Oecumenisch denkplatform voor hartstochtelijke en maatschappelijk betrokken theologie. Ook op twitter en facebook

De “Nieuwe Boeken”-rubriek uit Ophef 2016/4

In het Ophefnummer 2016/4 worden door Wilken Veen de volgende boeken besproken:

 

Rinse Reeling Brouwer, Eeuwig Leven. Agamben & de theologie, Amsterdam, Sjibbolet 2016, 74 pag. € 15,50. ISBN 978 94 9111 028 3

 

Dagblad Trouw had de indruk (ik zeg het maar in mijn eigen woorden) dat het hier ging om een gesprek tussen twee professoren, waar een gewoon mens niets van zou kunnen begrijpen. Zonder mezelf als gewoon mens aan te willen duiden, ben ik het daar toch volstrekt niet mee eens. Het boek is niet eenvoudig, omdat het een moeilijk onderwerp is en de filosofie van Agamben gecompliceerd lijkt door zijn grote belezenheid (wat natuurlijk evenzeer van zijn gesprekspartner geldt) en de argumentatie die hij uit alle mogelijke hoeken en gaten aandraagt. Maar als het erom gaat, die ingewikkelde materie zo helder mogelijk aan de orde testellen, heeft Rinse een geweldige prestatie geleverd. Bij de presentatie (op 22 november j.l.) hebben de aanwezigen nog eens kunnen ervaren, hoe hij die materie in zijn vingers en in zijn hoofd heeft en hoe gemakkelijk hij heen en weer springt door het werk van Agamben om hem vooral zichzelf uit te laten leggen. Dat in dit tweegesprek Rinse de theoloog en Agamben de filosoof is, is maar betrekkelijk. Rinse speelt die rol en laat Agamben dus die andere rol spelen, maar wie het Spinozaboek van Rinse en het Romeinenboek van Agamben heeft gelezen, weet dat die rollen enigszins verwisselbaar zijn. Rinse is al sinds jaren een groot liefhebber van Agamben, dat hebben we ook kunnen zien aan de inleiding die hij destijds hield bij de (eveneens door Sjibbolet uitgegeven) Nederlandse vertaling van Pilato e Gesú en zijn Agamben-verhaal voor het Amsterdamse leerhuis. Een boekje over Agamben van zijn hand moest er dus wel een keer van komen en ik heb begrepen, dat het de uitgeefster van Sjibbolet (een éénvrouwsbedrijf in Amsterdam) was, die hem hiertoe aangespoord heeft. Wat Rinse en Ageamben bindt is vooral de liefde voor Walter Benjamin (Agamben is de bezorger van de Italiaanse uitgave van zijn werk). Agamben is – voor zover een wetenschapper dat in deze tijd nog kan zijn – een generalist. Hij argumenteert als filosoof met gegevens die hij ontleent aan de geschiedschrijving of de literatuur en (ja, ja, de Cliteurs van deze aarde mogen met de oren klapperen) vindt het de normaalste zaak van de wereld om ook dogmatische redeneringen serieus te nemen. Natuurlijk niet serieus te nemen, in die zin dat hij de dogma’s overneemt, maar serieus te nemen als een manier van denken en spreken, die vele eeuwen bepalend is geweest voor het menselijke denken en spreken over zichzelf en zijn wereld. Dat daar een werkelijkheid aan ten grondslag ligt (die van de zending van Messias Jezus, zegt Rinse) of (zoals Agamben denkt) alleen een mogelijkheid? Met het voorbehoud ten aanzien van die werkelijkheid, dat ik toch ook bij Marquardt (zeker, van hem is Rinse ook een groot liefhebber) meen gehoord te hebben, had Rinse misschien wat dichter bij Agamben kunnen blijven. Het moet nog blijken, de waarheid is een eschatologische (en dat zou je dus ook een mogelijkheid kunnen noemen). Dat Agamben misschien ook in dit verband heeft gedacht aan het Bonhoefferse onderscheid tussen het laatste en het voorlaatste (en “we leven in het voorlaatste, zo is het toch?” schreef Bonhoeffer), spreekt daarvoor. Het is maar een heel klein kritiekpuntje, eigenlijk niet eens kritiek, maar eerder een ander accent in een werkelijk indrukwekkend knap boek. Inhoudelijk op alle aan de orde gestelde thema’s ingaan, is ondoenlijk, want ondanks (of misschien ook dankzij) de beperkte omvang is het toch een breed opgezet boek, dat bijna ongemerkt (de verschillende paragrafen lijken op zichzelf staande onderwerpen) toch toeleidt naar één centraal thema: het eeuwige leven, de bestemming van de mens, zoals dat al in de schepping aan de orde is. Een werkelijkheid of een mogelijkheid? Laat de spanning (en ook het gesprek erover) maar bestaan, daar worden we wijzer van.

