dat van KD II,2 een aantal niet ingebonden exemplaren Duitsland binnen zijn gesmokkeld en Marsh concludeert dan: zo zal Bonhoeffer ook wel aan zijn exemplaar zijn gekomen (dat immers een hele grote rol heeft gespeeld in de Ethik van Bonhoeffer). Dat klopt niet. Op 13 mei 1942 schrijft Bonhoeffer in Zwitserland aan Barth: “Seit ein paar Tagen bin ich in Zürich. Seit gestern bei Pestalozzi’s. Jetzt will ich, bewaffnet mit den Druckfahnen (dat zijn dus de drukproeven) Ihres neuen Dogmatikbandes, die mir Herr Frey (dat is Arthur Frey, auteur van een boek over de kerkstrijd en medewerker van het Zollikon Verlag in Zürich waar de KD werd uitgegeven) besorgt hat,…“ Zo is Bonhoeffer dus aan de tekst van II,2 gekomen. Dergelijke niet op onderzoek gebaseerde conclusies kunnen wijzen op een bepaalde manier van werken, die niet per se altijd even zorgvuldig is. Dus, vooral lezen, maar als je moet kiezen, dan toch liever de biografie van Bethge.

 

Henk Janssen / Klaas Touwen, red., Paulus zelf. De zeven ‘echte’ brieven. Exegese en preken, Skandalon Vught 2014, 106 pag. € 14,50. ISBN 978 94 90708 97 7.

 

Laat ik maar beginnen met mijn kritiek, dan kan ik daarna uitleggen, waarom het zo’n aardig boek is over Paulus. De titel staat me niet aan. Nu weet ik inmiddels, dat die soms door een uitgever wordt bedacht en vooral bedoeld is om kopers te werven, maar toch… Het gaat over die zeven brieven van Paulus, die op dit moment door het merendeel van de wetenschappers als ‘echt’ worden beschouwd, maar of het daarmee gaat om ‘Paulus zelf’? Er is geen flintertje papier waarvan we met zekerheid kunnen zeggen, dat het het handschrift van Paulus zelf bevat. Er zijn tekstfragmenten vanaf het jaar 200 en de oudste complete tekst van de brief aan de Romeinen bijvoorbeeld vinden we in de Codex Sinaiticus uit de vierde eeuw. Meer dan drie eeuwen overgeschreven met alle fouten die daarbij opgetreden kunnen zijn of verbeteringen/veranderingen die door geleerde overschrijvers zijn aangebracht. Dus helemaal niet per se Paulus zelf. Als we het over Paulus hebben bedoelen we niet in de eerste plaats een persoon die in de eerste eeuw na Christus leefde en brieven heeft geschreven, maar bedoelen we de teksten, die aan Paulus toe worden geschreven en de Paulus die we in die teksten tegenkomen. Ik zal maar zeggen ‘de bijbelse Paulus’ en niet ‘Paulus zelf’.

Dat alles neemt niet weg, dat de opzet van het boek aansprekend en goed gekozen is. Eerst een relatief korte inleiding over ‘Paulus, een hellenistische Jood’ en daarna de zeven brieven, die telkens eerst worden uitgelegd door zeven verschillende exegeten en vervolgens wordt als voorbeeld een preek geboden over een gedeelte uit die brief. Maar het is niet de exegeet, maar steeds een andere theoloog die de preek aandraagt. De omvang van de preken – ik neem aan dat ieder van de predikers (ik wilde er gewoongetrouw m/v achter zetten, maar het zijn inderdaad allemaal mannen en dat lijkt me geen afspiegeling van wat ik gemiddeld op preekstoelen zie op zondagmorgen) een preek heeft aangeleverd die hij eerder heeft gehouden, want ze verschillen behoorlijk in lengte. Die van Leon Lemmens en Piet van Veldhuizen beslaan beide twee pagina’s, die van Rinse Reeling Brouwer zes! Het boek heeft overigens met het oog op zijn onderwerp in zijn geheel een geringe omvang. Zeker de exegeten, die wat over een hele brief moesten zeggen, zullen zich zeer in hebben moeten houden. Zoals wel vaker stelde ik vast dat deze noodzakelijke kortheid nauwelijks ten koste van de inhoud gaat. Er zijn genoeg dikke boeken over Paulus en de afzonderlijke brieven geschreven, waarom niet geprobeerd het hier beknopt te zeggen. Hebben exegeten en predikers elkaars stukken gelezen? Ik denk van niet, want ik zie geen bewuste aansluitingen in de preek, maar ook geen bewuste kritiek, ze lijken los van elkaar tot stand gekomen. Ook dat is niet verkeerd. Zou de preek geschreven zijn op basis van de voorafgaande exegese dan had die ook achterwege kunnen blijven. Het mag best een beetje schuren hier en daar. Extra aardig is natuurlijk, dat dit boek een oecumenisch project is (dat worden er steeds minder, dus laten we er zuinig op zijn!), zodat we, vooral in de preken, verschil van stijl zien tussen katholieke en protestantse bijdragen, maar evenzeer hoe dicht ze soms ook bij elkaar staan. Ik zag bij lezing pas, dat het een deel uit een serie was (ik had de eerdere vier nooit onder ogen gehad), die alle zijn geredigeerd door Henk Janssen (franciscaan, voormalig studentenpastor in Utrecht en bestuurder van de Nederlandse afdeling van de Bonhoeffer-society) en Klaas Touwen (Luthers predikant in Arnhem en PKN-predikant in Angeren, vele jaren redacteur van Eredienstvaardig en betrokken bij de oecumenische leesroosters). Er komen nog twee delen.

