Oecumenisch denkplatform voor hartstochtelijke en maatschappelijk betrokken theologie. Ook op twitter en facebook

“Rustig kunnen leven. Belofte en programma van de Tora” – Dick Boer

Onder de titel “Rustig kunnen leven. Belofte en programma van de Tora” hield Dick Boer bij het afscheid van een vriend in Hamburg een toespraak over het Bijbelse verlangen ‘om rustig te kunnen leven’.

Uit: Ophef 2015, 18e jrg. nr.4. Het Ophef-nummer heeft als thema “Andere tijden…”.

 

Rustig kunnen leven

Belofte en programma van de Tora

 

Dick Boer

 

Onderstaande lezing, waarvan de oorspronkelijke titel luidde “In Ruhe leben können, Verheißung und Programm der Tora” werd door Dick Boer in oktober van dit jaar in Hamburg gehouden en door Wilken Veen in het Nederlands vertaald.

 

1.

Toen ik gevraagd werd op dit symposium over ‘het grote verhaal van de shalom als idee en oorsprong van de kerk’ te spreken, kon ik me onmiddellijk iets voorstellen bij dit thema. Want shalom is immers het summum van de Bijbelse belofte van een alomvattende vrede, waarin shalom en gerechtigheid elkaar zullen kussen. Maar toen ik begon na te denken over wat ik daarover zou kunnen zeggen en naging wat er in de Bijbel over shalom te vinden is, werd tot mijn verrassing duidelijk, dat deze betekenis van shalom helemaal niet zo gemakkelijk vast te stellen is. Vaak zegt shalom niet meer, dan dat een oorlog ten einde is. Dat is niet weinig, zoals wij genoegzaam weten als mensen die leven in een wereld vol oorlog, maar ook niet alles.

En het woord ‘shalom’ is ook niet absoluut nodig als beschrijving van deze alomvattende vrede. Waar wordt deze vrede radicaler in woorden gevat dan in het boek Openbaring? Daar ziet de visionair Johannes een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Daar hoort hij een stem, die verkondigt, wat men nauwelijks durft te dromen: alle tranen van de ogen afgewist, de dood bestaat gewoon niet meer, geen lijden meer, geen weeklacht, geen moeite. Is dat niet, wat wij ons bij shalom voorstellen? Maar het woord ‘shalom’ horen we hier niet.

Deze shalom, als het gelukzalige einde der geschiedenis, zal ik in mijn voordracht laten rusten. De beslissende reden om dat te doen was voor mij, dat shalom in de betekenis van een alomvattende vrede in de Tora niet voorkomt. De Tora is de grondwet van een gemeenschap, die zonder knechtschap kan functioneren. Niet het einde van de geschiedenis is het thema van de Tora, maar dat, wat aan het einde voorafgaat: de opbouw van een maatschappij, waarin er geen knechten meer zijn, omdat er geen heren meer zijn. En wel als de inhoud van een programma, dat helemaal door mensen gemaakt kan worden. Ja, het is hun geboden! Want de Tora is in de allereerste plaats: wet, en de wet moet gedaan worden.

2.

In de Tora is het woord, waarmee de belofte op begrip wordt gebracht niet shalom maar menucha (rust). Rust is wat Israël te wachten staat, wanneer het binnentrekt in het Beloofde Land: “Tot nu toe (zegt Mozes tegen het volk) zijn jullie niet gekomen in de rust en in het erfelijk bezit, dat JHWH, jullie God je geeft. Maar wanneer jullie de Jordaan zijn overgestoken en gaat wonen in het land dat JHWH jullie God jullie geeft als erfelijk bezit, zal hij jullie rust gunnen van al jullie vijanden rondom jullie, zodat jullie in veiligheid kunnen wonen.” (Dtn. 12, 9-10). Wat Israël hier toegezegd wordt, is niet dat wat de shalom belooft. Rust moet wezenlijk nuchterder verstaan worden. Het betekent, dat het volk er niet doorlopend mee moet rekenen door zijn vijanden overvallen te worden. En de ervaring van Israël is, dat die vijanden talrijk zijn en sterk en agressief. Voor Israël is dus door zijn vijanden met rust gelaten worden niet minder dan de vervulling van zijn diepste wens. Israël heeft er niet per se behoefte aan om de droom van een alles omvattende, alle denkbare wensen vervullende vrede te dromen. De rust ten opzichte van de vijanden betekent echter ook ‘in veiligheid kunnen wonen’, is ook een binnenlandse aangelegenheid: het betekent te leven in een land, waarin de bewoners niet permanent het risico lopen van de ene dag op de andere de bestaansgrondslag te verliezen. Wij horen het woord ‘rusten’ al in Genesis 2, het basisdocument van de Bijbelse antropologie, waar JHWH de mens neemt en in de hof van Eden, het paradijs, ‘tot rust laat komen’ (dat wordt meestal vertaald met in de in de hof ‘plaatsen’, maar het is dezelfde woordstam als menucha) (Gen. 2,15). En daar is deze rust al verbonden met het gebod het land te bewerken en, niet te vergeten, te bewaren (het gebod om de schepping te bewaren).

