Oecumenisch denkplatform voor hartstochtelijke en maatschappelijk betrokken theologie. Ook op twitter en facebook

De “Nieuwe Boeken”-rubriek uit Ophef 2017/1

In het Ophefnummer 2017/1 worden door Wilken Veen de volgende boeken besproken:

 

Roel Pomp, Op de Uitkijk. Messiaans geloven, Gorinchem Narratio 2016, 140 pag., € 15,00. ISBN 978 90 5263 9437.

 

Hij is al een heel stuk in de tachtig en is met recht een van de veteranen van onze vereniging en van haar voorganger C.v.S (en natuurlijk ook van de Christelijke Vredesconferentie). Een vorig boek van Roel Pomp (ik dacht ‘het vorige boek’ maar dat durf ik niet goed te schrijven, want misschien heb ik er één of meer gemist) Langs de rand van de kerk is uit 1980 en bevatte artikelen over zijn ervaringen in het industriepastoraat en de Kritische Gemeente IJmond. Een revolutionair boek over de noodzaak van solidariteit, waarin begrippen als ‘klassenstrijd’ bepaald niet werden gemeden. Er is veel gebeurd in de meer dan vijfendertig jaar sindsdien en Roel Pomp schrijft niet meer zoals hij dat toen deed. Natuurlijk niet, want de wereld is anders geworden en de taal van toen zou niet meer overkomen. Hij staat op de uitkijk (het omslag biedt een foto van een uitkijkpost zonder bronvermelding, ik vermoed ergens op de Veluwe); als Mozes kijkt hij “naar het land van belofte”. Mozes zou er niet binnentrekken en Roel zal ook wel zijn twijfels hebben, maar hij trekt wel op er naar toe! Dat is geloven, messiaans geloven! Een boek geïnspireerd door Kleijs Kroon is het geworden en je begrijpt dat dit voor mij als derde en voor nu laatste opvolger van Kleijs Kroon als predikant van Tenach en Evangelie ontroerend is. Hij vond zijn aantekeningen terug van de bijbelcursussen die Kroon (ik veronderstel in de jaren zeventig) hield voor de arbeiders van de Hoogovens, waar Roel Pomp toen als industriepastor werkte. Roel besloot niet die oude aantekeningen uit te geven, maar ze als basis te gebruiken voor zijn eigen verhalen. Zo werkt traditie, je leert van je voorgangers en geeft het door in je eigen woorden voor mensen in een latere tijd. Kleijs Kroon over de Hebreeën en we weten bij benadering wat hij daarover heeft gezegd, want Bert ter Schegget heeft Kroons preken over Hebreeën 11 en 12 in 1996 bewerkt en uitgegeven. Het eerste hoofdstuk in dat boek heet “Wat is geloof” en in dat hoofdstuk legt hij uit dat ‘geloof’ eigenlijk meer een werkwoord dan een zelfstandig naamwoord is. Roel Pomp heeft goed geluisterd. De ondertitel van zijn boek luidt niet ‘messiaans geloof’ maar ‘messiaans geloven’. “Geloof in bijbelse zin is alleen maar: geloof! Er zijn geen soorten van geloof , christelijk of joods of islamitisch geloof. Je gelooft of je gelooft niet, je hoopt of je laat het zitten.” Messiaanse volharding heette het boek van Kroon en inderdaad die ene manier van geloven (dat je er fiducie in hebt en dat niet opgeeft) dat is messiaans. Nu Roel Pomp al aanmerkelijk ouder is dan Kleijs ooit geworden is mogen we hem eren als iemand die net als Kleijs volhard heeft in dat geloof. De hoofdstukken in zijn eerste boek werden afgesloten met een gedicht. Nu zijn alle hoofdstukken bijna een gedicht geworden. Ook de ‘proza-gedeelten’ zijn poëtisch, meditatief. Wat is geloof? Je kunt die vraag eigenlijk niet beantwoorden, je kunt alleen maar, net als de schrijver van de Hebreeënbrief, vertellen wat geloof doet en dat doe je door de verhalen te vertellen van die gelovigen: Abel, Henoch…, dat doe je steeds opnieuw en met nieuwe woorden, zodat ook mensen het kunnen volgen, die niet met die verhalen groot zijn geworden. Over veertig of vijftig jaar, zo droom ik, vindt iemand het boekje van Roel Pomp en besluit er een nieuw boek van te maken, geïnspireerd op de verhalen van Roel Pomp, maar in een heel andere, nieuwe taal, die wij nog moeten leren spellen. Zou het de taal zijn, waarvan Bonhoeffer in Widerstand und Ergebung (in zijn doopbrief voor de naar hem vernoemde Dietrich Bethge) schrijft: “Het zal een nieuwe taal zijn, volkomen areligieus misschien maar bevrijdend en verlossend als de taal van Jezus; de mensen zullen ontsteld zijn, maar zich gewonnen geven aan haar kracht; een taal van een nieuwe rechtvaardigheid en waarheid, een taal die vrede verkondigt tussen God en de mensen en de nabijheid van zijn Rijk.”?

