Oecumenisch denkplatform voor hartstochtelijke en maatschappelijk betrokken theologie.

“Nietzsches zoektocht naar de aarde en naar een ‘aardse’ levensstijl” – Henk Manschot

 

Onder de titel “Nietzsches zoektocht naar de aarde en naar een ‘aardse’ levensstijl” wil Manschot ons vertellen hoe hij gaandeweg ontdekte dat Nietzsche werd gevoed door een intuïtie die je ongeveer als volgt zou kunnen omschrijven: wat de zin van ons leven is zullen we ontdekken als we onvoorwaardelijk op zoek gaan naar wat het betekent op aarde te leven, bewoner van de aarde te zijn; als we gaan uitvinden wat een ‘aardse’ , een ‘geaarde’ levensstijl zou kunnen inhouden.

Henk Manschot is emeritus hoogleraar filosofie van de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht.

Uit: Ophef 2017, 20e jrg., nr.2.

 

“Nietzsches zoektocht naar de aarde en naar een ‘aardse’ levensstijl”.

Een persoonlijke verkenning.

 

Hoe Nietzsche lezen?

Er zijn de laatste tijd verschillende goede biografieën over Nietzsche verschenen en Nietzsches ongewoon rijke maar complexe en vaak verrassende manier van filosoferen vormt de bron van een nog altijd voortgaande stroom van publicaties.1 Toch vind ik de meest stimulerende interpretaties van zijn werk niet in academische commentaren. Ik vind ze bij auteurs die niet óver hem schrijven maar mét hem in gesprek gaan, omdat ze geraakt en ontroerd zijn door zijn gedachten, of diep geschokt en verontwaardigd over de radicale standpunten die hij uitdraagt over fundamentele waarden in het leven. Miskotte is, bij mijn weten zo’n lezer geweest. Een lezer die als christen het aangedurfd heeft om Nietzsches bijtende sarcasmen over de christelijke moraal uit te houden en op zijn merites te wegen en vervolgens op zoek te gaan naar wat Nietzsche dreef in zijn kritiek: het verlangen om te leven, de ‘grote gezondheid naar lichaam en ziel’. Ook Bonhoeffer ging in gesprek met Nietzsche, gedreven door zijn streven naar een authentiek en krachtig christendom. Hij ging de confrontatie aan met diens opvattingen over heren – en slavenmoraal. Ikzelf heb geprobeerd om als humanist het gesprek met Nietzsche aan te gaan, een humanist die net als Nietzsche zelf diepgaand is gevormd door christelijke idealen maar – en daar verschil ik van hem – er veel positieve herinneringen en waarden aan heb overgehouden. Het was dan ook niet Nietzsches afschuw van het christendom en zijn analyses van de christelijke moraal die mij het meest hebben geraakt, maar zijn vraag: hoe het leven zin te geven als ‘God dood is’? Niet onbelangrijk is dat Nietzsche aan die inmiddels tot slogan geworden uitspraak toevoegt: ‘en wijzelf zijn het, jullie en ik, die hem hebben gedood’.2 Het bericht ‘dat God dood is’ markeert het begin van een nieuwe zoektocht. Nietzsche wil radicaal invulling gaan geven aan de vraag hoe een gelukkig leven zonder God eruit zou kunnen zien. In mijn gesprek met hem heb ik die vraag als uitgangspunt genomen. Het is een vraag waarmee veel mensen in onze tijd op een nieuwe manier geconfronteerd worden. Gaandeweg ontdekte ik dat Nietzsche werd gevoed door een intuïtie die je ongeveer als volgt zou kunnen omschrijven: wat de zin van ons leven is zullen we ontdekken als we onvoorwaardelijk op zoek gaan naar wat het betekent op aarde te leven, bewoner van de aarde te zijn; als we gaan uitvinden wat een ‘aardse’ , een ‘geaarde’ levensstijl zou kunnen inhouden. Voor die intuïtie, zocht Nietzsche zelf een antwoord langs drie lijnen. Ten eerste, hij ging zich bekeren tot een levenswijze die hem nauwer in contact zou brengen met de natuur. Ten tweede, hij wilde een filosofie ontwikkelen waarin niet de mens, boegbeeld van de moderne cultuur, centraal staat, maar de aarde, een filosofie die zich laat leiden door het motto: Blijf de aarde trouw. En, ten derde, hij ging zich steeds kritischer opstellen ten aanzien van de moderne cultuur die ‘de mens’ tot fundament van alle waarde-toekenning heeft gemaakt en dat principe heeft doorgetrokken naar alle domeinen van het leven. Nietzsches scepsis ten aanzien van de heersende cultuur ging gepaard met een intens verlangen om heel anders naar de aarde te kijken dan de moderne cultuur en het heersende christendom hem voorhielden. Als wij, moderne mensen, onszelf weer willen aarden, zo stelt hij, dan ligt het beslissende moment bij de kwestie hoe radicaal we de vraag naar de zin en betekenis van een geaard menselijk bestaan tot inzet durven maken van ons leven. Aan die vraag koppelt hij de toekomst van de mensheid. Deze inzet komt exemplarisch tot uiting in Aldus sprak Zarathustra, het boek dat Nietzsche als zijn hoofdwerk beschouwde. Aan de hand van mijn interpretatie van dat boek wil ik Nietzsches drievoudige opgave hieronder toelichten.