 

Rikko Voorberg, De dominee leert vloeken. Over woede, onmacht en daadkracht, Amsterdam, Arbeiderspers 2016, 204 pag., € 18,99. ISBN 978 90 2950 585 7

 

In Amsterdam, waar ik als predikant van het leerhuis van de PKA actief ben, lopen naast dominees ook pioniers rond. Ze vervullen allemaal heel verschillende functies, maar wat ze gemeenschappelijk hebben is dat ze proberen op een andere, alternatieve manier present te zijn in de samenleving. Rikko Voorberg is betrokken bij Stroom West, een kunstenaarscollectief, dat ik – misschien moet ik zeggen, tot mijn schande – niet kende, maar na lezing van zijn boek, herinnerde ik me plotseling, dat een paar mensen van Stroom West – ik was eerst zo dom om ze voor een evangelicale kerkplantersclub aan te zien – aanwezig waren bij de workshop van Peter Rollins in Utrecht. En natuurlijk, de keuze om het denken over geloof (en ongeloof) en wereld vorm te geven met kunst, met muziek, met toneel, lijkt erg of het Icons-project van Rollins. “Ook buiten de kerk is kerk”, zei Dorothee Sölle ruim vijftig jaar geleden op een Kirchentag in Hamburg. Inmiddels denk ik, dat die alternatieve projecten – als ze daar geen behoefte aan hebben – wat mij betreft ook helemaal geen kerk meer hoeven te heten. Zelf ben ik te zeer verknocht aan de kerk en meer nog aan de mensen in die kerken om mijn  heil nog elders te zoeken, maar ik ben wel blij dat het gebeurt en neem me voor dit proces intensiever te gaan volgen, misschien zijn er af en toe raakvlakken. Rikko Voorberg is theoloog en hij schaamt zich er niet voor. Zijn taal is die van een nieuwe generatie (inderdaad, qua leeftijd had hij mijn zoon kunnen zijn), maar bepaalde kernbegrippen wil hij niet kwijt. Dat het in de meeste kerken niet meer over zonde gaat (klopt, dat is ook mijn ervaring), is een gemis, want we kunnen onze frustratie niet meer kwijt over alles wat er mis gaat (over ‘de menselijke neiging om alles te verkloten’). We moeten weer boos durven zijn, misschien ook vloeken (ik heb daar slechte ervaringen mee, maar dat komt, omdat ik wel nog steeds in die traditionele kerk rondloop), we moeten de opwelling om iets te doen aan geweld, aan discriminatie, aan onrecht, niet heel verstandig wegredeneren. Rikko Voorberg doet het en neemt er anderen in mee. Zoals Tinkebell (lid van het collectief) in een opwelling naar Afghanistan ging, zo gaat Rikko Voorberg met haar mee naar Lesbos en doet daar een onuitwisbare ervaring op. Ik was bij lezing (het leest als een trein) soms ontroerd, omdat ik terugdacht aan de jaren zeventig toen we nog jonge revolutionaire theologen waren en bedacht, hoe verstandig en voorzichtig we waren geworden. Nee natuurlijk niet half zo verstandig en voorzichtig als de kerkleiding in Utrecht, die werkelijk nergens meer boos over wordt en zich dus ook nooit helder uit zal spreken, zelfs niet over Wilders en zijn club, maar toch… Op de landelijke vergadering van VTM hadden we het erover, waar er nu beweging is, waar iets gebeurt op het vlak van een werkelijk maatschappelijke theologie. Of ze iets met VTM (in hun ogen zijn wij waarschijnlijk toch ‘old school’) willen, is de vraag, maar ze zijn er wel! En dat is goed, ook als het buiten de kerk om, ja zelfs als het buiten de VTM om gaat!