 

Dieuwke Parlevliet, Het zeeparfum van oom Francois, Zierikzee, Stichting Zeeuws Blauw 2016, 219 pag. € 17,50. ISBN 978 90 8248 9200.

 

Met theologie heeft dit boek schijnbaar weinig van doen, behalve dan dat het door een theologe is geschreven en misschien dat goede verhalen, verhalen waarin gevoelens en gedachten op een overtuigende en beeldende wijze worden beschreven, altijd iets theologisch hebben, omdat het leven zelf tot onderwerp wordt gemaakt. U vermoedde het al aan de titel: het is een kinderboek, bekroond als het beste jeugdboek met de Zeeuwse boekenprijs 2016. Ik had de schrijfster beloofd, dat ik het zou voorlezen aan mijn oudste kleinzoons, maar dat kwam er niet meer van (de oudste is tien en wil met opa scrabbelen en schaken), dus die moeten het maar zelf een keer lezen. Misschien is het ook meer een ‘zelfleesboek’ dan een ‘voorleesboek’. Het is namelijk een spannend boek en de hoofdpersoon, Rafy (oom Francois is eigenlijk zijn oudoom) is met recht een speurneus. Hij gaat op zijn neus af, want hij heeft een goede neus voor geuren. Hij is, om zijn oudoom te helpen, op zoek naar de ontbrekende geur voor het zeeparfum. Die neus heeft hij ‘geërfd’ van oom Francois, die rijk is geworden met het samenstellen van parfums, omdat hij ook zo’n ‘goede neus’ had. Het verhaal is voor de kinderen, die het boek moeten lezen, de plot zal ik niet verklappen. Ik houd het op de ‘theologie’ van het boek. Een mens moet een doel hebben in het leven en daarbij kan hij de lat nauwelijks te hoog leggen. We zoeken naar de perfecte geur, de geur die de vreugde van het aardse leven in al zijn facetten tot uitdrukking kan brengen. Gemeenheid en onbegrip willen ons daarvan afhouden, maar uiteindelijk vinden we haar en, om met Deuteronomium te spreken, het is niet te hoog en niet te diep, het is vlak onder onze voeten, maar je moet er wel een neus voor hebben! Dat het een multicultureel boek wil zijn en dat Rafy dus speelt en zoekt met mensen die de meest exotische namen dragen en even exotische vruchten en geuren ontdekt, is prachtig, maar maakt het misschien ook wel net een beetje moeilijker voor kinderen, die proberen het zelf te lezen. Hoe lang moet je kunnen lezen om in één keer het woord ‘bergamotappeltjes’ te begrijpen.

 

Joke van der Velden, Veertigdagenkalender 2017: onder de pannen, Gorinchem Narratio 2017, € 3,50. ISBN 978 90 5263 966 6.