Land en rust is een gave van God. Dat een volk als Israël, een slavenvolk, in deze wereld ruimte krijgt om rustig te kunnen leven, is een wonder. Israël heeft het ook als een wonder, als een geschenk ervaren. Daarom mocht het zijn land en zijn rust ook niet als een bezit beschouwen, waarop het recht zou hebben. Het land is niet de ruimte van een besloten gezelschap, waar de bescherming van het bezit als de hoogste deugd geldt. De gave van het land heeft ook een ethische dimensie: de gave is een opdracht. Als de rust ingetreden is, het woord van de gave van het land vervuld, roept Jozua Israël bij elkaar en bezweert het zich sterk te maken, om ‘alles wat geschreven staat in het boek van de Tora van Mozes te bewaren en te doen’ (Joz. 23,6). De rust in het land te ‘bewaren’ is niet meer Gods zaak alleen, het is dat, wat nu Israël zelf geboden is. En dat betekent ook: dat wat te doen is. Want wat God gebiedt, daartoe acht hij de mens ook in staat.

De Tora gebiedt evenwel niet alleen in het algemeen en globaal, ze biedt een programma, hoe deze maatschappij, waarin deze weldadige rust heerst, georganiseerd kan worden. Gods belofte dat de mens zal leven, hangt af van de vervulling van dit programma: “Ik, JHWH, ben jullie God, bewaart mijn voorschriften en mijn rechtsordeningen, want: de mens die ze doet, zal door ze leven.” (Lev. 18,5). En wie, reformatorisch gedeformeerd, meent, dat Paulus deze ‘wet’ heeft afgeschaft – omdat wij van genade leven en niet door de wet – heeft niet begrepen, hoe genadig deze wet is.

Het programma is programma gebleven. Na het boek Jozua gaat de geschiedenis verder met het boek van de Richteren, waarin de rust ver te zoeken is. Het zal wel geen toeval zijn, dat in dit boek het woord Tora niet voorkomt. Want in dit boek wordt geen Tora gedaan, maar Israël doet ‘wat kwaad is in de ogen van JHWH’ (Ri. 2,11). Rust is er alleen voor de volkeren, die Israël in het nauw drijven. Het zijn de volkeren, die Jozua heeft ‘nagelaten’ toen hij stierf, opdat hij aan de hand van hen Israël op de proef zou stellen, of ze de weg van JHWH zouden bewaren […] of niet, ‘daarom had JHWH deze volkeren rust gegeven’ (Ri. 2,23). Voor Israël is deze rust fataal: permanente onrust. En zo verder en zo voort. De geschiedenis van Israël is van Richteren tot aan 2 Koningen een geschiedenis van het mislukken – het wil Israël niet lukken zijn programma om te zetten in de daad.

De christelijke theologie zag over het hoofd, dat volgens de Joodse canon de boeken van de geschiedenis (Jozua, Richteren, 1 en 2 Samuël, 1 en 2 Koningen) bij de ‘profeten’ horen. Het is het einde van een geschiedenis, niet het einde van de geschiedenis (Veerkamp). Daarom viert de synagoge nog steeds Simchat Tora, vreugde der wet, terwijl het de kerk nog steeds niet lukt zich over de wet te verheugen. De Jood Jezus, die wij als Messias belijden, zegt van zichzelf dat hij niet gekomen is, om ook maar een tittel of jota van de Tora af te schaffen – maar om die te vervullen. En hij sprak in deze geest: “Komt allen tot mij, gij die vermoeid en belast zijt en ik zal jullie rust geven.” (Mt. 11,28). Want dat is immers het summum van dat, wat het doen van de Tora, dit geweldige geschenk Gods, belooft: rust. Rust, niet in de eerste plaats als innerlijke rust, maar als uiterlijke rust, die zij die vermoeid en belast zijn – maatschappelijke categorieën! – nodig hebben, om überhaupt een innerlijke rust te kunnen genieten.