 

Dichter bij de natuur.3

Rond 1880 geeft Nietzsche zijn leven een radicale wending. Hij is dan 36 jaar, heeft zijn baan als hoogleraar klassieke talen in Bazel opgezegd en kiest voor een leven dat hem dagelijks in contact brengt met de natuur. Hij gaat op zoek naar een plek op aarde waar hij zich goed kan voelen en in staat om te denken en te schrijven. Zo’n plek vindt hij ’s zomers in de Zwitserse Alpen rond Sils Maria, ‘op zes duizend voet boven de zee’. Bijna elk jaar brengt hij er sindsdien een paar maanden door, in een klein pensionnetje dat pal tegen een bergwand aan ligt. In de wintermaanden zoekt hij het milde klimaat op van ‘het zuiden’, maar daar vindt hij niet een vaste plek waar hij kan aarden. Hij verblijft vooral in Genua, in Nice, in Venetië of in de omgeving daarvan. Die plekken hebben gemeen dat ze allemaal aan zee liggen. Het uitzicht op de zee en de bergen gaat dus het landschap vormen waarin Nietzsche de komende tien jaar zijn dagelijkse wandelingen gaat maken, vaak vijf tot zeven uur per dag. Onderweg noteert hij invallen over allerlei onderwerpen die ’s avonds of in de dagen daarna tot losse tekstjes worden omgewerkt.

 

Tijdens deze wandelingen heeft Nietzsche een bijzondere band opgebouwd met dieren. In bijna alle teksten, zeker die welke na 1880 geschreven zijn, komen wel een paar dieren voor. In zijn hele werk zijn er dat meer dan 120 en bovendien de meest verschillende. Je kunt ze in twee categorieën verdelen. Tot de eerste groep reken ik de dieren die Nietzsche op zijn wandelingen moet zijn tegengekomen en die zijn blik hebben gevangen. Veel vogels natuurlijk, zwaluwen, duiven, meeuwen, mussen, de adelaar vermoedelijk en, in zijn fantasie, de albatros die met de adelaar de meeste indruk op hem maakt. Dan de grote grazers en kuddedieren, de koeien en schapen, de paarden en de ezels. Verder de hond, de poes, de gans, de pauw, de slang, de kikker en een wirwar aan vlinders, vliegen en horzels, wormen en mieren. En nog veel meer. Daarnaast is er een groep van dieren die hij niet zelf gezien kan hebben, maar die wel zeer tot zijn verbeelding en zijn gemoed spreken, zoals de kameel en de leeuw, de tijger en de beer, de wolf en de lama, de neushoorn en de hyena, de krokodil en de ratelslang, en natuurlijk de aap. Vele van hen zullen een belangrijke rol gaan spelen in Nietzsches proces van ‘omkering’ tot een leven dichter bij de natuur.

 

Blijf de aarde trouw!

