Oecumenisch denkplatform voor hartstochtelijke en maatschappelijk betrokken theologie. Ook op twitter en facebook

De “Nieuwe Boeken”-rubriek uit Ophef 2016/3

In het Ophefnummer 2016/3 worden door Wilken Veen de volgende boeken besproken:

 

Robert D. Kaplan, Duister Europa. Twee koude oorlogen en een reis door Groot-Roemenië, Houten / Antwerpen 2016, 328 pag., € 29,99. ISBN 978 90 00 34541 0.

 

Dit boek is een novum in deze rubriek, want het gaat niet over theologie (nou ja, een heel klein beetje, dat komt nog aan de orde). Toen ik me had voorgenomen om deze vakantie samen met Rieta, mijn vrouw, een rondreis door Roemenië te maken, vroeg ik Ries Nieuwkoop (een specialist die al meer dan tien jaar reizen van o.a. theologen naar Roemenië leidt), om informatie. Hij adviseerde niet alleen een route, maar noemde bovenstaand boek als het meest actuele over Roemenië. Ik nam me voor het tijdig te lezen, maar toen dat niet lukte ging het in de koffer mee naar Roemenië. En dat was een geluk bij een ongeluk, want niets is zo mooi als lezen over een land, terwijl je erdoor reist en de inhoud te proeven in combinatie met wat je ervan ziet. Ik had dat eerder al gemerkt toen ik Istanbul doorkruiste aan de hand van het schitterende boek over die stad van Orhan Pamuk. En bovendien is het boek van Kaplan zelf een reisboek. Het verslag van drie reizen van de schrijver door Roemenië. Een eerste reis in 1981, de auteur was nog geen dertig en trok met een rugzak door het land, dat hij beschouwde als één van de meest trieste dat hij ooit had gezien. Het was de tijd van de opperste gekte van Ceausescu, misschien mede ontstaan door een bezoek aan Noord-Korea, waar hij de gedachte had opgedaan, dat een land ook volkomen geïsoleerd kan bestaan. Daarvoor moest het o.a. zijn staatsschulden versneld aflossen (waarvoor de Roemenen letterlijk moesten bloeden en honger moesten lijden). Wellicht heeft hij (of zijn vrouw Elena) daar ook geleerd hoe een persoonlijkheidscultus het hele maatschappelijk leven kan beïnvloeden. Collega’s van me in Roemenië vertelden hoe de enig toegestane televisiezenders dag in dag uit vrijwel alleen Ceausescu en zijn vrouw in beeld brachten. De twee reis was in 1991 vrij kort na, wat door de Roemenen tot op de dag van vandaag als ‘revolutie’ wordt beschouwd, de ondergang van het Ceausescu-regime en de terechtstelling van hem en zijn vrouw in de dagen rond kerstmis 1989. De derde reis maakte hij in 2013, vrij kort nadat Roemenië lid was geworden van de Europese Unie. In het boek worden die drie reizen niet chronologisch na elkaar beschreven, maar aan de hand van plaatsen of personen worden de ervaringen tijdens die drie reizen met elkaar vergeleken. Kaplan, die als adviseur werkt voor de Obama-regering, is betrekkelijk positief over de ontwikkeling. Ze zijn er nog lang niet, maar de toetreding tot de Europese Unie ziet hij als erg goed voor Roemenië en zijn grootste angst is, dat Viktor Orban de Hongaren in Roemenië (de grootste minderheid) aan zou kunnen zetten tot rebellie tegen de Roemeense regering en daardoor de relatieve stabiliteit in gevaar brengen. Roemenië in zijn huidige omvang en samenstelling is namelijk een vrij jong land, pas na de eerste wereldoorlog ontstaan. Tot die tijd was er Transsylvanië (bewoond door Duitsers, Hongaren en Roemenen) dat eerst deel uitmaakte van het Habsburgse Rijk en vervolgens