Oecumenisch denkplatform voor hartstochtelijke en maatschappelijk betrokken theologie. Ook op twitter en facebook

Ophef nr. 2 2001

Ophef 2 2001Redactioneel

Van oudsher speelde de fantasie de rol de werkelijkheid niet te laten voor wat die is. In fantastische verhalen trachten mensen de diepste zin of het uiterste perspectief van het bestaan onder woorden te brengen, in beelden te vatten. De strekking van die fantastische verhalen is niet per se de hoop dat alles anders worden zal. Zij kan evengoed de mythologische uitvergroting zijn van de wanhoop dat de werkelijkheid in de grond van de zaak tot niets leidt of niet meer te beiden heeft dan de eeuwige herhaling van hetzelfde. En het is in elk geval een fantasie die binnen menselijk bereik blijft, ook al wordt daarin gedroomd van onsterfelijkheid, van een zaligheid die van geen ophouden weet. Hoe utopisch het gedroomde utopia ook is, het blijkt toch vaak het product van een almachtsfantasie, waarin de mens alles naar zijn hand zet. Het moet de nieuwe mens zijn, mar deze lijkt verdacht veel op de oude. Hoe dat ook zij, wij mensen zijn blijkbaar van nature geneigd om ons beeld van de toekomst te maken en te fantaseren over de ongekende mogelijkheden die ons daarin te wachten staan. De moderne (natuur) wetenschap en de spectaculaire ontwikkeling van de techniek, die daarmee gepaard gaat, heeft die fantasie nog eens bijzonder bevleugeld, De ongekende mogelijkheden, die de mens zelf heeft om de werkelijkheid te maken, komen centraal te staan in een nieuw genre van fantastische verhalen: de science fiction. Wetenschap en techniek vormen voor deze soort van fictie niet alleen het motief maar ook de stof. De wereld van de toekomst is een werkelijkheid waarin de wetenschap het voor het zeggen heeft en machines de mensen het werk praktisch geheel uit handen hebben genomen. Net als de klassieke fantastische verhalen blijft de science fiction ambivalent in wat zij te verwachten waagt. Het ongelooflijke dat er in de toekomst geprojecteerd wordt is naar mijn indruk meestal onheilspellend: de wetenschap is de mensen boven het hoofd gegroeid, de machines hebben hen niet alleen het werk maar ook de macht uit handen genomen. Dat de mens zelf zo uitdrukkelijk de schepper van de toekomst geworden is – wat er op hem toekomt is uitsluitend wat hij zelf gemaakt heeft -, biedt niet zozeer perspectief op een rijk van de vrijheid als wel op de ultieme noodlottigheid van een absolute onmacht. De reëel gebeurde catastrofen – triomfen van techniek als Auschwitz en Hiroshima – geven daar ook alle aanleiding toe. En kan niet elke dag een technologisch Armageddon werkelijkheid worden? Dit laatste doet een andere vraag rijzen: is de werkelijkheid niet bezig onze fantasie in te halen? Of zelfs te overtreffen, nu de biowetenschappen en de daarbij behorende technologieën op weg zijn het leven zelf, inclusief het menselijke, uit (bijna) niets te creëren? En de informatie- en communicatietechnologie (ICT) een denkbeeldige (virtuele) werkelijkheid produceren, die – je kunt het niet paradoxaal genoeg formuleren – net zo reëel is als de realiteit? Is met andere woorden de ‘science’ niet zelf de fiction geworden, die elke ‘science fiction’ overbodig maakt? Of erger: onmogelijk maakt? Want wat vermogen fantastische verhalen nog tegen deze vleesgeworden fantasie? Wat voor zin heeft de fictie van een menselijk geworden wereld als de mens van de toekomst definitief het maaksel van de mens van nu geworden is? Reden genoeg om dit nummer (voor een groot deel) te wijden aan ‘wetenschap en science fiction’. Otto Sondorp probeert een antwoord op de vraag of er inderdaad een werkelijkheid is die onze fantasie overtreft en hoopt in elk geval dat, áls cyborgs ooit de wereld zouden regeren, zij zodanig zijn geprogrammeerd dat zij onze slechte eigenschappen niet hebben meegekregen. En herinnert er zodoende aan dat zelfs die cyborgs niet uit de hemel gevallen komen. Andreas Bedenbender heeft het over ‘bijbel en science fiction’ en laat zien hoe na deze elkander staan en oppert voorzichtig wat theologen daarvan kunnen leren. Dick Boer laat zich aan het denken zetten door een rede van de filosoof Peter Sloterdijk en Bert Schuurman door de bundel ‘God & Co.’.

Buiten het thematische gedeelte is er het verhaal van Will Verhoef over ‘Het ver-lam-de slachtoffer’. Zij werpt de vraag op of een bepaald soort slachtofferideologie niet het slachtoffer buiten beeld doet verdwijnen. het kan worden gelezen als een nuttig post scriptum bij Ophef 2000/4 over ‘De (on)macht van het slachtoffer’. Maar het spreekt uiteraard ook voor zichzelf. Dat doen ook de bijdragen aan de rubrieken: de exegese van Paula Irik, de poëziebeschouwing van Hans Groenewegen, de bijdrage in de serie ‘Storm van Getuigen, van Jan van Opbergen, ‘Heftig’ en ‘Gesignaleerd’. Daartussendoor trekt de tekening van Tamis Wever de aandacht.

 

Dick Boer

 

Inhoud

1.   Redactioneel

      Dick Boer

2.   De virtuele werkelijkheid – fantasieën tussen hemel en hel

      Otto Sondorp

3.   Bijbel en science-fiction – de logica van het fantastische

      Andreas Bedenbender

4.   Politiek met het oog op de maakbaarheid van de mens – Sloterdijk’s ‘Regels voor het mensenpark’

      Dick Boer

5.   Voor God spelen en/of spelen voor God – naar aanleiding van God en co?

      Bert Schuurman

6.   Het ver-lam-de slachtoffer – over de beeldvorming rond seksueel geweld

      Will Verhoef

7.   Er is genoeg voor iedereen – preek bij Joh. 6: 1-15

      Paula Irik

8.   Eens word je meegenomen – over Eva Gerlach

      Hans Groenewegen

9.   Storm van getuigen – Dick Groeneboer, een dominee met passie

      Jan van Opbergen

10. Getekend: Tamis

11. Heftig

12. Gesignaleerd – Bevrijde tijd