Oecumenisch denkplatform voor hartstochtelijke en maatschappelijk betrokken theologie. Ook op twitter en facebook

De “Nieuwe Boeken”-rubriek uit Ophef 2015/2

In het Ophefnummer 2015/2 worden door Wilken Veen de volgende boeken besproken:

 

Britta Böhler, Der Brief des Zauberers, Aufbau-Verlag Berlin 2014, 220 pag. € 21.99. ISBN 978 33 510 3573 0. Ned. Uitg. De beslissing, Cossee Amsterdam, 176 pag. € 18,90 ISBN 978 90 593 6431 8.

 

Ik heb me even afgevraagd, of dit boek wel thuishoort in deze rubriek, omdat het niet direct een theologisch boek is. Een aantal maanden geleden werd ik door de Wackers Academie (een Amsterdamse kunstacademie) gevraagd of ik een gesprek wilde voorzitten tussen twee schrijvers: Frans Willem Verbaas in verband met zijn roman De vierde vrouw (door mij besproken in de rubriek van 2014/3) en Britta Böhler in verband met haar roman De beslissing. De samenhang was, dat de hoofdpersonen van deze historische romans, de belangrijkste theoloog en de  misschien wel belangrijkste schrijver van de vorige eeuw, beiden in ongeveer dezelfde tijd (Barth in 1935, Mann in 1936) een beslissing moesten nemen, die voor hun verdere leven van het grootste belang was. Karl Barth moest beslissen of hij wel of niet de eed van trouw aan Hitler af zou leggen en Thomas Mann, in vrijwillige ballingschap in Zwitserland, moest beslissen of hij zich openlijk uit zou spreken tegen het Hitlerregime, met als gevolg, dat hij niet terug zou kunnen keren naar Duitsland en zijn Münchense villa, zijn bibliotheken en vooral zijn belastende dagboeken zou verliezen. We weten hoe het afgelopen is: Barth legt de eed niet af, wordt ontslagen en verhuist naar Bazel en Mann publiceert een brief in de Züricher Zeitung, waarin hij zich net als zijn broer Heinrich en zijn kinderen Klaus en Erika al eerder hadden gedaan uitspreekt tegen het naziregime. Hij zal nog enige tijd in Zwitserland blijven en daarna emigreren naar de V.S. Pas in 1952 keert hij voor twee jaar terug naar Duitsland om vervolgens opnieuw uit te wijken naar Zwitserland (de naoorlogse Bondsrepubliek had niet veel op met schrijvers die het vaderland hadden verlaten), waar hij in 1955 op tachtigjarige leeftijd zal overlijden. Toen ik het boek wilde kopen, zag ik ook de Duitse versie en veronderstelde dat die de originele zou zijn en kocht die dus. Daarin had ik gelijk en ongelijk. De Nederlandse versie werd eerst uitgegeven en daarna de Duitse, maar Britta Böhler vertelde me, dat ze samen met anderen (de uitgever noemt de naam van Nelly van Maaren) het Nederlandse boek heeft geschreven, omdat het volgens haar bijna onmogelijk is alleen een boek te schrijven in een andere taal dan je moedertaal en dat ze daarna het boek (zelf) in het Duits heeft geschreven. De Duitse uitgave heeft bovendien het voordeel, dat er een aanhang van Leona Stahlmann in is opgenomen: een artikel met als titel “Thomas Mann im Exil”.