 

Alex van Ligten, Vertalen van verdriet. Gideon de dichter en Gideon de richter, Skandalon Vught 2014, 152 pag., € 14,95. ISBN 978 94 90708 89 4.

 

Op 9 oktober 2013, nota bene op zijn zesenzestigste verjaardag, overkwam Alex van Ligten, predikant te Sneek en bekend als Rosenzweig-kenner en vertaler van de Stern der Erlösung, het ergste, dat een mens kan overkomen. Terwijl hij zijn zoon op bezoek verwacht, gaat de telefoon. Gideon heeft een eind aan zijn leven gemaakt.

Onze tijd is vergeven van egodocumenten en bekentenisliteratuur. RTL maakt van alles een evenement; de bruiloft, de begrafenis, als je camera’s toelaat kun je alles betaald krijgen. Ik haat emo-televisie en emo-literatuur. Er wordt misbruik gemaakt van (of mooie sier gemaakt met)  mooie of verschrikkelijke gebeurtenissen. Omdat ik Alex van Ligten enigszins ken (hij schrijft in dit nummer en hij doet een cursus Rosenzweig in het Leerhuis dat ik leid) bestelde ik het boek en las het in één avond uit. Het is geen egodocument en de trieste dood van zijn zoon blijft wat het is: een trieste dood. Omdat het toeval wil, dat hij nog maar kort daarvoor is gestopt met werken en dus heel veel tijd heeft om te rouwen, bedenkt de schrijver iets om bezig te blijven en tegelijk aan zijn zoon te denken en zo het verlies te verwerken (of beter gezegd met het verlies om te gaan, want een mens kan niet alles verwerken). Hij besluit het bijbelse verhaal van Gideon (Richteren 6-8) uit het Hebreeuws te vertalen en te bedenken, wat de beide Gideons (de dichter en de richter) met elkaar van doen hebben. Het is in veel opzichten een ongeorganiseerd boek. Er zit geen chronologie in, het springt van die fatale dag en wat daarna kwam door het leven van zijn zoon heen. De enige structuur die erin zit is die van het bijbelverhaal, dat in de logische volgorde wordt vertaald en die vertaling wordt in het boek afgedrukt (het is een mooie vertaling, maar je hebt doorlopend het gevoel dat het ‘product’ hem niet zo veel interesseert als de gevoelens die erdoor op worden geroepen). Vertalen is een mooi project om aan Gideon te denken, want Gideon had wat met taal, was Neerlandicus. Tegelijk is het ongeorganiseerde juist wat het boek zo leesbaar maakt. Het is niet gerationaliseerd, het is geschreven langs de lijn van de associaties, zoals die bij de schrijver bovenkwamen. Het vertalen was hard werken, de verhalen over zijn eigen Gideon kwamen als vanzelf, zegt de schrijver. Geen ‘Tonio’, geen poging om ondertussen ook nog literatuur te produceren, en juist daarom zo echt. Aangrijpend, maar geen tranentrekker. Ondanks alles een poging om zo nuchter mogelijk te beschrijven wat er gebeurd is en hoe dat ontstaan zou kunnen zijn. Want dat blijft zijn grootste vraag, waarom heeft hij het niet aan zien komen, waarom heeft Gideon nooit gepraat over zijn problemen. Op die vraag vindt hij geen antwoord. Het leven is geen roman.