 

Joke van der Velden, één van mijn favoriete ex-collega’s uit Amsterdam maakt ze al jaren: Veertigdagenkalenders. Ik besprak ze nog niet eerder, maar nu het me expliciet door onze uitgeefster werd gevraagd, voldoe ik graag aan dit verzoek. Het thema is ‘onder de pannen’ en het gaat dus over onderdak, dakloosheid, geborgenheid, huis. De zondagen hebben steeds twee pagina’s, de overige dagen elk één. Soms wordt een bijbelgedeelte uitgelegd, heel vaak een verhaaltje verteld of een lied of een gedicht afgedrukt. Er staan een paar recepten in, een gebed, een spelletje en een doe-ding. Achter in de kalender staat een verantwoording, maar bij bijna de helft van de teksten ontbreekt die, ik neem aan dat we het in dat geval met teksten van Joke te maken hebben. Daarbij hoort ook het verhaaltje van twee maart, dat wat mij betreft een van de mooiste is: een vader scheurt voor zijn kind, dat hem wil helpen de wereld te verbeteren een wereldkaart uit een tijdschrift in stukken. Hij veronderstelt dat ze daarmee wel even zoet zal zijn, maar het kind is in no time terug met een perfect in elkaar geplakte kaart. Op de achterkant van de kaart stond een foto en toen de kaart te moeilijk was heeft ze hem omgedraaid en eerst de afbeelding van de mens op de foto in elkaar geplakt, omgedraaid klopte de kaart toen ook: Moraal van het verhaal: herstel eerst de mens, dan komt het met de wereld ook wel goed. Iedere dag iets om over na te denken. De kinderverhalen op de zaterdagen zijn van Jantine Heuvelink, Jokes opvolgster in de Amsterdamse Oranjekerk, ze heeft er vast niets op tegen als je ze gebruikt voor de (klein)kinderen thuis of in een kinderpreek op de zondagmorgen. Als u dit leest, is het al bijna Pasen, maar… een goede kans, dat Joke volgend jaar weer een kalender maakt.

 

Henk Manschot, Blijf de aarde trouw. Pleidooi voor een nietzscheaanse terrasofie, Vantilt Nijmegen 2016, 206 pag., € 19,95. ISBN 978 94 6004 2904.

 

Henk Manschot, in de tijd dat ik in Utrecht studeerde docent filosofie en ethiek aan de KTHU en inmiddels emeritus-hoogleraar filosofie van de Utrechtse universiteit voor humanistiek, heeft een boek over ecologie geschreven. Henk is filosoof en gespecialiseerd in de geschiedenis van de filosofie, dus toen hij dat plan had opgevat, onderzocht hij eerst, welke filosofen zich met ecologie hadden bezig gehouden en hij kwam uit bij Nietzsche, die ooit de universiteit vaarwel zei om de natuur in te trekken en daar verder te denken over en te schrijven aan zijn filosofie. Henk was al met pensioen en had dus de mogelijkheid om Nietzsche achterna te reizen en dat deed hij ook, met de belangrijkste boeken van Nietzsche in zijn bagage trok hij de Alpen in en bezocht de plaatsen, die meer dan een eeuw eerder door Nietzsche waren bezocht. “De aarde is ziek en die ziekte heet de mens” schreef Nietzsche en Manschot zegt het hem na. In (vrijwel) alle filosofie staat de mens centraal, maar het zou beter zijn een filosofie te schrijven, waarin de aarde centraal staat, een ecologische filosofie, die uit is op het behoud van de aarde (en daarmee indirect natuurlijk ook het behoud van de mens op de aarde). Het belangrijkste boek, waarin Nietzsche zijn opvattingen over de aarde en de natuur heeft vastgelegd is: Also sprach Zarathustra. Henk leest dit als een mystiek boek, dat gebaseerd is op ervaring en waarin hij veel van zijn eigen (franciscaanse) spiritualiteit herkent. Het is in de regel gebruik om de door Nietzsche geijkte term ‘Übermensch’ onvertaald te laten en ieder denkt dan onmiddellijk aan de nazi’s, die over ‘Über- en Untermenschen’ spraken en daarmee de term van Nietzsche misbruikt en voorgoed bedorven hebben. Om daaraan te ontkomen vertaalt Manschot met ‘bovenmens’ en zet het daarmee terug in de nietzscheaanse denkwijze, waarin de bovenmens degene is, die geen genoegen neemt met de vanzelfsprekende gang der dingen, maar op zoek gaat naar zin, naar het hogere en zodoende het contact met zijn natuurlijke zijn herstelt. Het boek start overigens met een prachtige tweet van Obama, die ik nog niet eerder had gelezen en graag met jullie deel: “Wij zij de eerste generatie die de effecten voelt van de klimaatverandering en de laatste generatie die er iets aan kan doen”. Als jullie deze Ophef in handen krijgen is 15 maart voorbij, dat is in zekere zin jammer, want het zou zinnig zijn de overwegingen van Manschot mee te nemen in het stemhokje, maar ze zijn ook daarna nog minstens even actueel.