van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, Walachije, dat vele eeuwen deel uitmaakte van het Ottomaanse Rijk (dan wel daaraan ondergeschikt was) en Moldavië, dat nu verdeeld is in de Roemeense provincie Moldavië en de onafhankelijke (zij het volledig in de Russische invloedssfeer) republiek Moldavië. Ook daar ligt potentiële conflictstof. In Boekarest heb ik op vele muren gekalkt zien staan dat (heel) Moldavië Roemeens is. En dan is er nog een derde, spannende laag in het boek van Kaplan. Kaplan is (net als ik) een boekenfanaat. Dus ook hij (het is bijna een Droste-effect) beschrijft zijn reizen met in zijn koffers een eindeloos aantal boeken over (de geschiedenis) van Roemenië, waaruit hij uitvoerig citeert. En zo tovert hij je voor ogen, waar je op dat moment zelf mee bezig bent, de combinatie van twee mogelijke manieren van reizen door een land: in de geest met een boek in je hand en in het echt (eventueel ook met een boek in de hand). Ik ben het zeker niet zomaar in alle opzichten met hem eens (daarvoor is hij te absoluut westers georiënteerd), maar je proeft in alles, dat hij heel erg goed kijkt en ook kans ziet met de juiste mensen te spreken. Van die gesprekken, o.a. met Ion Iliescu, die van 1990 tot 1996 en van 2000 tot 2004 president was van Roemenië, doet hij ook uitvoerig verslag. Eén van (ik zei al dat er toch een klein beetje theologie in zit) de opmerkelijkste vaststellingen van Kaplan is, dat hij een verband ziet tussen de Roemeense bestuurscultuur en de Roemeens Orthodoxe kerk. De orthodoxe kerk (of die nu Russisch of Roemeens is) is een autoritaire kerk, waarin de “leek” niets in te brengen heeft. Hij is er alleen maar om te genieten van de “hemelse” liturgie (dat ie mooi is, zal ik niet ontkennen) die door priesters en monniken (soms ook nonnen) wordt uitgevoerd en de, al even schitterende, ikonen (op een voor mij afschuwwekkende manier) te vereren door die te overdekken met zoenen. In Boekarest zagen we allerlei mensen (voor het overgrote deel vrouwen) in de basiliek rondlopen met briefjes. Het bleek dat ze buiten op bankjes hun gebeden opschreven, waarvoor dan bij een – respectvol buiten de kerk opgesteld – loketje werd betaald, waarna dat briefje naar de priester werd gebracht, opdat hij dat gebed voor hen uit zou spreken in de kerk. Toen mij door een bevriende predikant aan wie ik over deze ervaring vertelde, gevraagd werd, wat ik daarvan vond, zei ik, dat ik iedere priester, die niet zei, dat ze dat gebed ook zelf zouden kunnen uitspreken en dat dit gebed dan evenveel waard zou zijn, als een oplichter beschouwde. Het floepte eruit en natuurlijk maak ik daarmee duidelijk dat ik weinig begrijp van de orthodoxie, maar ik denk het wel echt. Het is deze “levenswijze” die de wereld opdeelt in ‘geestelijken’ en ‘leken’, die ook doorwerkt in de gemiddelde beleving van de politiek. Je hebt regeerders en geregeerden, leiders en volgelingen. Zelfs als er democratische verkiezingen zijn, betekent dat alleen dat een bepaalde groep het voor een bepaalde periode (absoluut) voor het zeggen heeft. Pas als de regering op zijn eigen bevolking laat schieten (zoals in het najaar van 1989) komt er (misschien) verzet op gang. Ik zou zeggen, als je niet in staat bent op korte termijn een reis door Roemenië te maken (wat ik overigens bijzonder aan zou willen bevelen), lees dan dit boek en reis in de geest door het land. Het is minder, maar toch ook erg mooi.

