Oecumenisch denkplatform voor hartstochtelijke en maatschappelijk betrokken theologie. Ook op twitter en facebook

Ik bid, dus ik ben…

Ik wist dat het eraan zat te komen en ik keek er naar uit: het boek van mijn vroegere Groningse docent Bert Hoedemaker, oud-hoogleraar missiologie en oecumenica. Het zou een pleidooi tegen de vergeetachtigheid worden, had hij mij verteld, dus een pleidooi voor de christelijke traditie (zoals de ondertitel van zijn boek bleek te luiden). Bij de presentatie van het boek klonk uitbundige lof. Dat vergrootte mijn leesgierigheid. Ik kende Bert ook als een kundig docent, die de vakbekwaamheid heeft om voor mij nieuwe verbanden te leggen – dat heb ik gemerkt tot op het tentamen dat ik bij hem deed (over de Latijns-Amerikaanse bevrijdingstheologie). Zou dit boek zijn faam waarmaken?

Mijn antwoord luidt volmondig ja. Het is een letterlijk meeslepend boek geworden, een betoog in zorgvuldige en bedachtzame taal geschreven, spiritueel getoonzet. Hoedemaker verstaat de kunst de lezer mee te nemen in zijn denkproces – zozeer zelfs dat ik soms wel eens dacht: welke bocht heb ik nu genomen, en wil ik dat wel? Waar word ik ingetrokken? Daarover later meer, nu eerst iets over de inhoud van het boek.

Traditie en verbeelding

De schrijver noemt zijn boek in het nawoord een “schets van het christelijk geloof als levende traditie” (pag. 211). Tegen een vernauwde rationele blikrichting in pleit hij voor de verbeelding, als een menselijk huis om in te wonen, om een doorlopend levensverhaal te vertellen aan zichzelf en aan anderen. Zonder verbeelding kan de mens de wereld niet begrijpen. Wetenschap en verbeelding zijn verwant aan elkaar: “De rede ordent en loutert de verbeelding, maar de verbeelding voedt de rede.” (24)

De verbeelding houdt de traditie beweeglijk. Verbeelding schept verleden door het gedenken, maar ‘wat herdacht wordt, wordt ook verwacht’ (47). Hier hebben religieuze tradities een functie: ze funderen en verbinden mensen, door hen in een groter geheel te zetten, en halen hen zo ook uit een beperkte gerichtheid op zichzelf: horizon is een gemeenschap die alle mensen omvat (52). Hoedemaker neemt hiermee stelling tegen de heersende ideologie van de autonome mens: wij zijn op elkaar aangewezen in onze kwetsbaarheid en tekorten, leven van een ons geschonken vrijheid en hebben liefde, aanvaarding en verzoening nodig (213).

Gebed als zoekende relatie

Bij traditie en verbeelding voegt zich het gebed, dat voortkomt uit de wisselwerking tussen het zelfgesprek van ieder mens (met vragen als ‘wie ben ik?’) en de verbeelding die een religieuze traditie aanreikt (65). Dat is een doorgaand gebeuren, een ‘gebed zonder eind’, zoals de schrijver dit snedig noemt; dat gebed is zozeer fundamenteel voor het gelovige leven, dat het de titel van het boek is gaan vormen.

Dit gebed neemt niet klakkeloos de werkelijkheid van een goddelijk oor aan, maar verbeeldt zich die als een waagstuk. Zo wordt een mens ontvankelijk voor de mogelijkheid van God, in het oefenen van luisteren, zich toevertrouwen; zo krijgt ‘God’ (let op de aanhalingstekens!) “de contouren van een gesprekspartner” (72). In dit gebed houdt de mens de laatste vragen rond ik, God en wereld uit (73).

Heel bewust is Hoedemaker zuinig met het begrip openbaring. Traditie is geen extern gegeven; het verschijnt de mens wel als voorgegeven, maar het is ook zelf product van gebed (78). Mensen hoeven zich daaraan niet te onderwerpen, maar gaan een relatie aan met de traditie waardoor zij gevormd zijn (59). Zij worden uitgedaagd om zich als geheel postmoderne mensen opnieuw in relatie tot hun traditie uit te vinden (62). Zo is het boek ook een pleidooi voor het samengaan van liberaal (‘vrijzinnig’ ) en orthodox denken, die elkaar moeten behoeden voor de eigen valkuilen van respectievelijk een vrijblijvende humanistische spiritualiteit en een quasiwetenschappelijk waarheidsbegrip (212).

God neemt gestalte aan

Na de dood van God in onze moderne westerse cultuur is alle vanzelfsprekendheid van (het spreken van en over) God verdwenen. Hoedemaker betoogt dat God niet ‘bestaat’, maar ‘gestalte aanneemt’. Dat gebeurt in het proces van verbeelding, gebed en traditie-overdracht.

Maar welke gestalte krijgt deze God? Niet die van het traditionele almachtige opperwezen, maar van een God die oplicht in het gebed zonder eind waarin de mens reikt naar verzoening (111). Hoedemaker komt tot dit inzicht als resultante van een spirituele reis waarvan hij verslag doet in het hoofdstuk ‘ík’ dat de brug vormt tussen ‘gebed’ en ‘God’. Die ‘ik’ is geen autonoom individu, maar altijd mens in relatie, wordt gevormd en begrensd door anderen. In dat leven-met-anderen ontstaat schuld; die schuld wordt als zodanig ervaren als de mens de eigen verantwoordelijkheid hiervoor onder ogen ziet. Het gebed zonder eind is een permanente oefenplaats om verder te komen, om voorbij aan schuld verzoening te zien oplichten. In het hier en nu gebeurt dat spaarzaam en bedreigd, maar er is een perspectief op meer, de horizon van een wereld zonder ongelijkheid en geweld. De schrijver tekent hier op subtiele en spirituele wijze zijn zoektocht naar het in kaart brengen van het ontkiemen van het zaadje van het geloof in God.