 

Michael Beintker / Georg Plasger, / Michael Trowitzsch ed., Karl Barth als Lehrer der Versöhnung (1950-1968), Theologischer Verlag Zürich 2016, 566 pag., € 75. ISBN 978 3 290 17833 8.

 

Zoals ik eerder schreef bij de verschijning van het vorige deel over Barth in de jaren 1935-1950: Of ooit de grote, alles omvattende biografie van Karl Barth zal verschijnen is de vraag, maar het werk dat de uitgevers van deze reeks tot stand hebben gebracht is een waardige vervanging. Christian Link, die de vorige twee delen samen met Beintker en Trowitsch uitgaf is – hij was veruit de oudste van het trio – nu teruggetreden en opgevolgd door Georg Plasger, de mede-uitgever van het Zeitschrift für dialektische Theologie. De driedelige serie is nu compleet en de formule is simpel: met Barth verwante theologen uit de hele wereld worden gevraagd om een bijdrage te schrijven over een thema uit een bepaalde periode van Barths theologische existentie. Deze bijdragen worden gepresenteerd op een internationale conferentie en vervolgens in boekvorm uitgegeven. De organisatoren (ik zal het niet hebben over Duitse ‘Pünktlichkeit’) houden kennelijk van orde en regelmaat. De bijdragen voor het eerste deel (Karl Barth in Deutschland 1921-1935) werden gepresenteerd op 1 tot 4 mei 2003, die voor het tweede deel (Karl Barth im europäischen Zeitgeschehen 1935-1950) op 1 tot 4 mei 2008 en die voor dit deel op 1 tot 4 mei 2013. Alle conferenties werden gehouden in de Johannes a Lasco Bibliothek in Emden. En zo zat er ook vanaf het begin een Nederlands tintje aan, want in Emden werd in 1571 de Nederduits Gereformeerde Synode gehouden, die wel beschouwd zou kunnen worden als de oprichtingssynode van onze vaderlandse kerk. Vanaf het begin hebben er ook Nederlandse theologen geparticipeerd. Een groot deel van de scribenten behoort ook tot de regelmatige deelnemers aan de Nederlands-Duitse Barth-Tagungen, die ook dit jaar weer in De Glind bij Barneveld zal worden gehouden. Op de vorige Barth-Tagung zou Magdalene Frettlöh spreken, maar zij was op het laatste moment door ziekte verhinderd. Hoe jammer dat eigenlijk was, begrijp ik nu uit de degelijke maar ook buitengewoon geestige (en langste) bijdrage, die zij voor deze bundel schreef. Laat de titel van die voordracht even op u inwerken: “Von weisheitlicher Theanthropologie und vergnügten TheologInnen – oder: der Heilige Geist als Tanzlehrer. En dan de zakelijke inhoud als ondertitel: “Notizen zu Karl Barths > Einführung in der evangelische Theologie<”.

Misschien kan ik de kern van deze bijdrage duidelijk maken door de titel uit te leggen. Het woord ‘weisheitlich’ staat niet in Duden, ik begrijp het als verwant aan de Bijbelse wijsheidsliteratuur (in het Duits ook wel aangeduid als ‘weisheitliche Literatur’). ‘Theanthropologie’, het door Barth voor het eerst in zijn Einführung gebruikte begrip, werd in 1971 door Bert ter Schegget  uitgelegd in het hoofdstuk “Kritiek der god-menskunde” in Partijgangers der armen. Het is (als theologie) spreken over God, maar nader gepreciseerd: spreken over die God, die niet zonder mens wil zijn (hebben we ook hier nog een stukje Breukelman).  En het gaat over de mensen voor wie deze ‘wijsheid-achtige god-menskunde’ bedoeld is: ‘vergnügte TheologInnen’ theologen (m/v) die in die zin genoegen scheppen in de theologie en genoeg hebben aan de theologie, dat ze deze theologie niet laten domineren of beteugelen door wetenschappelijke criteria van buiten de theologie. Zo laten ze zich door de Heilige Geest de eerste pasjes leren van de dans die theologie heet. Tegelijk wil Magdalene Frettlöh ook duidelijk maken, dat ze speels en dansend om wil gaan met Barth als leraar en met zijn theologie. Het is, zo zegt ze, altijd ‘Kampf und Tanz’. Je speelt ermee, je leeft erin, maar je moet het soms ook tegenspreken. Mij lijkt dat iedere vrouw die Barth leest dit in meerdere of mindere mate zal herkennen. En omdat dit zo is, zou het ook voor mannen moeten gelden. Omdat je dit soort bundels in het korte bestek van deze rubriek nu eenmaal nooit helemaal recht kunt doen, koos ik ook nu één voordracht. Daarmee is niets ten nadele van de andere bijdragen gezegd. In het bijzonder die van Rinse Reeling Brouwer over Barths politieke opstelling ten tijde van de koude oorlog is zeker voor alle (voormalige) christenen voor het socialisme zeer de moeite waard.