 

Peter Rollins, The Divine Magician, The Disappearance of Religion and the Discovery of Faith, London 2015, VIII en 190 pag., € 13,99. ISBN 978 1 444 70379 5.

 

Ik hoorde voor het eerst van Peter Rollins door Jurgen van den Herik tijdens een studieweek in Roemenië. Hij vermaakte ons tussen de sessies door en in de kroeg met verhalen over en grappen van Peter Rollins. Toen Jurgen een boekje over hem in de theologenserie van VTM voorstelde, waren we eerst wat huiverig, niemand kende immers de auteur, zo meenden wij. Zou hij niet liever eerste een artikel over hem willen schrijven voor Ophef? Sindsdien is het allemaal erg snel gegaan, inmiddels is een eerste boek van Rollins in het Nederlands vertaald en wordt aan een volgende gewerkt. Jurgen schreef over de presentatie van De Orthodoxe Ketter (Ophef 2016/2) en is bezig met het inmiddels toegezegde boekje over hem voor de theologenreeks. Zelf was ik aanwezig bij de presentatie en buitengewoon aangenaam verrast door wat ik daar hoorde. Toen de laatste hand werd gelegd aan de vorige Ophef, mailde Jurgen mij, dat Rollins mogelijk op 20 augustus naar Nederland zou komen en of dat gepubliceerd kon worden. Helaas ging Ophef ter perse voordat we daar zekerheid over hadden. Maar het ging door en zo ontmoette ik Peter Rollins op die zaterdag tijdens een studiedag in Utrecht. Ik zal iets vertellen over die bijeenkomst en over het boek, dat ten grondslag lag aan zijn performance. Rollins, geboren in Belfast, nu wonend in Californië, heeft aan den lijve ondervonden, hoe desastreus religie kan zijn, hoe het zijn leefwereld in Noord-Ierland bijna vernietigde. Daarom startte hij daar de groep ‘Ikon’, een geloofsgemeenschap, die zich niet bond aan de protestantse of katholieke kerk, maar waar in een ongedwongen sfeer werd gepraat, gezongen en gemusiceerd over geloof en ongeloof, want, zoals hij eerder als motto meegaf aan een vroeger boek: “to believe is human, to doubt divine”. Hij is in alle opzichten een “ander soort” theoloog, hij praat liever in de kroeg dan in de kerk en is zowel theoloog als filosoof en een groot kenner van de theorieën van Jacques Lacan, en verspreidt zijn theologie liever via het internet (peterrollins.net) dan via de theologische faculteiten. Na die kennismaking besloot ik onmiddellijk zijn hele theologische oeuvre aan te schaffen. Dat is overigens niet zo’n probleem: het betreft vijf boeken, waarvoor je bij elkaar nog geen zeventig euro betaalt (ik betaal soms het dubbele voor één enkel Duits wetenschappelijk theologisch boek) en het laatste (dat ik hier bespreek) heb ik inmiddels gelezen en ook “meegemaakt”, want Rollins maakt van de inhoud van zo’n boek een soort performance, die hij voordraagt, moeiteloos vijf, zes uur pratend met korte onderbrekingen en met een passie, die doet denken aan de dagen van Frans Breukelman. Als je de inhoud van dat boek heel kort door de bocht wilt samenvatten, dan zegt Rollins, dat de traditionele religie een soort van goocheltruc is, waarbij je iets wordt voorgespiegeld, dat je uiteindelijk niet krijgt, al wordt je de indruk gegeven dat dit wel het geval is. De truc kent drie fases: The pledge, the turn and the prestige. Dat wat je uiteindelijk krijgt lijkt als twee druppels water op wat je beloofd was, maar is het niet. Het twee eurostuk, dat Rollins aan het begin van de bijeenkomst heeft laten verdwijnen, lijkt natuurlijk sprekend op het twee eurostuk, dat hij tien minuten later tussen de bladzijden van de bijbel tevoorschijn tovert, maar dat zat daar al die tijd al! “The Prestige” is ook de titel van een wereldberoemde film van Christopher Nolan uit 2006, die gaat over de rivaliteit van twee goochelaars, die de grootste truc aller tijden willen verwezenlijken: doodgaan en weer tevoorschijn komen. De ‘turn’ zit hem in het feit dat de goochelaar een tweelingbroer heeft, die sprekend op hem lijkt, maar jarenlang vermomd en onherkenbaar door het leven gaat om op het moment suprême….

Rollins is een leerling van Bonhoeffer, ik durf wel te zeggen, zijn meest radicale leerling. Zelf ben ik al een kleine veertig jaar een volgeling van Bonhoeffer en sinds een groot aantal jaren is het mijn gewoonte om te spreken over “het project Bonhoeffer” en ik bedoel daarmee het serieus nemen van de door Bonhoeffer bepleite niet-religieuze interpretatie van Bijbelse en theologische begrippen. Terwijl Bonhoeffer werd gekaapt door evangelicale en confessionele christenen, die van hem een held en martelaar voor het traditionele christendom maakten, vond ik maar hoogst zelden mensen die in dit spoor door wilden denken. En nu is daar Peter Rollins, twintig jaar jonger dan ik en met oneindig veel meer energie! Toen hij mij in de pauze tussen neus en lippen door zei: “Of course I ‘m a marxist, but that doesn’t matter”, was ik helemaal verkocht. Kritiek heb ik overigens ook wel, maar ik vrees dat ook dat met ons verschil in leeftijd te maken heeft. De door hem gebezigde term “pyrotheology” (oftewel: “de fik erin”) bevalt me niet. Misschien dat ik dat vroeger ook gezegd kon hebben (ik herinner me wel dat ik in de zeventiger jaren tegen Ter Schegget heb geroepen, of wilde roepen, “Bert, de zweep erover”), maar ik houd te veel van al die serieuze theologen, die even goed het beste met de wereld voor hebben, ook als ze zich niet met het project Bonhoeffer bezighouden. Maar als we als Vereniging voor Theologie en Maatschappij nadenken over hoe het verder moet en hoe we tot een nieuw soort progressieve theologie moeten komen, die ook een jongere generatie aan kan spreken, dan moeten we zeker niet aan het werk van Rollins voorbijgaan. Ik noem daarom ook maar even alle andere van hem verkrijgbare boeken: How (not) to speak about god (2006), The Orthodox Heretic (2009), Insurrection (2011), The Idolatry of God, breaking the Addiction to Certainty and Satisfaction (2013). Zekerheid is (blijkens de laatste ondertitel) niet wat een mens van het geloof te verwachten heeft, daarom – zo bepleit Bonhoeffer in zijn Ethiek – zal hij zelf verantwoordelijkheid moeten nemen voor zijn leven, zonder zich als een soort van excuus op God te beroepen. Het geloof is er niet om de mens te zeggen dat er nu wel veel mis gaat, maar dat dit later (hier beneden of daarboven) beter zal gaan, maar om ons te leren leven met die condition humaine. Het kruis is niet een teken van de overwinning (in hoc signo….), maar het teken van een nederlaag en alleen zo…, maar dan heb ik al weer bijna te veel gezegd volgens Rollins.