Nietzsches zoektocht naar een nieuwe filosofie van de aarde komt het duidelijkst tot uiting in Aldus sprak Zarathustra. Het boek is opgezet als een gedramatiseerde raamvertelling in vier delen. Zarathustra – Nietzsches alter ego – maakt er een radicale omkering door die doet denken aan de wending die Nietzsche zelf aan het voltrekken is. Zarathustra, zo staat er, verlaat de stad van de mensen waar de opvattingen over deugd en geluk ‘kleiner en kleiner aan het worden zijn’ en trekt de bergen in. ‘Mogen de dieren mij leiden’ (AsZ 26.)4 zo zegt hij aan het begin van deze onderneming. Het besef dat God dood is vormt, zoals gezegd, het startpunt van de zoektocht. Zarathustra wil uitvinden en doorléven wat de constatering dat God dood is voor betekenis heeft, een bericht overigens dat door ‘de stadsmensen’ nogal luidruchtig wordt weggelachen. Maar Zarathustra zelf neemt dat bericht uiterst serieus. Hoe het leven vorm te geven nu we dit weten? Is een gelukkig leven wel mogelijk als de horizon niet verder rijkt dan het aardse? Bij wie kunnen we daarover in de leer? Zouden de dieren ons daarover meer kunnen vertellen? In de eerste drie delen van het boek worden we stap voor stap betrokken bij een filosofisch en spiritueel avontuur dat zich door dergelijke vragen laat leiden. Elk deel bevat een aantal kwesties die Zarathustra bezighoudt.

 

We horen hoe hij zich los moet maken uit heersende opvattingen over geluk en deugd, over moraal en religie, hoe hij door fasen van cynisme en somberheid heen gaat en ook hoe hij soms overmand wordt door fysieke tegenslagen en emotionele twijfels. Dag en nacht zijn de dieren dan bij hem in de buurt. Ze begeleiden hem in zijn zoeken, leven mee met zijn angsten en vreugden, brengen hem voedsel in tijden van nood en zingen mee op momenten van vreugde. Als Zarathustra, worstelend met de geest van zwaarte, zich weer eens teruggetrokken heeft in zijn grot hoog boven in de bergen, om met zichzelf alleen te zijn, wordt hij na zeven dagen wakker

‘bedolven onder gele en rode bessen, rozenbottels, geurige kruiden en dennenappels. En aan zijn voeten liggen twee lammeren uitgestrekt die de adelaar met moeite ontroofd heeft aan hun herder. Eindelijk, na zeven dagen, richtte Zarathustra zich op van zijn leger, nam een rozebottel in zijn hand, rook eraan en vond haar geur heerlijk. Toen geloofden de dieren dat de tijd gekomen was om met hem te spreken’. (AsZ. 217)

 

Zo beantwoorden de dieren dus de leegte en uitzichtloosheid die het besef dat God dood is bij Zarathustra teweeg heeft gebracht. Zij beantwoorden dat met een overdaad aan heerlijkheden die de aarde kan bieden. En ze doen dat niet één keer maar telkens opnieuw als hij met menselijke, al te menselijke vragen worstelt. Met eenvoudige gebaren laten de dieren zien wat aards leven te bieden heeft. En telkens is hun boodschap: durf te ontdekken wat het betekent een bewoner van de aarde te zijn. De rol die de dieren vervullen is om Zarathustra te laten ontdekken wat aards geluk zou kunnen inhouden.

 

De aarde: onuitputtelijke bron van zin en betekenis

Op geleide van de dieren leert Zarathustra op de eerste plaats ervaren hoe leven gevend het is om buiten te zijn, te genieten van de schoonheid van het landschap, van de frisse lucht die hij inademt, van het zachte morgenrood, de hitte van de middagzon, de stille loomheid van de avondschemering. Hoe het wandelen in de bergen, het stijgen en dalen, de afwisseling van zon en regen zijn lijf vitaliseren. Opvallend is dat het ‘aarden’ zoveel positieve energie in hem losmaakt en hem op het spoor zet van een leven dat zich laat leiden door vragen over ‘gezondheid naar lichaam en ziel’, over vitaliteit en levenslust. Zijn ideeën over wat een gelukkig leven mag heten gaan daardoor ingrijpend veranderen. Zarathustra is vol bewondering voor de koeien die ‘het in de zon liggen’ hebben uitgevonden als een vanzelfsprekende activiteit van het leven. Van hen leert hij ook dat mensen veel meer aandacht zouden moeten besteden aan wat en hoe ze eten. Voedsel wordt een kernthema omdat het voedsel de meest substantiële en solide schakel blijkt tussen de levende wezens en hun plek op aarde. Wat wij eten wordt immers letterlijk ingelijfd. Het gaat deel worden van ons lijf. Regelmatig horen we Zarathustra nadenken over wat hij eet en hoe hij eet, en wat dit met hem doet. Ook het vasten wordt herontdekt en beoefend als een onmisbare activiteit in een ‘gelukkig leven naar lijf en ziel’.