En wij zouden dit woord niet zo moeten verstaan, alsof het alleen door de persoon Jezus wordt gezegd en voor ons christenen alleen evangelie is en niet wet. Wanneer Jezus zegt: ‘komt tot mij’ dan is met dit ‘mij’ ook de gemeente bedoeld, die ‘als Christus existeert’ (Bonhoeffer)1. ‘Komt tot mij’ betekent dan: komt tot de gemeente als de ruimte, waar deze weldadige rust concreet heerst. Het Nieuwe Testament, dat wij zo graag tegen het Oude Testament uitspelen, verplicht ons niet minder dan het Oude: alleen de mens die Tora doet, zal leven!

3.

Het maatschappelijk-politieke begrip voor de ‘rust’ die de Bijbel bedoelt, is: bestaanszekerheid – en als politieke opdracht, die bestaanszekerheid te verschaffen. Het is de vrijheid zo te kunnen leven, dat men niet voortdurend bang hoeft te zijn de grondslag van zijn bestaan, zijn werk en, wanneer men werkeloos is de voor het leven noodzakelijke ondersteuning te verliezen of gekort te zien tot een onverdraaglijk minimum. Als politieke opgave betekent dat de bevrijding uit de onzekere verhoudingen, waarin het kapitalisme in de negentiende eeuw massa’s van mensen die niets anders hadden te bieden dan hun werkkracht, heeft gedreven. Het was de bevrijdingsbeweging van de arbeiders, die deze vrijheid van de bestaanszekerheid verregaand gerealiseerd heeft – zij het dan ook alleen in een deel van de wereld, terwijl de rest van de wereld achterbleef en zelfs deze bestaanszekerheid mede mogelijk maakte. Het resultaat was de verzorgingsstaat, die de mensen verschafte, wat in de Bijbel ‘rust’ heet. Of misschien kan men beter zeggen: de arbeidersbeweging schiep deze ‘rust’, want ‘ons uit de ellende verlossen, kunnen we alleen zelf doen’2 [hier hoort een noot bij, waarin duidelijk wordt gemaakt dat dit een citaat is uit de Duitse versie van de Internationale. Dat geldt ook voor het volgende citaat dat geen hoger wezen ons redden zal. Ik had zelf wel een eindnoot willen maken maar dat lukt mij niet]. Dat is niet zo onbijbels als het op het eerste gezicht lijkt. In de Bijbel is het weliswaar JHWH, die het volk rust verschaft, maar dit mondt tegelijk uit in de opdracht aan het volk nu ook zelf deze rust te scheppen – en er zich van bewust te blijven, dat ‘geen hoger wezen’ in deze wereld het zal redden, ‘geen god, geen keizer, geen tribuun’, dus niet terug te vallen in het valse geloof aan zulke goden.

Maar intussen is de tijd veranderd. Wat voor het volk Israël en ook voor de arbeiders vanzelfsprekend was: de levensnoodzaak van de bestaanszekerheid, is de tijdgeest vreemd geworden. Over de permanente onrust, het zich steeds weer op nieuwe, onverwachte situaties in moeten stellen, worden geen kritische vragen meer gesteld, maar het wordt als noodlot aanvaard, nee, niet alleen aanvaard, maar als uitdaging begroet. Leven in een ‘risicomaatschappij’ is geen schrikbeeld meer, dat mensen ertoe beweegt de maatschappij te veranderen in een voor zover mogelijk risicovrije. Wij mensen zijn voor de ‘risicomaatschappij’ geschapen, een risicovrij leven is een utopie. De verzorgingsstaat was de uitzondering, die de regel bevestigt. Nu zijn wij weer terug in de normaliteit: het mensenleven is nu eenmaal een onzeker bedrijf, een vaste aanstelling bijvoorbeeld is iets waarmee men niet meer kan rekenen. En wie denkt dat zoiets nog steeds mogelijk is, heeft de tijd niet begrepen, is ouderwets, ook wanneer hij meent voor de vooruitgang te zijn.