De roman van Britta Böhler speelt zich af in drie dagen. Op de eerste dag schrijft Thomas Mann het artikel voor de Züricher Zeitung, vervolgens belt hij de uitgever op met het verzoek de publicatie nog even aan te houden, omdat hij zich nog wil bezinnen op de vraag, of hij de brief zoals hij is wel gepubliceerd wil hebben. Aan het einde van het boek heeft Mann zijn beslissing genomen en belt hij dat de brief gedrukt mag worden. In de tussentijd maakt Mann zijn afwegingen en overdenkt de verhouding met zijn broer en zijn kinderen en maakt zich vooral grote zorgen, dat de nazi’s zijn achtergelaten dagboeken zullen vinden, omdat hij daarin vrij expliciet schrijft over zijn voorliefde voor mannen. Het boek is als roman mooi geschreven, maar is ook erg overtuigend. Je denkt steeds (en daarin is het anders dan het boek van Verbaas): zo moet het wel gegaan zijn. Britta Böhler heeft de dagboeken van Mann (in tien delen uitgegeven) zorgvuldig bestudeerd en ook de boeken, die hij in deze periode schreef. Dat was vooral de tetralogie over Joseph und seine Brüder, vorig jaar voor het eerst in het Nederlands uitgegeven. Thomas Mann heeft zelf over deze boekenserie gezegd: “De mythe werd in dit boek het fascisme uit de handen geslagen”. Mij ontroerde deze zin, omdat Bonhoeffer ooit schreef, dat sinds het christendom in Duitsland kwam (toen het Duits nog geen geschreven taal was en Duitsland zich in die zin nog in de prehistorie bevond), het Oude Testament de ‘voorgeschiedenis’ van Europa is geworden. Dat is onze mythe, zegt Mann, (hij is geen belijdende christen, maar hij weet dat dit zijn cultuur is) en niet dat geromantiseerde beeld van het Germaanse heldhaftige verleden, dat de nazi’s ons aan willen praten. Het schrijven van de romans over Jozef (gewoon doorgaan met het schrijven van goede boeken) is dus zijn vorm van verzet, zoals Karl Barth in 1933 in Theologische Existenz Heute schreef: de beste manier om je als theoloog te verzetten is blijven doen wat je opdracht is: theoloog zijn, de Schrift uitleggen! Als je die prachtige boeken over Jozef (Mann dacht dat het zijn magnum opus zou worden, maar de lezers beslisten anders) wil lezen, wat je vooral moet doen, kun je natuurlijk die prachtige vertaling lezen, maar dat kost je wel € 125. Als je net als ik even gemakkelijk Duits leest als Nederlands, dan kun je ook de Duitse versie kopen. Omdat het vorig jaar vijftig jaar geleden was dat de vier Jozefboeken in één band werden uitgegeven, heeft de uitgever, nog steeds het Fischer-Verlag, besloten ze uit te geven in een voordelige jubileumeditie. U kunt ze prachtig gebonden en met een omslag die identiek is aan die van vijftig jaar geleden kopen voor € 24,99. En eigenlijk denk ik dat je ook het boek van Britta Böhler het best in het Duits kunt lezen.

 

G.H. ter Schegget, “Zoet is het licht”, tien preken van G.H. ter Schegget, Narratio Gorinchem 2015, 74 pag. € 9, ISBN 978 90 5263 838 6.

 

Op 16 april jongstleden werd in het Historisch Documentatie Centrum in de Vrije Universiteit het archief van Bert ter Schegget gepresenteerd. Van een eindeloze hoeveelheid dozen met boeken, toespraken, preken, cassettebandjes en diskettes, maakte Greetje Witte-Rang een overzichtelijk en toegankelijk archief, waarin je alles kunt vinden, wat nog niet op de website van de Ter Schegget-stichting staat. Ter gelegenheid van dit heugelijke feit, gaf de stichting een klein boekje uit bij Narratio met daarin tien niet eerder gepubliceerde preken van Ter Schegget. De titel is ontleend aan een preek over Prediker. In 1995 en 1996 hield Ter Schegget voor Groot Zuid in het Sweelinck-lyceum in Amsterdam, vier preken over het boek Prediker, dat hij in deze diensten in zijn geheel las. Of hij die preken ooit had willen publiceren, weet ik niet. Ik denk van niet, omdat ze maar summier zijn uitgewerkt, maar wat opvalt is dat hij bij drie van de vier preken als evangelie een gedeelte van de Bergrede kiest. Dat zegt iets over hoe hij over Prediker en hoe hij over de Bergrede dacht (de preken over de Bergrede zijn, soms enigszins bewerkt, afgedrukt in zijn laatste boek: Een hart onder de riem). Hij heeft ze beide gezien als praktische wijsheid. Hoe houdt je het als gewoon machteloos mens (als ‘piepeltje’ placht Dick Boer te zeggen) vol in een wereld, die je niet in je greep hebt. Genieten van het leven dat je gegeven wordt, zegt Prediker. “Maak je geen zorgen over de dag van morgen”, zegt de Bergrede. Hoe maak je van je zwakte je kracht en overleef je in solidariteit met je makkers. De andere zes preken zijn vooral uit de laatste jaren van zijn leven. De laatste uit het boekje, een juweel, gaat over de gelijkenis van de verloren zoon (er zit een tikfout in het boekje, er staat dat Lucas 5 is gelezen, maar dat moet natuurlijk Lucas 15 zijn). Als je de preek leest, begrijp je dat bij Ter Schegget de ethiek wordt geboren uit de praktijk van het preken. Bert leest de Schrift en zoekt daarin hulp bij concrete ethische vraagstukken. Je kunt niet zomaar ethische principes afleiden uit de Bijbel, maar je kunt wel een manier van denken ontdekken, die je helpt bij het nadenken over concrete vraagstukken. De verloren zoon wordt alles vergeven wat hij heeft misdaan. Is dat eerlijk? Nee, zegt Ter Schegget, juridisch gezien niet, maar vergeving is het enige waar een gemeenschap, waar onze wereld verder mee komt. En dan spreekt hij over de Waarheidscommissie van Tutu. Niet als een soort halleluja-verhaal, maar kritisch, ook met oog voor het betrekkelijke ervan, en toch… Ethiek is geen andere vorm van juridisch denken, maar is bedenken hoe we verder kunnen. “Wie kan zonder vergeving leven? Dat ontbreekt aan de oudste (zoon): de solidariteit in de schuld.” (pag. 73). Vorige week bestudeerde ik in Roemenië met tweeëndertig predikanten uit Nederland en uit Transsylvanië de ethiek van Bonhoeffer. Het moeilijkste vond men het begrip “Schuldübernahme”, bij Bonhoeffer de concretisering van de plaatsbekleding en de werkelijke verantwoordelijkheid voor je medemens. Bert begreep het en legde het uit in zijn preek over de twee broers. En toen ik het nalas, bedacht ik dat hij dat vijftig jaar eerder ook al had gedaan in een artikel in Wending over hetzelfde bijbelgedeelte.