 

Eginhard Meijering, Karl Barth: Geloven in de levende God. Deel I: De drie-enige God, uitgave in eigen beheer, z.p. 2016, 248 pag. € 17. ISBN 978 94 92475 87 9.

 

Nadat eerder door hem de 17e paragraaf  van de KD (Religie is ongeloof) werd vertaald en ingeleid, heeft Meijering dat nu gedaan met de paragrafen 8 tot en met 12 over de drie-eenheid van God. Dat eerdere boek werd heel mooi gebonden, met omslag en leeslint, uitgegeven, dit tweede boek werd in eigen beheer uitgegeven (wie zelf plannen heeft, kijke eens rond op de website van Pumbo.nl, die het boek voor Meijering drukte), simpeler (maar evengoed keurig) en een stuk goedkoper. Naast een vertaling van de genoemde paragrafen, waarbij de paginering van het origineel wordt aangegeven, zodat je altijd even snel kunt kijken, wat er nu precies in het Duits stond, geeft Meijering z’n eigen visie in inleiding, voetnoten en een korte slotbeschouwing, waarin hij duidelijk maakt, dat je geen Barthiaan hoeft te zijn, om het werk van Barth met grote bewondering te lezen. En dat moet natuurlijk ook wel als je de tijd neemt om een zo gecompliceerde tekst zo zorgvuldig te analyseren en te vertalen als Meijering gedaan heeft. De titel op het omslag is wat verwarrend. Het tweede hoofdstuk van de KD heet: ‘Die Offenbarung Gottes’ en daarvan is de ‘erster Abschnitt’: Der dreieinige Gott. In plaats van ‘De openbaring Gods’ heet de vertaling van Meijering: ‘Geloven in de levende God’ terwijl de ondertitel: ‘Deel I: de drie-enige God’ weer een keurige vertaling is. Het is dan ook heel erg de vraag, wat we in de (eventuele) volgende delen mogen verwachten, willekeurige andere KD-fragmenten of de volgende paragrafen (13-16) uit KD II/2. Gegeven het feit, dat ook theologiestudenten tegenwoordig niet meer noodzakelijkerwijs Duits in hun pakket hadden, is dit een welkome uitgave. Doordat Meijering in zijn vertaling bijna altijd de zinsconstructie van Barth intact laat, blijf je – ook als je zijn vertaling leest – het gevoel houden dat je Barth leest. En als je houdt van Barth lezen, is dat buitengewoon prettig.

 

Omwille van de ruimte en ook, omdat ik het een beetje gênant vind om boeken aan te bevelen, waar ik zelf in geschreven heb, noem ik nog twee recent verschenen boeken zonder die te bespreken:

Michael Basse / Gerard den Hertog ed., Dietrich Bonhoeffer und Hans Joachim Iwand – Kritische Theologen im Dienst der Kirche, Vandenhoeck & Ruprecht, Göttingen 2017, 364 pag., € 90,00 (sic), ISBN 978 3 525 56452 3.

Arnold Huijgen / Eric Peels / Cees-Jan Smits ed., Schuld en vrijheid. Opstellen aangeboden aan Prof. dr. G.C. den Hertog, Boekencentrum Zoetermeer, 2017, 352 pag. € 29,90. ISBN 978 90 239 7134 4.