 

Geleidelijk aan komt Zarathustra op het spoor van wat een geaarde levenswijze voor hem allemaal zou kunnen inhouden. Hij gaat invulling geven aan de taak die Nietzsche een paar jaar eerder voor zichzelf in deze woorden had opgetekend:

‘Mijn taak: de ontmenselijking van de natuur. En vervolgens het vernatuurlijken van de mens nadat hij zich het zuivere begrip “natuur” eigen heeft gemaakt’. (NF 3:11 [211])5

De ontmenselijking van de natuur houdt in: zich ontdoen van alle voorstellingen die de mensheid in de loop van de evolutie heeft gecreëerd over het leven op aarde. Dat betekent uiteraard dat Zarathustra zich wil losmaken uit de religieuze en met name modern-christelijke voorstellingen daarvan. Maar met nog meer hartstocht zet hij zich af tegen de zelfgenoegzame levensvisie die de moderne mensen die zeggen al lang te weten wat het betekent dat God dood is, hebben uitgedacht. Zarathustra heeft medelijden met het kleine geluk waarmee ‘de stadsmensen’ zich tevredenstellen en diepe verachting voor de grote graaiers en hun gebral over het ‘genieten’. Van al die visies wil hij zich ontdoen. Dit vergt naast een intellectuele omkeer vooral ook een loslaten van de behoeften en begeerten die erdoor gewekt en gevormd zijn. Het vergt een uitzuivering van het verlangen, van wat Zarathustra aanduidt als een zuivering van het ‘willen’ dat het menselijke leven voortdrijft.

 

Dit loslaten vervult hem dikwijls eerst met ervaringen van bodemloze leegte en intense eenzaamheid. Een grote stilte maakt zich dan van hem meester. In die verstilde ogenblikken groeit een intens verlangen om de aarde met nieuwe ogen en zuiverder oren tegemoet te treden. Tijdens de ontmoetingen die dan volgen openbaart de aarde zich als de Grote Zwijger die niet spreekt, niet kan spreken. Dit zwijgen is overweldigend, adembenemend. De majestueuze grootsheid en kracht die ervan uitgaat onthult dat de aarde zich in geen enkel ‘weten’ zal laten vatten en ook elke poging tot toe-eigening en beheersing zal ontregelen. Het is deze ervaring, deze intuïtie, die Zarathustra het diepst heeft geraakt. Zij is de echo van wat Nietzsche zelf meermalen was overkomen tijdens zijn wandelingen in de bergen of langs de kusten van de Middellandse zee.

‘Hier is de zee, hier kunnen we de stad vergeten. Nu zwijgt alles. De zee ligt er wit en glanzend bij. Ze kan niet spreken. De hemel speelt zijn eeuwige stomme avondspel met rode, gele, groene kleuren. Hij kan niet spreken. De kleine klippen en rotsen die in de zee uitlopen, als om een plek te vinden waar het het eenzaamst is, ze kunnen niet spreken. Deze ontzaglijke zwijgzaamheid die ons plots overvalt, is wonderschoon en indrukwekkend’. (Morgenrood, aforisme 423)

 

Het Grote Zwijgen van de aarde vervult Nietzsche en Zarathustra met ontzag en bewondering, met enthousiasme en bescheidenheid. Zij voelen zich opgenomen in het grootse spel van het leven zonder al te kunnen bevatten wat dit voor hen inhoudt, van hen vraagt. Naarmate zij deze zwijgzaamheid dieper in zich toelaten, zich onbevooroordeelder openstellen voor wat hen overkomt, in die mate ontdekken zij hoe nieuw en verrassend de aarde zich voor hen opent.