 

Maria de Groot, Het drievoudige pad. Leerling, pelgrim, sterveling, Leeuwarden, Elikser 2016, 228 pag., € 19,50. ISBN 978 90 8954 894 8

 

Eigenlijk ben ik, om het Amsterdams te zeggen, ‘niet zo mystiek aangelegen’, maar sinds jaar en dag maak ik direct een uitzondering voor twee mystica’s van mijn tijd, Dorothee Sölle en Maria de Groot, waarbij de eerste een maatschappelijk theologe was, die ook (veel) aandacht had voor de mystiek en de tweede een mystica is, die ook altijd oog heeft voor de maatschappij. In 2003 schreef ze Hoe ver de weg nog is, een bundeling van de mystieke gedichten uit haar eerder verschenen dichtbundels en in 1988 Messiaanse ikonen, een schitterend boek over het Evangelie van Johannes, waarin ze de ‘ik ben’-woorden van Jezus als uitgangspunt nam. Ik preek zelden over Johannes zonder dat boek uit de kast te halen. En nu, op gevorderde leeftijd, schrijft ze dit prachtige boek, waarin ze als een wijze vrouw spreekt over de belangrijkste dingen uit het leven. Ik zeg dat als een compliment, want ze komt in dit boek als een wijze vrouw over, maar ook naar aanleiding van haar gewoonte om ‘Vrouwe Wijsheid’ sprekend in te voeren en wijze woorden te laten zeggen. Ik ken natuurlijk het gebruik om de Geest aan te duiden als Vrouwe Wijsheid, maar in de uitleg van het prachtige verhaal over Prins Kalkoen, schrijft Maria de Groot: “Wie is de wijze? Het kan een vriend of een therapeut zijn. Maar het kan ook de wijze zijn in onszelf, de integere, nederige, geduldige mens die wij, kalkoenen, ook zijn”. Ik begrijp, het is Maria de Groot zelf die als Vrouwe Wijsheid spreekt, maar je zegt niet zo maar ‘ik’, want je weet, dat je die wijsheden aangedragen krijgt, uit de Geest, uit wat je geleerd hebt van je leermeesters m/v, uit de heilige boeken. Een mens is leerling, pelgrim, sterveling. Hij/zij ‘lernt’ veel, zoekt als een pelgrim haar of zijn weg en beseft uiteindelijk een sterfelijk mens te zijn. Die drie fases hebben wel een volgorde, maar ze lopen ook door elkaar, want leren doe je een leven lang, zoals je ook heel je leven als pelgrim op weg bent en steeds opnieuw tot het inzicht komt, dat je een sterveling bent, wat je nederig maakt en open voor het contact met de Eeuwige. Hoewel Maria de Groot onbekommerd haar wijsheden put uit diverse bronnen (Bijbel, Koran, Kabbala, Boeddhisme, Zenmeesters etc.) gaat ze uit van haar eigen traditie en neemt de twee meest centrale teksten uit het eerste en het tweede testament, de Tien Woorden en het Onze Vader, en die beide met elkaar gecombineerd en in elkaars licht uitgelegd, als uitgangspunt. Ondanks een gestructureerde opzet, is het een speels boek, waar allerlei genres, gedachten en gedichten ook vrolijk door elkaar heen lopen. En zomaar daartussen door een briljante exegese (pag. 138-146) van Num. 27, 1-11, het verhaal van de vijf dochters van Selofchad, die als hun vader sterft zonder zonen, van Mozes erfrecht als dochters vragen… en krijgen. Hoewel we Maria de Groot, die volgend jaar tachtig wordt, nog een prachtig lang en werkzaam leven toewensen, zou dit zomaar haar magnum opus kunnen zijn, een laatste boek, waarin een leven lang ‘lernen’ en ‘lehren’ is samengebracht. Ook als je, net als ik, niet zo mystiek bent aangelegd, raad ik dit boek toch ten zeerste aan.

 

Herman de Liagre Böhl, Miskotte, Theoloog in de branding, 1894-1976, Amsterdam, Prometheus 2016, 360 pag., € 35. ISBN 978 90 351 4480 4

 