 

Willem van der Meiden / Derk Stegeman ed., Voor Stad en Kerk. Inspiratiegids, Skandalon Vught 2015, 100 pag. € 14,50. ISBN 978 94 921 8303 3.

 

Velen van jullie kennen STEK, de Stichting voor Kerk en Stad in Den Haag, die al tien jaar bestaat en waar vele vrienden van Ophef als Willem van der Meiden, Derk Stegeman en Henk Baars werken. Waar in andere (grotere) gemeentes op het kerkelijk erf allerlei werkzaamheden worden verdeeld over diaconale instellingen, instituten voor vormingswerk etc., gebeurt dat in Den Haag inmiddels onder de bezielende leiding van de oud secretaris generaal van de Raad van Kerken Ineke Bakker door deze ene stichting. Bijna vijftig medewerkers en achthonderd vrijwilligers maken STEK tot misschien wel de grootste plaatselijke kerkelijke instelling. NU zou je denken dat in hun jubileumboek uitvoerig wordt opgeschreven wat ze in die tien jaar allemaal hebben bereikt. Maar dat gebeurt niet. In plaats daarvan schrijven ze een inspiratiegids. Het boek is opgebouwd in vier delen aan de hand van de werkwoorden VERBINDEN (vind ik persoonlijk niet het mooiste woord, te veel geijkt door het CDA, maar ik snap wat er bedoeld wordt), BESCHERMEN, VERSTERKEN en BEZIELEN. Bij elk woord horen twee essays, een interview van Willem van der Meiden, een gedicht, een bijbeltekst, een associatie en een tafelgebed. De essays zijn stuk voor stuk inspirerend; als ze mij waren aangeboden, zou ik geen enkele hebben geweigerd op te nemen in Ophef. Als ik Derk Stegeman lees over de inspiratie van Bonhoeffer dan weet ik onmiddellijk weer dat hij ooit gemeentelid en ouderling bij me was in de Amstelkerk. De interviews van Willem met vrijwilligers zijn prachtige kleine portretjes en het verhaal van Henk Baars over de inspiratie van Etty Hillesum is ontroerend. Ik heb me er vaak over beklaagd, dat in onze kerk nog nauwelijks werk wordt gemaakt van wat ik het “project Bonhoeffer” (mijn aanduiding voor de noodzakelijke vernieuwing van onze kerk) pleeg te noemen. Ik had me kennelijk eerder en uitvoeriger moeten laten informeren over het werk van STEK. Ik durf er nauwelijks naar toe, bang dat het in de praktijk toch weer wat tegen valt, maar vooralsnog: Proficiat STEK. “Kerk voor anderen” lijkt me een prima uitgangspunt.

 

Werner Pieterse, Wat blijft. God na de kaalslag, Kok Utrecht 2014, 188 pag. € 17,50. ISBN 978 90 435 2305 9.

 