Verwarring

Hierna volgen in het laatste deel hoofdstukken over specifiek christelijke thema’s: gedenken, verwachten en verblijven (over de kerk). Maar ik laat dat nu liggen. Want ik merk dat ik in de war raak door het eerdere betoog: ik word aangetrokken en afgestoten, verleid maar ook geprikkeld. Wat gebeurt er in mij als lezer?

Ik hoor woorden uit mijn/onze traditie, woorden als genade en geloof, die mensen willen weghalen uit hun existentiële eenzaamheid en verbinden met anderen, met een hele wereld; zo zet Hoedemaker deze woorden in. Ik word geraakt door de hoop erin, maar meteen ook in verwarring gebracht: wat betekenen die woorden, welke inhoud krijgen ze? Ik stuit in mezelf op een botsing van twee religieuze en theologische benaderingen: de mens die reikt naar het goddelijke en God, en de mens die getroffen en ontregeld wordt door God.

Het hoge woord moet er maar uit: ik mis de bijbelse theologie op de sleutelmomenten in deze verkenning van de weg van de mens. Ik mis het verhaal, de diepgang, de ontvouwing van de bijzondere bijbelse traditiestroom, die mij uitdaagt, mij vraagt om in te stappen, om de pijn op me te nemen van onbegrepen levensopdrachten. Hoe zou een mens anders het tegendraadse van basiselementen van het bijbels geloven als ‘de vreze des Heren’ en kruis-en-opstanding in eigen leven kunnen opnemen?

Ik weet dat Hoedemaker zich heel goed bewust is van de keuzes die hij hier maakt. En ik weet ook dat hij het andere, het eigene van de christelijke traditie volop recht wil doen, en dat vind ik ook terug in zijn boek. Maar ik zou ze zo graag willen integreren: de zoektocht op aarde en de trefkracht vanuit de hemel, dus toch stotterend vrijmoedig van openbaring spreken. Ik word geraakt en voel me begrepen door de poging om de weg van de gelovige mens uit te tekenen, door de tekening van de mens in de context van relaties en traditie. Maar toch kan ik niet volgen hoe ik langs deze weg mens van God kan worden, mens die in het levenslicht geroepen is door de God van wie de bijbel verhaalt.

‘Een wereld verloren in schuld’

Ik kijk er van op dat de schrijver middenin zijn betoog over ‘ik’ een “intermezzo” invoegt over “een wereld verloren in schuld” (96). Is die context alleen maar een intermezzo? Er klinken in deze paragraaf veelzeggende aanduidingen, bijv. over het kapitalisme als ‘cultus van de schuld’, die wereldwijd nationale economieën bepaalt. Maar reikt dit niet verder? Vervormt deze wereld niet al ons individuele religieuze beleven van schuld en verzoening? Ik mis aandacht voor de constituerende kracht van de bestaande ‘verkeerde wereld’, voor wat die wereld met mensen doet, hoe die hun verlangens bezet en misvormt, hoe die religie voortbrengt als geloof in een hemels hierna, hoe de gelovige traditie zich tot op vandaag verbonden heeft met de machten en zo de mensen gedisciplineerd heeft. Ik had verwacht iets meer hiervan tegen te komen in dit boek, omdat ik weet hoezeer de schrijver gevoed is door de wereldwijde samenspraken in de Wereldraad van Kerken, die ons westerse mensen de ogen geopend hebben voor het onrecht waarin wij betrokken zijn.

Ik zou hierbij ook niet spreken van post-moderniteit, maar liever van laat-moderniteit: die term geeft aan dat de moderniteit van de beperkte, vertechniseerde ratio nog steeds volop leidend is in onze wereldsamenleving, maar nu subtiel doorgedrongen in de haarvaten van mensen, via allerlei vormen van verleidelijke beeldvorming. Dat tast de vrijheid van heel onze verbeelding fundamenteel aan.

Tenslotte

Het vraagt inspanning om het boek te volgen in het doorlopende betoog. Maar die wordt zeker beloond. Ondanks mijn kritiek dat dit boek zich eenzijdig richt op de gelovende mens ben ik onder de indruk van de wijsheid en breedheid van het betoog. De verantwoording achterin geeft inzicht in de denk- en levensweg van de auteur, hoe die met elkaar verbonden waren. Want Hoedemaker is zich altijd bewust geweest van de contextualiteit van alle geloof en theologie.

Harry Pals

Bert Hoedemaker, Ik bid dus ik ben. Pleidooi voor de christelijke traditie Middelburg: Skandalon, 2018. 224 pag. € 22,50 ISBN 978-94-92183-73-6

Nieuws

BENT U AL LID VAN DE VTM?

Heeft u zich al eens afgevraagd waarom u dat nog niet bent? Want dat kan heel makkelijk via: secretariaatvtm@gmail.com

 

WAAROM HEEFT U NOG GEEN ABONNEMENT OP OPHEF?

Dat geeft uren leesplezier voor een relatief klein bedrag. En het kan namelijk heel makkelijk! Stuur een mail naar secretariaatvtm@gmail.com