‘Duizend paden zijn er die nog nooit bewandeld zijn, duizend gezondheden en verborgen eilanden van het leven. Onuitgeput en onontdekt is nog altijd de mens en de mensenaarde.’(AsZ 80).

De transformatie die Nietzsche zijn Zarathoestra laat doormaken, laat zich samenvatten als een intellectueel, emotioneel en spiritueel proces waarin hij zich gaandeweg ontdoet van alle voorstellingen over geluk en ongeluk die de mensheid in de loop van de evolutie heeft bedacht, en van de regels en geboden, de beloften en visioenen waarin ze zijn uitgewerkt en aan de samenleving opgelegd. Een proces van losmaken dat telkens gevolgd wordt door een nieuwe en grotere fijngevoeligheid voor al wat leeft. In die stille momenten verzamelt Zarathustra ook de moed om telkens weer de leegte uit te houden die de overgangen begeleidt en wapent hij zich tegen de somberheid en de gevoelens van pessimisme en nihilisme die dan de kop op steken. De eerste drie delen van het drama dat Aldus sprak Zarathustra heet, verhaalt de wederwaardigheden waarmee dit proces van omkering en transformatie gepaard gaat.

 

‘Kom naar mijn grot en praat met mijn dieren over het geluk van dieren’. Zarathustra

Het vierde deel, door Nietzsche later toegevoegd, opent met een bijzondere scene. Maanden en jaren zijn voorbij gegaan. Zarathustra zit op een steen voor zijn grot hoog in de bergen en kijkt stil voor zich uit. Zijn haren zijn wit geworden. Zijn dieren lopen peinzend om hem heen. Verderop zien we de bergen. Daar dwalen een aantal wonderlijke figuren rond. Een man heeft op zijn kleed waarzegger gekalkt. Er loopt een tovenaar rondedansjes te maken en twee duidelijk verdwaalde koningen drijven een ezel voor zich uit. Ook de laatste paus loopt er rond. En nog verder ontwaart hij een vreselijk lelijke, volgevreten en afstotelijk uitgedoste stadsmens die met stinkende geurtjes iedereen op afstand houdt. Wat ze gemeen hebben is dat ze allemaal ‘zoekenden’ zijn en diep in hun hart ongelukkig. Daarom zijn ze de bergen, ‘het land van Zarathustra’ ingetrokken, maar ze dolen er rond zonder richting. Zarathoestra heeft sympathie voor hen, noemt hen ‘hogere mensen’ wegens hun moed om op zoek te gaan naar waarachtig geluk en loopt hen tegemoet. Met ieder van hen gaat hij het gesprek aan over hun vragen en hun angsten, hun twijfels en hun dromen. Na afloop nodigt hij ieder uit om naar boven te gaan, naar zijn grot. ‘En praat er met mijn dieren over het geluk van dieren’ voegt hij hen toe. Nadat ze allemaal naar boven zijn gewandeld, gaat hij ook zelf terug naar zijn grot en nodigt hen uit voor een Avondmaal. Tijdens die maaltijd vertelt hij over zijn eigen ‘bekering’. Hij duidt deze als ‘de gang naar de Übermensch(Bovenmens)’, naar de mens die de aarde in zijn waarde laat en zo zichzelf en het geluk op aarde heeft gevonden. Maar naarmate de maaltijd vordert moet hij constateren dat zijn disgenoten niet begrijpen waar hij over spreekt. Op het einde van de avond, als de ogen van zijn gasten beginnen dicht te vallen, sluipt Zarathustra naar buiten.