De tijdgeest weerspiegelt een maatschappelijke ordening, die gebaseerd is op permanente onrust, bestaansonzekerheid als bestaansgrond heeft. Zij beweegt zich van crisis tot crisis, een beweging, die haar ideologen als de noodzakelijke voorwaarde voor hun successen vieren: als creatieve destructie (Schumpeter3), als de kapitaalsvernietiging die de kapitaalaccumulatie weer op gang moet brengen. De mensen rust verschaffen behoort niet tot haar mogelijkheden. Integendeel, zij vernietigt wat zich (nog) buiten haar bereik bevindt: de non-profit-sector (de verzorgingsstaat) wordt geprivatiseerd, het ‘profijtbeginsel’ moet niet alleen het principe zijn, dat het kapitaal beweegt, maar het moet de leidraad worden voor al het menselijke handelen.

De geest van deze maatschappij is echter niet alleen de geest van de heersers, maar ook de geest van de overheersten. Ook zij geloven, dat deze maatschappelijke ordening in hun geest is, ook al moeten ze eraan geloven. Dominant is het mensbeeld geworden van de intelligente, gezonde, oneindig flexibele mens, altijd in touw, onder alle omstandigheden tot handelen in staat.

Maar dit mensbeeld heeft een keerzijde. Het ziet die mensen over het hoofd, die niet zo handelingsbekwaam zijn, niet zo intelligent, niet zo flexibel – en die dat misschien ook nooit zullen zijn, in ieder geval niet in een maatschappij, die hen tot handelingsonbekwaamheid verdoemt en van hen een flexibiliteit verlangt, die hen weerloos en waardeloos maakt. Ze worden door dit mensbeeld vernederd en verachtelijk gemaakt. Er wordt afgegeven op de ‘rust’, die het perspectief is van die mensen, die in deze maatschappij niet mee kunnen komen, die als ‘de verliezers van de modernisering’ aan hun lot worden overgelaten, omdat de reëel bestaande modernisering niet uitkomt zonder verliezers.

Dit mensbeeld verdraagt zich dus niet met wat de Bijbel en de god van de Bijbel onder menselijkheid verstaan. Want het is onverdraaglijk voor die mensen, die zonder bestaanszekerheid, zonder de rust waarop de bijbel mikt, niet werkelijk menselijk kunnen existeren. Dit mensbeeld is een afgodsbeeld, dat niet aanbeden mag worden!

4.

De maatschappij, waarin we moeten leven, wordt voorgesteld als zonder alternatieven. Ze is daarom principieel ondemocratisch. Want als er geen alternatieven zijn, heeft democratie geen zin. De zin van de democratie is immers, dat de burgers alternatieven bediscussiëren, om zich vervolgens voor een bepaald alternatief uit te kunnen spreken.