 

E.D.J. de Jongh, Een vrije vogel met een helder lied, Biografie van Wim Kist, een linkse patriciër, 1915-2005, Skandalon Vught 2016, 224 pag., € 29,95. ISBN 978 94 92183 30 9.

 

Hij kan het maar niet laten, achtentachtig jaren jong voltooide hij zijn vierde grote biografie en pas op, hij heeft nog plannen voor een volgende! Dick de Jongh. Na zijn pensionering als docent aan de Universiteit van Twente, legde De Jongh zich toe op het schrijven van biografieën. Een hobby werd een passie, hij kan er eigenlijk niet mee stoppen (“Wat moet ik dan doen, niets?”) en het is een imposante reeks, de biografie over Jan Buskes (1998), over Hannes de Graaf (2004) en Bert ter Schegget (2010) is nu, opnieuw na zes jaar, gevolgd door een boek over Wim Kist. Ik moet wel zeggen, maar dat is zeker geen bezwaar, de laatste is wat dunner dan de drie voorgaande, en gaat dit keer niet over een theoloog, maar over een jurist, die in kerkelijke kring juist bekend is geworden door zijn inzet voor het vormingswerk. Een ‘bevlogen’ mens, zoals de titel al duidelijk maakt, die uiteindelijk toch ‘een beetje theoloog’ wordt (u begrijpt dit is een gigantisch understatement) als hij in 1971 promoveert op een theologisch proefschrift: Antwoord aan de machten, de ‘bijbel van het kerkelijk vormingswerk’ geschreven een jaar na Ter Scheggets proefschrift over de Stad van de Toekomst en even revolutionair: gericht op verandering, het vormingswerk als instrument om instituties te veranderen. En – nooit vertoond, noch daarvoor, noch daarna – een samenvatting, hoe dat gaat, zo’n cursus op een vormingscentrum, in haiku’s! Ik weet van Dick de Jongh, dat hij al heel lang bezig was met de gedachte om over Win Kist een biografie te schrijven en ik ben erg blij dat het gelukt is. Een hele grote volle zaal in De Rode Hoed maakte duidelijk hoezeer Wim Kist bewonderd werd en hoe blij men was met dit huzarenstuk van Dick de Jongh. De werkwijze bij het schrijven van zijn biografieën is haast steeds dezelfde. Hij begint met een eindeloze hoeveelheid gesprekken te organiseren met zo mogelijk alle nog levende mensen, die betrokken zijn geweest bij zijn onderwerp. En dan geleidelijk aan ontstaat er een structuur een plan, dat hij gaandeweg invult. De ‘interviews’ zijn niet meer terug te vinden, ze zijn zo mogelijk gecontroleerd aan de hand van archieven en geschreven materiaal en vervolgens opgenomen in een doorgaand verhaal. Er is één rode draad die door alle vier de biografieën loopt en die rode draad heet liefde. De Jongh houdt van zijn onderwerpen. Miskotte schrijft ergens – ik dacht in de inleiding van Het wezen der joodsche religie – over een ‘Liebeskonstruktion’, je moet minstens een beetje van je onderwerp houden om er goed over te kunnen schrijven. Die liefde geeft inspiratie. Het kan ook anders (je kunt ook ergens over schrijven om het te bestrijden, over het fascisme bijvoorbeeld, maar misschien gebeurt dat ook uit liefde zij het niet voor het onderwerp), maar mijn ervaring is, dat je het meest geniet van het lezen als je de liefde van de schrijver voor zijn onderwerp of voor de door hem beschreven personen kunt voelen. Hij laat je dan als het ware door zijn ogen kijken. Dick de Jongh bewonderde Kist bovenmatig en wij zijn daar blij om, want zo is er een enthousiast portret geschilderd, van deze rechter en vormingswerker, die je bijna melancholiek doen terugdenken naar een tijd (waarin je absoluut geloofde in de mogelijkheid van verandering, van revolutie), die nu helemaal voorbij lijkt te zijn. En ja, ik geloof dat ik dat Herman Meijer ooit hoorde zeggen, we zouden nog eens na moeten denken over de vraag, of we in de jaren zeventig wel de goede vijand hebben uitgekozen toen we ons als Christenen voor het socialisme ten doel stelden de actie “Nieuwe Levensstijl” te bestrijden.