‘O zuivere geuren rond om mij’ riep hij uit. ‘O zalige stilte rondom mij. Maar waar zijn mijn dieren? Kom hier, kom hier mijn adelaar en mijn slang.’ De adelaar en de slang vlijden zich tegen hem aan toen hij deze woorden sprak, en keken naar hem op. In deze houding zaten ze gedrieën stil bijeen. En snoven en zogen de zuivere lucht op. Want de lucht hier was beter dan bij de hogere mensen’. (AsZ. 292)

Daarna vlogen de duiven af en aan, streken neer op zijn schouders, liefkoosden zijn witte haar en werden hun tederheid en jubelen niet moe. Ook de leeuw, dat sterkste symbool van kracht en wil in de natuur, vlijde zijn kop tegen Zarathustra’s knieën, wilde uit liefde hem niet loslaten en deed als een hond die zijn oude baas terugvindt. Hij likte Zarathustra’s vreugdetranen die neervielen op zijn handen.

Aldus deden deze dieren. Dit alles duurde een lange tijd, of een korte tijd: want strikt genomen is er voor zulke dingen op aarde geen tijd. (AsZ 322).

 

Toelichting

De ‘Übermensch’ (Bovenmens) markeert een beslissend keerpunt in Zarathustra’s boodschap. De term is besmet geraakt door de nationaalsocialistische duidingen daarvan in de eerste helft van de 20e eeuw. Vanwege deze geschiedenis is de term na de tweede wereldoorlog verbannen uit de filosofie.6 In mijn uitleg verwijst de Übermensch van Zarathustra naar een toekomst waarin mensen ernaar verlangen om radicaal vorm te geven aan het inzicht bewoner van de aarde te zijn. De Bovenmens is van de orde van het verlangen. Je kunt er geen voorstelling van maken, noch verwijst hij naar een ideaal dat wij nu al zouden kunnen invullen. Hij duidt een altijd wijkende horizon aan. De invulling verandert namelijk naarmate het verlangen zelf zich verder uitzuivert en mensen zich radicaler engageren in de richting van de Aarde. De Bovenmens appelleert aan een ambitie, is een oproep tot een nieuwe manier van leven en filosoferen, een ‘leit-bild’ dat het verlangen gidst en voedt.

 

Wie, zoals Zarathustra, op weg gaat naar de Bovenmens treedt onvermijdelijk stap voor stap buiten de cultuur waarvan hij deel uitmaakt. De eenzaamheid die dit met zich meebrengt wordt echter onmiddellijk gekoppeld aan de belofte dat je daarin niet alleen zult gaan. Het aantal ‘zoekenden’ zal groeien en daaruit zal een nieuw ‘uitverkoren volk’ ontstaan, het volk van ‘geaarde’ mensen. Door samen op weg te gaan, generaties lang – de transformatie naar de Bovenmens wordt geschetst als een jarenlang proces – zal de mensheid uiteindelijk zelf de incarnatie van de Bovenmens (uit-) vinden en de levensstijl scheppen die daarbij past, zo luidt de belofte. Om dit inzicht te vieren kondigt Zarathustra een groot feest aan, het feest van de Grote Middag.

‘En dit is de Grote Middag wanneer de mens midden in zijn baan tussen dier en Bovenmens staat, en de gang naar de avond viert als zijn hoogste hoop. Want het is de gang naar een nieuwe morgen’. (AsZ 81-82)

 

Voor de uitwerking en verantwoording van deze visie en wat zij kan betekenen voor onze tijd verwijs ik naar mijn boek Blijf de Aarde trouw. Pleidooi voor een Nietzscheaanse terrasofie.

Nijmegen 2016. Uitgeverij vanTilt.

 

Henk Manschot is emeritus hoogleraar filosofie van de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht.

 

Noten:

  1. Dorian Astor, Nietzsche (2011) Paris, Editions Gallimard.

Rudiger Safranski, Nietzsche. Een biografie van zijn denken.(2000, 2011) Amstel Uitgeverij.

Paul van Tongeren, Nietzsche (2016) Amsterdam. University Press.

  1. Friedrich Nietzsche, De vrolijke wetenschap. Aforisme 125.
  2. Een deel van deze tekst is eerder verschenen in Splijtstof, het tijdschrift van de faculteit der Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen van de Radboud Universiteit, Nijmegen mei 2017.
  3. De cijfers van AsZ verwijzen naar de paginanummers van de Nederlandse versie van Aldus sprak Zarathoestra, Amsterdam 2008, Uitgeverij Boom.
  4. Nagelaten Fragmenten.
  5. Van Tongeren (2016), met name hoofdstuk 7.