Hij is er, de biografie van Miskotte! Na Gerrit de Kruijfs dissertatie Heiden, Jood en Christen over de theologie van Miskotte en Mans Miskottes Niet te vergeten Miskotte, met herinneringen aan zijn vader, is er nu een echte biografie, geschreven door een biograaf van naam en faam (hij schreef eerder biografieën van Herman Gorter, Floor Wibaut en Han Lammers, bij de presentatie zei hij: Miskotte past goed in dat rijtje, want die was ook socialist). En het resultaat mag er wezen! Voor de omvang van de informatie (Miskotte schreef een veertigtal boeken, ontelbare artikelen en meer dan tienduizend pagina’s dagboek) is het een betrekkelijk dun boek geworden, maar daar zit ook de kracht in. Dat het wezen gevat wordt en zo duidelijk gemaakt wordt, wie Miskotte was, wat hem bezighield en wat de kern was van wat hij gezegd en geschreven heeft. Er is in diverse besprekingen al vaak op gewezen (en terecht meestal in positieve zin) dat De Liagre Böhl geen theoloog is, maar historicus. In de meeste gevallen wordt geconstateerd, dat dit geen nadeel is, omdat het boek hierdoor het theologische jargon volledig mist en ook voor niet-theologen goed te lezen is. Dat onderschrijf ik graag, maar ik zie ook een heel klein minpuntje. Dat hij geen theoloog is, is inderdaad geen probleem, dat hij niet gelovig is waarschijnlijk ook niet, maar dat hij geen kerkganger is en daardoor niet zomaar aanvoelt, wat er zich in een kerkdienst tussen voorganger en gemeente af kan spelen, is wellicht wel van belang. Als hij in de dagboeken leest, dat Miskotte zich wel geërgerd heeft aan het gebrek aan diepgang bij zijn gemeenteleden in de Jordaan en aan het feit dat hun kinderen niet naar de catechese komen, schrijft hij “Uit wat is overgeleverd, blijkt dat hij zich in die buurt per se niet thuis voelde en dat hij er evenmin geaccepteerd werd”. Natuurlijk, als je het afzet tegen de tweede Amsterdamse periode, waar hij predikant is voor de randkerkelijke intellectuelen in Zuid, waar hij zich als een vis in het water voelde, zou je zoiets kunnen schrijven, maar het is te absoluut. Miskotte heeft ook van de Jordaan gehouden, in de dagboeken lees je ook hoe hij de plat-amsterdamse of jiddische liedjes overschrijft en probeert te begrijpen. Zijn bezoekwerk (zes tot acht bezoekjes op een morgen was geen uitzondering) leidde wel eens tot irritatie, maar meestentijds sprak mij met liefde over zijn pastoranten.

Een wezenlijk onderdeel van de biografie is, dat daarin uitvoerig wordt gesproken over het persoonlijke leven van Miskotte. De dagboeken, schrijven daar ook wel degelijk over, maar de tot nu toe door Miskottes kinderen en Ad den Besten gepubliceerde dagboeken (die daarom in het Verzameld Werk ook zijn aangeduid als “Uit de dagboeken”) laten die gedeeltes vrijwel helemaal achterwege, zoals ze ook in het voorwoord van de eerste uitgave, VW4, uitleggen. Dat het huwelijk met zijn eerste, in 1946 overleden vrouw Cor niet altijd rimpelloos was, was daarom tot nu toe niet gedocumenteerd (of dat wel had gemoeten, ik weet het niet), maar De Liagre Böhl gaat daar wel op in. Ook spreekt hij zeer uitvoerig over het grote drama uit 1946, als met uitzondering van Miskotte zelf het hele gezin met tyfus geïnfecteerd raakt door het eten van besmette vis tijdens een bruiloftsmaal in Americain. Zijn vrouw Cor en dochter Alma zullen hierbij uiteindelijk overlijden. Miskotte heeft ook in die dagen dagelijks dagboek geschreven, maar dat cahier was uit privacy-overwegingen niet aanwezig in het Leidse archief. De biograaf heeft de familie overtuigd, dit cahier toch ter inzage te geven en hij heeft daarvan grondig gebruik gemaakt. Ik heb het met tranen in de ogen gelezen en kan alleen maar zeggen, dat Herman de Liagre Böhl dit heel integer en zorgvuldig heeft gedaan en misschien ook daardoor zijn gelijk heeft bewezen. Dit kon in een biografie niet ontbreken. Wat wel ontbreekt is de in de dagboeken herhaaldelijk uitgesproken vrees van Miskotte, als hij als een waanzinnige bezig is Edda en Thora op tijd  – dat wil zeggen voor een Duitse inval – klaar te krijgen voor publicatie, dat hij door dat boek in het concentratiekamp zal komen (en hoe moet het dan met zijn vrouw en  kinderen, als zij de kostwinner verliezen). Als je heel veel bezig bent met teksten van Miskotte (Willem van der Meiden en ik werken aan de dagboeken van de jaren 1938-1940) kom je altijd dingen tegen, waarvan je denkt, dat zou ik ook opgenomen hebben, maar de biograaf maakt zijn eigen afwegingen en is uiteindelijk met een selectie gekomen, die recht doet aan de gecompliceerde persoonlijkheid van Nederlands grootste theoloog uit de twintigste eeuw. Nog één klein kritiekpuntje. Theoloog in de branding? Deze Saks had meer met de bossen dan met de zee.