Ook het Bijbelse denken is in een maatschappij ontstaan, die naar de manier waarop die zichzelf begreep, zonder alternatieven was. Ze was immers de goddelijke ordening en dus eeuwig. De bijbel vertelt over een God, die deze eeuwige ordening onderbreekt en een alternatief mogelijk maakt. En in de maatschappij, die het uit deze eeuwige ordening bevrijde volk moet organiseren, is er principieel geen automatisme, waaraan men zich maar moet aanpassen. De loop der dingen kan een verkeerde ontwikkeling zijn, die teruggedraaid moet worden. De grote wet van het jubeljaar, het gebod van de algemene landhervorming, herstelde de oorspronkelijke bezitsverhoudingen, waarin allen over hun eigen productiemiddelen beschikten en niemand zijn arbeidskracht als slaaf aan anderen ter beschikking hoefde te stellen, draaide dus een proces van verslaving terug. De Tora weet, dat de verkeerde wereld waarin we leven, zich niet uit haar voegen laat lichten, alleen maar door haar te confronteren met het ideaalbeeld van een wereld waar alles in orde is. De verkeerde wereld schrijdt voort zonder zich door idealen te laten storen, ze ontwikkelt zich, ongetwijfeld, maar deze ontwikkeling is catastrofaal. De Tora is het protest ertegen, dat het altijd zo verder moet gaan. Zij ziet in: ‘dat het “zo verder” gaat, is de catastrofe’ (Benjamin)4. De Tora verwijst haar hoorders daarom niet naar het zachte kussen van de utopie, maar naar de harde arbeid van het organiseren, die moet verhinderen, dat het zo verder gaat. Walter Benjamin heeft in samenhang met zijn kritiek op het vooruitgangsgeloof een uitspraak van Marx opgepakt, die zei: de revoluties zijn de locomotieven van de wereldgeschiedenis. En hij merkte daarbij op: “Maar misschien is het helemaal anders. Misschien zijn de revoluties de greep van het in deze trein reizende mensengeslacht naar de noodrem”. Deze zin raakt heel nauwkeurig de kern van het programma van de Tora: aan de noodrem trekken, omdat anders, wanneer het zo verder gaat, het mensengeslacht onder de wielen komt. Het mensengeslacht, dat zijn Bijbels gesproken in de eerste plaats die mensen, die zichzelf niet als machinisten kunnen beleven, die niet in staat zijn het tempo van de voortrazende trein bij te benen. Hun leven hangt ervan af, dat de trein van de vooruitgang gestopt wordt. Een ‘omkeer’ is noodzakelijk om hun nood te keren. Een ‘revolutie’ die de achtergeblevenen niet vergeet, maar juist naar hen ‘omkeert’. Een revolutie, die het waagt omwille van deze achtergeblevenen ‘conservatief’ te zijn. De revolutionair mag zichzelf voor een machinist houden en zelfbewust zingen: ‘wij zijn de sterksten der partijen’, hij mag in zijn ‘voorwaarts’ niet vergeten, dat het in de revolutie om de zwakken gaat, die rustig moeten kunnen leven5. Hij moet accepteren, dat zo’n revolutieconcept als ‘ouderwets’ uitgescholden zal worden. Ook de Tora is ‘ouderwets’, wanneer ze aandringt op ‘omkeer’ in plaats van alleen op de toekomst gericht te zijn.

5.

Tenslotte kom ik bij de vraag: wie zal zo krachtig aan de noodrem trekken, dat de locomotieven van het onweerstaanbare doorgaan worden gestopt? De mensen, die ervaren hebben, dat ze door de ‘risicomaatschappij’ op een zijspoor zijn gezet, zijn een minderheid. Wie op een zijspoor zijn gezet, kunnen gemakkelijk over het hoofd worden gezien. Voor de productie zijn ze overbodig of alleen nog als precariaat6 te gebruiken. Ze kunnen pas niet meer over het hoofd worden gezien, wanneer ze massaal uit de door oorlog, uitzichtloze economische situaties en natuurrampen getroffen gebieden van de wereld op weg gaan naar het rijke Europa. Dan is de radeloosheid van de regeerders groot en dan wordt duidelijk, dat ze de bereidheid om te helpen van haar burgers niet weet om te zetten in een politiek programma – uit angst voor andere burgers, die, door de politiek systematisch in de steek gelaten, met luide en hatelijke stem roepen: eigen volk eerst. En voor zover de politiek de zaak in haar greep wil krijgen, zal ze dat doen door een ‘immigratiewet’, die onderscheid maakt tussen hen, die voor ons, d.w.z. voor de economie van nut zijn en mogen blijven, en hen, die, omdat ze niet van nut zijn, met een goed geweten afgewezen kunnen worden. Daarmee is de normaliteit weer hersteld: wat op een zijspoor is geraakt is een minderheid, voor de politiek niet relevant.

Relevant voor de politiek is het midden, de lagere en hogere middenklassen, die tot nu toe de heersende politiek bij elke verkiezing met hun stem in meerderheid legitimeren. Zou dit midden op opstandige gedachten komen, massaal ‘basta, het is genoeg’ zeggen en demonstratief uitspreken: een andere wereld is mogelijk, dan zou de stabiliteit van deze maatschappij werkelijk bedreigd worden. Maar wanneer zal deze tijd komen? Men zou zijn hoop kunnen stellen op een nieuwe financiële crisis, die het midden in een maatschappijkritische beweging brengt. Maar dan zou het ook voor een constructieve tegenpolitiek te laat kunnen zijn, dan zouden de massa’s om een leider kunnen roepen, die verlossing belooft, maar de catastrofe compleet maakt.