Over dit boek had ik natuurlijk al veel eerder moeten schrijven, maar soms raak je pas geïnteresseerd wanneer je de auteur ontmoet hebt en een indruk hebt gekregen, waarom zijn betoog spannend zou kunnen zijn. Het is een eerlijk en persoonlijk boek van een dominee die ziet, dat kerk en geloof geleidelijk aan verdwijnen uit de samenleving en daarvoor een verklaring wil zoeken. Hij ziet heel goed wat er allemaal mis is gegaan, maar is tegelijk persoonlijk zo vol van die verhalen en begrippen die hem op de been houden, dat hij blijft geloven, dat het anders moet kunnen. Hij ziet dat in de bible-belt de kerken vol blijven, terwijl ze elders leeglopen, maar weet, zoals ze het daar doen met het HEERE HEERE zo kan ik dat niet meer, al zou ik het willen. Daarom loopt hij de Apostolische Geloofsbelijdenis nog eens na. Hij begint met IK (niet omdat we dat tegenwoordig allemaal doen, maar omdat dit het eerste woord van het Credo is) en schrijft vervolgens de hoofdstukken over GOD, JEZUS en de GEEST. Hij confronteert het ‘ik-denken’ van de westerse wereld met de praktijk in Afrika (de auteur was docent theologie in Kameroen) en stelt vast: “Dit is geen continent voor overpeinzingen achter gesloten deuren, maar van verhalen bij het vuur”. En dan begint hij het scheppingsverhaal uit te leggen: wie is die mens, die ‘ik’ zegt, tenslotte is hij het mensje (Enosch) uit het slot van Gen. 4, die de naam van de Eeuwige begint uit te roepen, omdat hij aangesproken wordt als mens. Vandaaruit trekt Pieterse zowel door de geloofsbelijdenis als door het bijbelse getuigenis. Als ‘God’ aan de orde komt, brengt hij Karl Barth ter sprake die het had over de onmogelijkheid en de noodzaak om over God te spreken. Alles klinkt mee, de moderne en vooral de postmoderne filosofie, de dichters die hem hebben geïnspireerd. Hij weet wat er allemaal tegen het geloof ingebracht kan worden, maar als hij aan het eind van zijn literaire tocht komt en de vraag moet beantwoorden, wat er nu eigenlijk blijft, schrijft hij met de woorden van een eenvoudig gemeentelid, dat het woord neemt bij de uitvaart van de vader van de schrijver, dezelfde woorden als Karl Barth ooit schreef onder de beroemde Barmer Thesen: VERBUM DEI MANET IN AETERNUM, “Het Woord van onze God bestaat tot in eeuwigheid”. Ook daar valt nog heel wat op af te dingen en we kunnen het over openbaringspositivisme bij Barth hebben, maar ten diepste kunnen we het alleen maar met Werner Pieterse eens zijn: als dat niet is wat blijft, dan kunnen we er maar beter mee ophouden.

 

Rinse Reeling Brouwer, Karl Barth and Post-Reformation Orthodoxy, Ashgate (UK) 2015, 284 pag. £ 65,00. ISBN 978 1 4724 4835 4.

 

Dit boek is nog niet verschenen en als het verschijnt is het voor mij misschien wel te moeilijk om te bespreken, maar ik wilde de liefhebbers van Rinse, van Barth en van de theologie dit niet onthouden en bied u daarom hieronder de informatie die ik hierover van de auteur kreeg.

 

In Karl Barth and Post-Reformation Orthodoxy zijn een reeks detailstudies bijeengebracht, voor het merendeel eerder als paper gepresenteerd bij de ontmoeting tussen Nederlandse en Amerikaanse Barth-onderzoekers, waarin een poging tot een dergelijke reconstructie wordt ondernomen.

De inleiding biedt een overzicht van Barths particuliere collectie orthodoxe theologen, die zich nog steeds bevindt in het Karl Barth Archief in Bazel en die de auteur daar in de zomer van 2013 kon bestuderen (de foto op de kaft van dr. Peter Zocher toont uit deze collectie folianten van Polanus, Amesius en Cocceius).

Daarop volgen vijf hoofdstukken, waarin op exemplarische wijze het gesprek wordt besproken dat Barth voerde met een of meer van de orthodoxe theologen uit een bepaalde periode van de gereformeerde leerontwikkeling, telkens toegespitst op een bepaalde locus uit de dogmatiek. Hoofdstuk 1 bespreekt Barths omgang met de Syntagma van zijn Bazelse voorganger Amandus Polanus (1609) over de godsleer, in hoofdstuk 2 gaat het onder meer over zijn ontdekking van het oudkerkelijk dogma via een reeks disputaties uit de Synopsis purioris theologiae die de Leidse hoogleraren na de uitkomst van de Dordtse synode samenstelden (1624), en hoofdstuk 3 de mengeling van afkeer en bewondering die de verbondstheologie van Johannes Cocceius (1648, 1669) bij hem opriep. In een vierde hoofdstuk gaat het over de opvattingen van een aantal vooral latere, behoorlijk regenteske orthodoxe vaderen over de kerk, en een vijfde hoofdstuk bespreekt Barths aandacht voor de merkwaardige overgangstroming van de ‘verlichte orthodoxie’ op de drempel van de verlichting in haar moeizame verhouding tot de van de reformatoren overgeleverde leer van de rechtvaardiging.

In het zesde hoofdstuk volgt tenslotte een schets, hoe Barth zich voor zijn eigen dogmatisch ontwerp weliswaar nog lange tijd op zijn zelfgekozen leermeester Heppe oriënteert, maar toch steeds meer los van hem komt te staan. De herlezing van de overgeleverde verkiezingsleer rond 1941 is hier beslissend geweest.