Oecumenisch denkplatform voor hartstochtelijke en maatschappelijk betrokken theologie. Ook op twitter en facebook

“Een vluchtelingenkind” – Een Kerstoverweging van Wilken Veen.

 

“Een vluchtelingenkind”

Kerstoverweging naar aanleiding van een boekje van Gollwitzer en Lapide uit 1981

 

Wilken Veen

 

Op de Kirchentag in Hannover in 1981 hielden Helmut Gollwitzer (1908-1993) en Pinchas Lapide (1922-1997) een dialoog over het geboorteverhaal uit Lucas 2. De gedachten daarover, ook waarvoor geen ruimte was om ze op de Kirchentag allemaal uit te spreken, werden gepubliceerd in een dun boekje, dat in 1981 verscheen in het Kaiser-Verlag te München en drie jaar later in vertaling bij Ten Have in Baarn. Omdat we een themanummer maken over vluchtelingen en omdat dit themanummer met kerst verschijnt, heb ik het weer boven gehaald.

En het eerste dat dan opvalt is de totaal andere tijd. Ik weet het, zo lang is het nog niet geleden, ik heb het heel bewust meegemaakt, maar de volstrekte vanzelfsprekendheid waarmee Gollwitzer en Lapide ondanks hun verdere meningsverschillen over de uitleg van het verhaal spreken over de politieke strekking ervan, doet inmiddels bijna vreemd aan, maar is ook balsem voor de linkse ziel.

 

Verrassend is de titel van het boekje: “een vluchtelingenkind”. Als wij over Jezus als vluchteling spreken, dan denken we in de regel aan de (in de kunst zo vaak afgebeelde) vlucht naar Egypte, maar die is in Lucas 2 natuurlijk helemaal niet aan de orde. Pinchas Lapide legt het zo uit: Het is natuurlijk wel heel raar, dat Augustus mensen weg zou laten trekken uit hun woonplaats om zich in te laten schrijven. Hij vermoedt – en Gollwitzer is het daarmee eens – dat die inschrijving plaats zou moeten vinden met het oog op de door de Romeinen op te leggen belasting (schatting). Dan ging het er natuurlijk om vast te stellen wat iemands bezittingen waren. Dat Jozef weg zou trekken uit zijn woonplaats Nazareth in Galilea, zou dus niet zijn om zich in te laten schrijven in het belastingregister van de Romeinen maar juist om zich aan die inschrijving te onttrekken. En zo is Jozef met Maria op de vlucht en is hun kind een vluchtelingenkind. Bij die vlucht zou ook de – in Jeruzalem nog steeds te bewonderen – geboortegrot horen. Ze willen niet gezien worden! Of het waar is? Het lijkt mij – mede omdat de verhalen van Lucas en Mattheus afwijken en er ook nog andere niet canonieke versies zijn – niet erg relevant. Dat het verhaal bijbels moet kloppen lijkt belangrijker dan of het historisch klopt. En: ook als het niet waar is, is het een mooi verhaal! Sterker argument om te beweren, dat Jozef niet gehoorzaam voldoet aan het Romeinse bevel, maar zich daar juist tegen verzet, is de vermelding van de namen van Jezus broers: Jakobus, Jozef, Juda en Simon, allemaal namen die in verband gebracht kunnen worden met Makkabese opstandelingen. En – zo stelt Lapide vast – van de eenenzestig bekend opstanden tegen de Romeinen, begonnen er zestig in Galilea! En zo wordt het geboorteverhaal een rebels verhaal.