Maar in het midden bevindt zich ook een groep, die niet helemaal in het schema past. Het zijn de mensen, die nog steeds naar de kerk gaan. Het zijn mensen zoals ik bijvoorbeeld, die zich zo lang hij zich kan herinneren altijd aan de zonnige kant van de maatschappij bevond. Hij heeft alle reden tevreden te zijn met zichzelf. Maar het lukt hem niet helemaal. Een belangrijke reden om niet tevreden te zijn met de wereld zoals ze is, is de kerkdienst, die in de kerk in het centrum staat – of zou moeten staan, want veel kerkelijk leven speelt zich inmiddels buiten de kerkdienst af. Daar komen mensen bij elkaar, die teksten horen, die de maatschappij waarin ze leven, tegen de haren in strijken, liederen zingen, waarin niet het eigen welbevinden wordt gevierd, maar de ‘zonne der gerechtigheid’ opgaat, en bidden: uw Naam worde geheiligd, uw Rijk kome, uw Wil geschiede. De mensen, die in de kerkdienst bij elkaar komen, behoren voor het grootste deel tot de middenklasse, dat is waar. Maar ze zijn in hun middenklassebestaan gestoord of tenminste bereid zich te laten storen. En ik denk, dat het onze opdracht is om ze te storen. Hen zo te storen, dat hun, misschien opnieuw, duidelijk wordt, hoezeer de wereld van de Bijbel volstrekt tegengesteld is aan de wereld waarin zij leven: wie in deze wereld de laatste is, is in de wereld van de Bijbel de eerste. Maar er moet ook duidelijk worden, dat het hier niet om waarden gaat en de kerk geen waardengemeenschap is, maar om politiek, een politiek, die andere prioriteiten daadwerkelijk aan de orde stelt in plaats van ze anders te denken. De maatschappij moet zo worden georganiseerd, dat de laatsten rustig kunnen leven. De boodschap is niet: dat zou mooi zijn. De Bijbel stoort niet in de laatste plaats, omdat ze verkondigt: zo’n maatschappij is maakbaar!

 

 

 

 

Noten van de vertaler:

 

1 Het correcte citaat gaat natuurlijk over ‘het lichaam van Christus, dat als gemeente existeert’, maar deze omdraaiing, die niet wezenlijk iets anders zegt, is minstens zo mooi.

2 Dit citaat en ook het volgende over het ‘hogere wezen’ komt uit de Duitse versie van de Internationale.

3 Joseph Schumpeter (1883-1950) was een Oostenrijks econoom die de term ‘creatieve destructie’ introduceerde in de economie. Hij bedoelde ermee, dat een radicale vernieuwing, ook wanneer daarmee oudere waarden vernietigd worden, noodzakelijk is voor de groei van het kapitalistische systeem.

4 Der Begriff des Fortschritts ist in der Idee der Katastrophe zu fundieren. Dass es ‚so weiter‘ geht, ist die Katastrophe (Walter Benjamin, Das Passagen-Werk, Gesammelte Schriften V/1, S. 592).

5 Hier wordt eveneens uit de Duitse versie van de Internationale geciteerd en vervolgens gezinspeeld op het lied: “Vorwärts und nicht vergessen” van Brecht en Eisler.

6 In de nieuwste (15e) druk van Van Dale is het woord ‘precariaat’ voor het eerst opgenomen. Het Duitse ‘Prekariat’ kwam in mijn 2e druk van Duden (van 1989) ook nog niet voor. Het is de uitdrukking voor de laagste maatschappelijke klasse, die voortdurend in onzekerheid leeft over haar bestaansmogelijkheden. In die zin is het woord afgeleid van ‘precair’. ‘Het precariaat is het nieuwe proletariaat’, wordt wel gezegd. Het kan ook afgeleid worden van het latijnse woord ‘precario’, wat gunst betekent. Het zou dan slaan op mensen die geen eigen inkomsten hebben, maar leven van de goedgunstigheid van anderen. Hier moet het zoiets betekenen als “alleen te gebruiken als het precair wordt, als de nood aan de man komt”.