 

Ton Veerkamp, Deze wereld anders. Politieke geschiedenis van het Grote Verhaal, Skandalon Vught 2014, 502 pag. € 48,90. ISBN 978 94 90708 88 7.

 

Voor de liefhebbers van het werk van Ton Veerkamp, en dat blijken er gezien de opkomst bij de presentatie van het boek best heel wat te zijn, was dit boek niet nieuw, want het is de vertaling van het in 2012 verschenen Die Welt anders. Het boek is in het Nederlands vertaald en niet door Ton Veerkamp in het Nederlands geschreven of vertaald, want Ton Veerkamp woont al sinds 1970 in Duitsland, waar hij vele jaren pastor was voor buitenlandse studenten aan de verschillende Berlijnse universiteiten. Zijn belangrijkste boeken zijn Die Vernichtung des Baal uit 1983 en Autonomie und Egalität uit 1993. Daarnaast publiceerde hij vele (soms zeer uitgebreide) bijbelverklaringen in het blad Texte und Kontexte, waarvan hij mede-oprichter was en jarenlang redacteur. Het boek is (net als de oorspronkelijke Duitse uitgave) opgedragen aan Huub Oosterhuis, het werd in samenwerking uitgegeven door Skandalon en de stichting De Nieuwe Liefde en het verschijnen werd dan ook groots gevierd in De Nieuwe Liefde met een expertmeeting op vrijdag 26 september en een symposium op zaterdag 27 september.

“Ik noem een Groot Verhaal een door de meerderheid van de burgers gekend en erkend basisverhaal, waarin zij hun afzonderlijke levensverhalen mee verteld weten, waardoor zij een plaats in de maatschappij toegewezen krijgen en zo de maatschappelijke basisstructuur met haar vormen van loyaliteit en afhankelijkheid verinnerlijken. Elke grote volksreligie is een Groot Verhaal.” (pag. 15). Het is dus niet het verhaal over het ontstaan van de Bijbel, maar het verhaal over hoe dat bijbelverhaal door de eeuwen heen voor mensen heeft gefunctioneerd. Elk bijbelboek komt aan de orde, het ontstaan ervan wordt gekoppeld aan een maatschappelijke analyse van de tijd waarin het ontstaan is. Dat is eerst de tijd van de laatste koningen van Israël en Juda en daarna de tijd van de z.g. Torarepubliek. Dat laatste is, voor zover ik weet, een term die gemunt is door Ton Veerkamp in zijn boek over autonomie en egaliteit. Met die aanduiding wordt de periode van Ezra en Nehemia bedoeld. De tijd dat er geen koningen zijn bij het volk van teruggekeerde ballingen, maar dat de Tora de grondwet is en getracht wordt de voorschriften daaruit te realiseren in het maatschappelijk bestaan. In een tweede deel gaat het over het Hellenisme, de tijd dat Seleucidische vorsten het voor het zeggen hadden in Israël en vaak met geweld probeerden hun Hellenistische levenswijze op te leggen. Dit liep uit op de grote opstand van de Makkabeeën. Een heel aantal bijbelboeken (o.a. Job en Prediker) zijn geschreven in deze tijd en weerspiegelen de conflicten met het Hellenisme. Het derde deel noemt Veerkamp ‘Het messianisme’, dat gaat niet exclusief over Jezus als de Messias, maar over het messianisme als stroming en daarmee ook over het Grote Verhaal onder de volkeren, in eerste instantie de joden, die in de diaspora leven en met de Septuaginta als hun Griekse bijbel steeds meer deel uit zijn gaan maken van de Hellenistische wereld. Tenslotte gaat het in het vierde deel over de transformatie van het Grote Verhaal, oftewel hoe het Grote Verhaal van Israël het Grote Verhaal van het christendom wordt.

Het is een fors en indrukwekkend, maar bovenal een belangrijk boek geworden. De politieke lezing van de bijbel, zoals die door Ton Veerkamp en zijn kompanen sinds vele decennia wordt beoefend, heeft hier een kader gekregen, waarmee nadrukkelijk wordt gezegd: zo zou je ook naar de bijbel kunnen kijken! Zet het in je boekenkast (als je niet al te zeer hecht aan een alfabetische indeling) naast de, nota bene aan Ton Veerkamp opgedragen, bijbelse theologie van Dick Boer, Verlossing uit de slavernij, en je kunt ermee aan de slag in leerhuis of eredienst.