 

Waarom dit verhaal dan toch uiteindelijk heel anders opgeschreven is? Volgens Lapide was Lukas een niet-jood, die zijn verhaal (dat zoals we weten aan het eind van Handelingen in Rome eindigt) uiteindelijk heeft bijgeschaafd om duidelijk te maken dat volgelingen van Jezus (die er in Rome al waren toen Lucas zijn verhaal op schrift stelde) gehoorzame Romeinse burgers waren. Drie begrippen die in de christelijke traditie onlosmakelijk bij het geboorteverhaal zijn gaan horen, maagdelijke geboorte, zoonschap van God en incarnatie, worden door Lapide heel beslist afgewezen. Deze begrippen hebben volgens hem geen bijbelse, Hebreeuwse achtergrond en zijn dus vermoedelijk overgenomen uit heidense mythen, waarin deze zaken wel aan de orde zijn. Dat neemt niet weg, dat hij met de terminologie weinig moeite heeft. Dat Jezus een zoon van God wordt genoemd… geldt dat niet van ons allen. Hij drukt het sterk uit: “de bijbelse ‘zoon van God’ is evenmin de lichamelijke nakomeling van de Schepper van de wereld als ben-jamin letterlijk een zoon van de rechterhand is! De incarnatie is volgens Lapide de rubicon die geen enkele Jood over kan steken, maar “de voorstelling van een God, die in een zichzelf opofferende toewijding meelijdt met zijn volk, zijn tegenspoed deelt, en om het smartelijk lot van zijn volk tranen vergiet, is een dikwijls terugkerend motief in de rabbijnse ‘theopathie’. Het is de ervaring van een paradoxale God, die groot genoeg is om zich klein te maken; vrij genoeg om zich te binden; almachtig ook in zijn zichzelf opgelegde onmacht.”

 

Daar kan ik alleen maar ‘amen’ op zeggen. En tot mijn verrassing is het dan niet Gollwitzer, maar Lapide die Bonhoeffer citeert: “Wat betekent het wanneer de proletariër in zijn wereld van wantrouwen zegt: Jezus was een goed mens? … De proletariër zegt niet: Jezus is God. Maar met het woord van de goede mens Jezus zegt hij in ieder geval meer, dan wanneer de burger zegt: Jezus is God! (Christologie-college in het zomersemester van 1933, DBW 12, 287). En dan citeert hij zijn vriend en gespreksgenoot Helmut Gollwitzer (“Das Judentum  als Problem der christlichen Theologie” in Treue zur Tora): “Bij de leer van de incarnatie gaat het niet om een vergoddelijking van de creatuur, maar om de lofzang op de god van het  Verbond, die voor dit Verbond instaat tot de laatste consequentie. Het gaat niet om fysieke afstamming.. ook niet om de fysieke identiteit van God en mens.. maar wel om die historische, dynamische en geheimzinnige identificatie. De God van het Verbond is solidair met zijn  door het doodsgericht bedreigde volk, zo solidair. Dat Hij zich geheel met dat volk identificeert.”

En dan concludeert Lapide: “Maagdelijke geboorte, zoonschap van God en menswording zijn in de grond van de zaak slechts secundaire effecten van de oorspronkelijke twistvraag omtrent de identiteit van Jezus, die ooit joden van joden-christenen en vervolgens kerk en jodendom van elkaar heeft gescheiden en die beide tot vandaag toe van elkaar vervreemdt.”

 

\Wie dat zegt, zoekt naar ontmoeting naar uitwisseling, naar gezamenlijke doelstellingen.

Leeft dat nog? Of hebben we ons neergelegd bij “twee wijzen van geloven” en blijven we steken in wederzijds respect zonder werkelijke ontmoeting, zonder een stevige dialoog?

Ik denk dat als ik dit jaar weer dapper meezing met “O Heer Jesu, God en mense” en “God uit God van eeuwigheid, die een mens wordt in de tijd”, ik dan toch stiekem even denk aan Lapide en Gollwitzer, die daar een heel groot en een wat kleiner vraagtekentje bij hebben gezet. Maar kritische gedachtes rond kerst – ik weet het – zijn not done, slecht voor de sfeer. Ik waag het erop en wens alle lezers een strijdbare kerst en een zalig nieuwjaar.